ECLI:NL:RBDHA:2024:23694
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2024-08-16
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel, homoseksuele geaardheid ongeloofwaardig geacht. referentiekader, gegrond
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: NL23.28317 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid , verweerder (gemachtigde: mr. F. Gieskes). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag die hij op 16 mei 2019 heeft ingediend. 1.1. Eiser heeft eerder op 13 oktober 2018 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Die heeft verweerder niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling daarvan . Deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft dat besluit op 26 maart 2019 bevestigd . Er is geen hoger beroep ingediend. Daarmee staat dat besluit in rechte vast. 1.2. Eiser heeft op 23 april 2019 aangifte van mensenhandel gedaan. Daarop is hij op 24 april 2019 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier ‘Tijdelijke humanitaire gronden’ op grond van de regelgeving voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel. Verweerder heeft de claim op Italië ingetrokken en eiser toegelaten tot de nationale procedure. Met het besluit van 12 december 2019 heeft verweerder eisers verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot 20 mei 2019, omdat de officier van justitie toen besloot om niet over te gaan tot strafvervolging in Nederland wegens het ontbreken van rechtsmacht. 1.3. Verweerder heeft de asielaanvraag van 16 mei 2019 met het besluit van 30 juli 2021 afgewezen als ongegrond . Verweerder heeft dit besluit ingetrokken nadat eiser hiertegen beroep had ingesteld. Eiser is aanvullend gehoord, waarna verweerder het besluit van 14 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft genomen. Verweerder heeft met het bestreden besluit de asielaanvraag in de verlengde procedure opnieuw afgewezen als ongegrond. 1.4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit op 8 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk, [gestelde partner] (de gestelde partner van eiser) en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waarover gaat deze uitspraak? 2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of verweerder de asielaanvraag van eiser heeft kunnen afwijzen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Welke feiten en omstandigheden betrekt de rechtbank in haar beoordeling? 3. Eiser heeft gesteld dat hij is geboren op [datum] 1995 en dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. Sinds zijn tiende was hij verliefd op zijn beste vriend [naam 1] . Op een gegeven moment probeerde hij een periode afstand te nemen van deze gevoelens en veel te bidden tot God. [naam 1] vroeg hem toen waarom hij zo afstandelijk was. Eiser speelde uiteindelijk open kaart, [naam 1] beantwoordde zijn gevoelens en zij kregen een relatie. Een paar maanden later werd eiser thuis met [naam 1] door zijn moeder betrapt. Nadat zij zijn ooms en meerdere geestelijken had geraadpleegd is eiser in 2010 uit huis gezet. Eiser ging bij een oom, met wie zijn familie geen contact had, in Uromi wonen. [naam 1] is naar familie in Lagos gestuurd. In 2011 kwam eiser [naam 1] weer tegen in Uromi. Zij gingen bij elkaar wonen en werkten samen als tegelleggers. In september/oktober 2017 zijn zij tijdens een feestje zoenend betrapt. Zij zijn in elkaar geslagen, maar hebben weten te vluchten voordat de politie kwam. Vervolgens heeft een vriend geregeld dat zij konden vluchten. [naam 1] is in Niger van de auto gevallen en daarbij overleden. Eiser is alleen doorgereisd en via een mensensmokkelaar in Italië beland. Daar moest hij via prostitutie zijn schuld afbetalen. Eiser is gevlucht naar Nederland . Bij terugkeer naar Nigeria vreest eiser dat de autoriteiten hem gevangen zullen nemen of zullen doden. Ook vreest eiser voor de Nigeriaanse gemeenschap in het algemeen omdat homoseksualiteit niet wordt geaccepteerd. Tot slot vreest eiser dat hij problemen krijgt met de mensensmokkelaar, omdat die nog niet volledig is afbetaald. In Nederland heeft eiser een relatie met zijn vriend [gestelde partner] . Wat staat er in het bestreden besluit? 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. Homoseksuele gerichtheid; 3. Problemen vanwege homoseksuele geaardheid; en 4. Slachtoffer mensenhandel. