Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2024:23740

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2024-09-19
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL24.29319 (beroep) en NL24.29320 (voorlopige voorziening)
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
10.802 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Beroep en voorlopige voorziening: ongegrond en afgewezen. Dublinprocedure. Eiseres is getrouwd met een Nederland en is in verwachting van een kind met hem. Verweerder heeft het besluit voldoende zorgvuldig voorbereid en hoefde de behandeling van de asielaanvraag niet naar zich toe te trekken.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL24.29319 (beroep) en NL24.29320 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiseres] , V-nummer: [eiser] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres) (gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker), en de minister van Asiel en Migratie , verweerder (gemachtigde: mr. J. van Dam). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres. 1.1. Eiseres heeft op 25 februari 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 23 juli 2024 deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van de aanvraag. 2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 september 2024 op zitting behandeld. Eiseres, de gemachtigde van eiseres en verweerder en de heer T. Cetinkaya (tolk) hebben aan deze zitting deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. Eiseres stelt de Iraakse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op 15 januari 1999. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Volgens verweerder zijn er geen concrete aanwijzingen dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Ook heeft eiseres volgens verweerder geen bijzondere en individuele omstandigheden aangevoerd die maken dat verweerder haar aanvraag wel in behandeling moet nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Wat vindt eiseres in beroep? 4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door haar pas in het bestreden besluit te confronteren met het feit dat er twijfels zijn over haar huwelijk en de erkenning van haar (ongeboren) kind door haar partner. Verweerder heeft verder ten onrechte niet betrokken dat eiseres getrouwd is met een Nederlander, dat zij zwanger is en dat haar partner het (ongeboren) kind heeft erkend. Ook had verweerder moeten betreken dat het nog ongeboren kind van eiseres na geboorte de Nederlandse nationaliteit zal krijgen en dat daarom dus aan eiseres waarschijnlijk een recht tot verblijf toekomt. Nu verweerder heeft besloten eiseres aan Duitsland over te dragen op grond van een terugnameverzoek, zal eiseres bij overdracht aan Duitsland daar niet rechtmatig verblijven en worden uitgezet naar Irak. Daar zijn de medische voorzieningen slechter dan in Nederland en de rest van Europa, wat gevaar kan opleveren voor de baby. Eiseres wijst ter onderbouwing van haar betoog op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 29 juni 2023. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiseres terecht niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen. Heeft verweerder zijn besluit onzorgvuldig voorbereid? 6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn besluit niet onzorgvuldig heeft voorbereid door in het voornemen al niet expliciet tegen te werpen dat er wordt getwijfeld aan het gestelde (traditionele) huwelijk, dat haar gestelde partner de vader is van haar ongeboren kind en dat hij het ongeboren kind heeft erkend. Uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder een standaardvoornemen kan nemen en daarin kan volstaan met het noemen van de voor zijn standpunt dragende overwegingen. Het voornemen is een voorbereidingshandeling waarin staat dat verweerder van plan is de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling te nemen en haar over te dragen aan de Duitse autoriteiten. Eiseres heeft in het aanmeldgehoor haar bezwaren in algemene zin verteld, namelijk dat zij traditioneel getrouwd is met een man die bijna de Nederlandse nationaliteit heeft en dat zij daarom haar asielaanvraag in Nederland wil doorlopen. Van een zwangerschap was toen nog geen sprake. Vervolgens is eiseres in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze te geven op het voornemen de aanvraag niet in behandeling te nemen. Daarin heeft ze aangevoerd dat ze zwanger is van haar partner en dat het kind de Nederlandse nationaliteit zal krijgen. Eiseres heeft hierbij slechts een verklaring van de verloskundige en de Nederlandse identiteitskaart van haar gestelde partner overlegd. In het bestreden besluit is verweerder hierop ingegaan. De rechtbank ziet in deze besluitvorming geen reden om te oordelen dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld, des te meer nu de akte van erkenning pas bij de gronden van beroep is overlegd. Als eiseres zich beroept op bepaalde bijzondere omstandigheden, is het aan haar om deze zoveel mogelijk in de bestuurlijke fase te onderbouwen. Heeft verweerder kunnen vinden dat hij de asielaanvraag niet aan zich had hoeven trekken? 7. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting toegelicht dat de beroepsgronden zo moeten worden gelezen dat eiseres vindt dat verweerder haar aanvraag gelet op haar bijzondere omstandigheden aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. 7.1. Verweerder trekt op grond van paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) een aanvraag aan zich als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van een vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van onevenredige hardheid getuigt. Volgens het beleid maakt verweerder terughoudend gebruik van deze bevoegdheid. Gelet op de ruime mate van bestuurlijke vrijheid die verweerder heeft om de hardheidsclausule toe te passen, toetst de rechtbank deze beslissing van verweerder terughoudend. Wanneer hier gemotiveerd een beroep op wordt gedaan, mag van verweerder worden verwacht dat hij concreet onderbouwt en beargumenteert waarom hij geen gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid. 7.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dat er geen aanleiding is om de aanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Dat eiseres is gehuwd met een Nederlander, dat haar partner het (ongeboren) kind heeft erkend en dat haar kind daarom zeer waarschijnlijk de Nederlandse nationaliteit zal krijgen is – zoals verweerder ook ter zitting heeft gesteld – geen reden de aanvraag aan zich te trekken. Eiseres kan namelijk – wanneer zij meent met haar ongeboren kind gevaar te lopen in Irak – (weer) asiel aanvragen in Duitsland. Daarbij geldt dat ten aanzien van Duitsland uit mag worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder erop mag vertrouwen dat Duitsland eiseres in overeenstemming met het EVRM , het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zal behandelen en dat de belangen van haar ongeboren kind ook in Duitsland gewaarborgd zijn. Verder heeft verweerder ter zitting toegelicht dat ook de omstandigheid dat eiseres vanwege haar ongeboren kind mogelijk een verblijfsrecht in Nederland toekomt op grond van het Unierecht, geen aanleiding geeft de aanvraag aan zich te trekken. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen hier niet in deze asielprocedure al op vooruit te willen lopen, dat eiseres ook in Duitsland een hiertoe strekkende aanvraag kan indienen en dat overdracht naar Duitsland daarom niet van onevenredige hardheid getuigt. Ten slotte overweegt de rechtbank dat het beroep op voormelde uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 29 juni 2023 eiseres niet kan baten, alleen al omdat dit een voorlopig oordeel betreft waarbij de voorzieningenrechter enkel een belangenafweging heeft verricht. Conclusie en gevolgen 8. Gelet op voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom hij de aanvraag niet in behandeling heeft genomen. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Daarmee is haar beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand. 9. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. 10. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder. Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg van 29 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:9713. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Uitspraak van de Afdeling van 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4348. Verslag aanmeldgehoor, pagina 7. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...