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, en ook dat eiser slachtoffer is van mensenhandel. Maar verweerder vindt de verklaringen dat eiser homoseksueel is en daardoor problemen heeft ondervonden niet geloofwaardig. De geloofwaardige relevante elementen en aannemelijke vermoedens zijn volgens verweerder niet te herleiden tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Ook heeft eiser volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarom heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Moest verweerder uitgaan van de eerste asielaanvraag? 5. Eiser heeft gesteld dat de eerdere asielaanvraag van eiser leidend zou zijn omdat het asielmotief sindsdien niet is gewijzigd. De rechtbank volgt eiser niet in dat betoog. In het bestreden besluit wordt de aanvraag van eiser niet ingewilligd. Een mogelijke ingangsdatum van een verblijfsvergunning is daarom niet relevant voor de beoordeling van de rechtbank. De rechtbank beoordeelt immers of het bestreden besluit stand kan houden. Overigens is de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 30 januari 2024 , van oordeel dat de eerste asielaanvraag onherroepelijk is afgedaan en dat eiser terecht in de gelegenheid gesteld tot het indienen van een opvolgende aanvraag. Het Europese recht dwingt niet tot een ingangsdatum die gelijk is aan de datum van ontvangst van de eerste aanvraag. Deze beroepsgrond slaagt niet. Heeft verweerder voldoende rekening gehouden met de eerder verleende verblijfsvergunning? 6. Eiser heeft gesteld dat verweerder niet erkent dat eiser een verblijfsvergunning als slachtoffer van mensenhandel heeft gehad en daarom internationale bescherming behoeft. Niet kan echter worden gesteld dat verweerder de verleende vergunning zonder betekenis heeft geacht. Verweerder acht immers geloofwaardig dat eiser slachtoffer is (geweest) van mensenhandel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook voldoende gemotiveerd dat de vrees die eiser stelt te hebben voor zijn mensensmokkelaar bij terugkeer naar Nigeria onvoldoende zwaarwegend is voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser sinds 2018 niets meer van de smokkelaar heeft gehoord. Ook volgt, zo heeft verweerder gesteld, uit het Algemeen Ambtsbericht dat Nigeria een van de meest uitgebreide en multidisciplinaire aanpakken van mensenhandel ter wereld heeft. De autoriteiten van de deelstaat Edo zijn zich zeer bewust van de mensensmokkelproblematiek en kunnen terugkeerders afhankelijk van hun noden helpen. Dat eiser een paar maanden rechtmatig verblijf heeft gehad doet daar dan ook niet aan af, aldus nog steeds verweerder. De rechtbank volgt verweerder hierin, gezien het voornoemde ambtsbericht. Deze beroepsgrond slaagt niet. Heeft verweerder eisers seksuele geaardheid ongeloofwaardig kunnen achten? 7. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser en in het besluit bij herhaling tegenwerpt dat eiser “weinig weet te verklaren” ofwel tegenstrijdig danwel wisselend danwel onvoldoende inzichtelijk danwel niet overtuigend danwel onwaarschijnlijk danwel ‘vergetend’ verklaart. Verweerder heeft in het bestreden besluit ook ten onrechte geen, althans te weinig, betekenis toegekend aan de omstandigheid dat eisers verklaringen worden ondersteund door die van zijn huidige partner [gestelde partner] , met wie hij al sinds 2019 een relatie heeft, alsook door de verklaringen LGBT Asylum Support (hierna: Asylum Support) van 27 juni 2021 en 23 februari 2023. In beroep zijn nieuwe rapportages overgelegd van Asylum Support van 6 oktober 2023 en 5 juli 2024, foto’s van eiser en [gestelde partner] en een brief van [naam 2] , waarmee volgens eiser onvoldoende rekening is gehouden. Verweerder heeft in het bestreden besluit en het voornemen een referentiekader geschetst. Daarin is opgenomen eisers achtergrond (leeftijd, woonplaats(en), genoten onderwijs (twee jaar middelbaar onderwijs) en werkervaring), het medisch advies van MediFirst en informatie uit het algemeen ambtsbericht van Nigeria van januari 2023 over de culturele context, te weten de situatie van homoseksuelen in Nigeria en problemen in hun sociale omgeving en maatschappij. Uit het medisch advies blijkt dat eiser problemen heeft met zijn geheugen. Hij kan wel de gebeurtenissen terughalen, maar heeft geen of moeilijk grip op de chronologische volgorde. Ook heeft hij moeite met het terughalen en plaatsen van exacte data. Volgens het bestreden besluit heeft verweerder tijdens het (aanvullende) gehoor rekening gehouden met eisers jonge leeftijd en met het feit dat eiser het moeilijk vindt om over gevoelens te praten. Om die redenen is daarbij ook zijn gemachtigde betrokken, zo staat er. 8. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat rekening is gehouden met eisers referentiekader en zijn (on)vermogen om over gevoelens te kunnen verklaren, maar dat het uiteindelijk wel aan hem is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. Dat heeft hij onvoldoende gedaan. Aan de verklaringen van Asylum Support, foto's en een verklaring van een vriend, [naam 3] , kan niet de waarde worden geacht die eiser wenst. Eiser is geen twijfelgeval waarin verklaringen van derden als ondersteunend bewijs kunnen worden meegewogen. LHBTI-organisaties staan over het algemeen open voor iedereen en er ligt geen geloofwaardigheidsoordeel ten grondslag aan de toelating tot zulke organisaties. Bovendien is Asylum Support een belangenorganisatie die ook eisers belangen behartigt. Het is geen objectieve bron waardoor niet van de objectiviteit van de informatie die zij verstrekken kan worden uitgegaan, aldus verweerder. 8.1 Ter zitting heeft verweerder verwezen naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) . Verweerder ziet in de conclusies van het rapport geen aanleiding om zijn geloofwaardigheidsoordeel over eisers seksuele geaardheid te wijzigen. 9. Voor de beoordeling van asielaanvragen waarbij seksuele geaardheid als asielmotief wordt aangevoerd, hanteert verweerder Werkinstructie 2019/17 (WI 2019/17). In het kader van het onderzoek naar de geloofwaardigheid ligt het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaring met betrekking tot zijn gestelde seksuele geaardheid . In de werkinstructie is opgenomen dat het van belang is om in de vraagstelling en de beoordeling rekening te houden met de persoonlijkheid en achtergrond van de vreemdeling omdat elke vreemdeling een eigen referentiekader heeft op basis van bijvoorbeeld de afkomst, culturele achtergrond en levensfase. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt daarnaast dat in LHBTI-zaken verweerder een integrale beoordeling moet verrichten en dat de vreemdeling zijn ontoereikende verklaringen kan compenseren met andere verklaringen en overgelegd bewijsmateriaal . Daarbij is vooral van belang of er informatie van feitelijke aard uit deze stukken volgt. Verder is van belang bij zaken die betrekking hebben op LHBTI-geaardheid dat rekening moet worden gehouden met het feit dat gesteld wordt dat de homoseksuele geaardheid op jeugdige leeftijd is ontdekt. Indien verweerder de door de vreemdeling gegeven antwoorden niet vindt overtuigen, dient verweerder inzichtelijk te motiveren waarom die antwoorden, mede in het licht van de jonge leeftijd waarop de vreemdeling stelt te hebben ontdekt dat hij homoseksueel is, volgens hem tekortschieten . Rapportages Asylum Support 10. De rechtbank stelt voorop dat het aan verweerder is om een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te maken. Aan de rapportage van Asylum Support, voor zover daarin een eigen oordeel wordt gegeven over de gestelde seksuele geaardheid, hoeft verweerder slechts beperkt gewicht toe te kennen. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het rapport van Asylum Support in zoverre ook niet kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies. Dat de organisatie deskundig is op het gebied van vaststelling van iemands seksuele geaardheid is niet onderbouwd. 10.1 Verder heeft de Afdeling al meerdere keren geoordeeld dat aan het rapport van Asylum Support, voor zover daarin een eigen oordeel wordt gegeven over de gestelde seksuele geaardheid op basis van de door de vreemdeling afgelegde verklaringen, ook beperkt gewicht toekomt . Dit omdat daarin slechts een eigen waardering van de verklaringen van de vreemdeling wordt gegeven, met daarbij een uiteenzetting waarom hij anders dan verweerder tot het oordeel komt dat de gestelde seksuele gerichtheid wel geloofwaardig is. Dat de opsteller van het rapport op basis van deze eigen waardering kritiek levert op de geloofwaardigheidsbeoordeling, maakt nog niet dat de motivering van verweerder ondeugdelijk is. Ook in zoverre is geen sprake van een deskundigenadvies waaraan bijzondere waarde moet worden toegekend. 10.3 Het voorgaande betekent echter niet dat aan de rapportages van Asylum Support geen waarde toekomt. De inhoud kan in ieder geval relevant zijn als het waarnemingen betreft over de feitelijke gedragingen van de vreemdeling. In dit kader blijkt uit de rapportages dat eiser één of meerdere keren per jaar deelneemt aan een openbare activiteit voor of ten behoeve van LHBTI-personen in Nederland, zoals de Pride Zwolle en diverse andere gelegenheden en feestelijke bijeenkomsten. Dit zelfs gedurende meerdere jaren achter elkaar. Ook blijkt eruit dat eiser meerdere keren werd vergezeld door [gestelde partner] . In zoverre zijn de rapporten in ieder geval relevant voor de onderhavige beoordeling. Verweerder heeft in dit kader gesteld dat positieve waarde wordt gehecht aan de foto’s in het rapport, maar volgens hem betreffen het slechts momentopnames. Dat laatste moge zo zijn, er blijkt wel uit dat eiser zich al meerdere jaren inzet bij LHBTI-activiteiten met onder andere dezelfde persoon. 10.4 Uit de laatste rapportage van Asylum Support volgen verder kritiekpunten op de geloofwaardigheidsbeoordeling die verweerder heeft gemaakt naar aanleiding van het aanvullende gehoor. De gemachtigde heeft ter zitting aangegeven dat deze dienen als nadere onderbouwing op welke punten verweerder het referentiekader van eiser niet voldoende zorgvuldig heeft toegepast in het bestreden besluit. Daarmee zijn deze kritiekpunten deel van de gronden van eiser geworden. De rechtbank zal ze daarom als zodanig betrekken in haar beoordeling. Ook in zoverre zijn de rapportages relevant in de onderhavige beoordeling. Referentiekader 11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser bij de geloofwaardigheidsbeoordeling in het besluit. Het enkele vermelden van het referentiekader is daartoe onvoldoende. Dit oordeel zal de rechtbank hierna concreet toelichten aan de hand van de beoordelingspunten in het bestreden besluit op grond waarvan verweerder de homoseksualiteit van eiser en de problemen die daaruit voortvloeiden ongeloofwaardig acht. Vooraf is van belang dat verweerder niet mag volstaan met het omschrijven van het referentiekader en het vervolgens stellen dat daarmee rekening is gehouden bij zowel het horen als het beslissen. Verweerder moet concreet maken op welke wijze rekening is gehouden daarmee. Het is dus aan verweerder om ook bij het beslissen kenbaar het referentiekader te betrekken. Dit geldt te meer als wordt tegengeworpen dat weinig inzichtelijke of onvoldoende gedetailleerd wordt verklaard, terwijl het referentiekader daar een verklaring voor kan bieden. Als bijvoorbeeld een vreemdeling zich schaamt om te verklaren over een onderwerp is dat mogelijk niet ‘op te lossen’ door een bepaalde wijze van horen. Bij het horen moet in die situatie rekening worden gehouden met zijn referentiekader bijvoorbeeld door het gebruik van eenvoudige bewoordingen, het nemen van extra tijd en extra pauzes. Als dat is gedaan, betekent dat echter niet dat reeds daarom net zulke gedetailleerde of inzichtelijke verklaringen kunnen worden verwacht van de vreemdeling als van een vreemdeling zonder dat referentiekader. Het referentiekader heeft immers ook invloed op de geloofwaardigheidsbeoordeling. Dat beslismedewerkers, net als hoormedewerkers, getraind zijn om om te gaan met referentiekaders van de vreemdelingen, maakt dit niet anders. 11.1 In deze zaak betekent het voorgaande dat de overwegingen in het besluit en het voornemen over het referentiekader niet voldoen. In het voornemen is namelijk in algemene zin het referentiekader omschreven en in algemene zin overwogen dat daar rekening mee is gehouden. Dit is onvoldoende concreet. Voor wat betreft het beoordelingspunt ‘Eiser weet weinig te verklaren over [naam 1] ’ , als ook voor wat betreft het beoordelingspunt ‘Eiser maakt onvoldoende inzichtelijk waarom hij zichzelf na de zoen van [naam 1] ineens accepteerde’ is verweerder in het voornemen wel dieper op de relevantie van het referentiekader ingegaan. Voor wat betreft het laatste beoordelingspunt echter alleen hoe bij het horen daarmee rekening is gehouden. Alleen het eerst genoemde beoordelingspunt bevat dus een kenbare motivering over de wijze waarop bij de geloofwaardigheidsbeoordeling rekening is gehouden met het referentiekader. In het besluit omschrijft verweerder vervolgens opnieuw in algemene zin het referentiekader en verwijst hij naar de passages in het voornemen over de genoemde twee beoordelingspunten . Daarnaast geeft verweerder aan dat bij het aanvullend horen over [naam 1] rekening is gehouden met voornoemd onvermogen om over gevoelens te praten . Ten slotte wordt, opnieuw in algemene zin, gesteld dat voldoende onderbouwd is dat rekening is gehouden met het referentiekader. De overwegingen in het besluit betreffen dus ofwel een herhaling van het voornemen, ofwel algemene overwegingen over het referentiekader, ofwel een motivering dat bij het horen rekening is gehouden daarmee. De overwegingen van verweerder in het besluit geven dus geen kenbare motivering op welke wijze bij de geloofwaardigheidsbeoordeling rekening is gehouden met het referentiekader expliciet. Dit hoeft niet indien duidelijk is dat het referentiekader niet relevant is hierbij, maar dat is de rechtbank niet gebleken. Reeds hierom is het beroep gegrond. 11.2 Daarbij komt dat eiser nog jong is en dat verweerder geloofwaardig acht dat eiser slachtoffer is geweest van mensenhandel en bloot is gesteld aan seksueel geweld. Eiser heeft tijdens de gehoren verklaard dat hij vanwege trauma’s meerdere keren per week in behandeling is bij een GGZ-instelling in Beilen en medicatie slikt . Dit laatste wordt in ieder geval bevestigd door de verklaring van [naam 2] . Verweerder bestrijdt niet dat hij bij de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling kenbaar rekening moet houden met deze omstandigheden. Het is de rechtbank niet inzichtelijk hoe verweerder hiermee rekening heeft gehouden. Dat de gestelde trauma’s niet zijn onderbouwd met medische bewijsstukken, maakt niet dat verweerder in het geheel geen rekening met het voorgaande hoeft te houden. Eiser weet weinig te verklaren over [naam 1] 12. Verweerder werpt tegen dat eiser in eerste instantie niet de achternaam wist te vermelden van [naam 1] , en dat hij in de gehoren slechts een summiere beschrijving heeft gegeven van zijn uiterlijk en karaktereigenschappen, ondanks dat hij meerdere keren is aangemoedigd in de gehoren en ondersteuning had van zijn toenmalige gemachtigde. Verweerder stelt dat rekening is gehouden met het feit dat eiser destijds minderjarig was en niet in staat zou zijn om gevoelens onder woorden te brengen. Desondanks stelt verweerder dat meer persoonlijke en inhoudelijke verklaringen verwacht konden worden. 12.1 Zoals eiser al eerder aanvoerde, speelt in de cultuur van eiser de achternaam (van kinderen) geen rol in het maatschappelijk leven. De achternaam van [naam 1] is een kwestie van culturele context, die aan de geloofwaardigheidsbeoordeling van de homoseksuele geaardheid van eiser niet zo’n zware afbreuk kan doen. Eiser heeft verklaard dat [naam 1] slank was, roze lippen en witte ogen had. Hij was kalm, grappig, vriendelijk, deed zijn best om op te ruimen en kon goed koken. In de klas was hij de slimste. En eiser was al vanaf zijn tiende verliefd op hem. Eiser heeft beschreven dat hij jaloers was op anderen die met hem praatten en speelden, en dat hij gevoelens had voor [naam 1] . Ook blijkt uit het verslag dat eiser (glim)lacht bij de gelukkige herinneringen aan [naam 1] . Eiser beschrijft dat [naam 1] zijn kamer met eiser deelde in Uromi en (met) hem een beroep leerde. Verder is [naam 1] overleden voor de ogen van eiser tijdens hun vlucht. Het is voor de rechtbank, gelet op het referentiekader, niet inzichtelijk waarom meer details over [naam 1] kunnen worden verwacht van eiser. 12.2 Verweerder heeft in het voornemen, zoals hiervoor al overwogen is, voor dit beoordelingspunt een (kenbare) motivering opgenomen over de wijze waarop rekening is gehouden met het referentiekader. Volgens verweerder is bij verschillende gelegenheden gelegenheid geboden om te verklaren over [naam 1] als persoon. Omdat eiser naar eigen zeggen hem goed kende en 6 à 7 jaar met hem heeft samengewoond, mag van hem meer inhoudelijke en persoonlijke verklaringen worden verwacht, ook als er van wordt uitgegaan dat eiser minder goed over gevoelens kan verklaren en destijds minderjarig was, aldus verweerder. Waarom de in vorige overweging genoemde details niet voldoende zijn, rekening houdend met het referentiekader, kan de rechtbank echter niet volgen. Anders gezegd: niet duidelijk is waarom de lat zo hoog ligt. Ter zitting is gevraagd waarop is gebaseerd dat de details onvoldoende zijn, maar daar is geen afdoende antwoord op gekomen. Dat beslismedewerkers getraind zijn op dit punt, maakt dit niet anders. Dat in dit kader voor de rechtbank een enigszins terughoudende toets geldt, ook niet. Het enkele feit dat het aan verweerder is om de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verrichten en daarvoor de nodige expertise/ervaring in huis heeft, betekent immers niet dat verweerder niet hoeft te voldoen aan de plicht om een kenbare motivering te geven voor een beslissing. Eiser verklaart tegenstrijdig over hoelang zij samen hebben gewoond in Uromi 13. Verweerder werpt tegen dat eiser in het aanmeldgehoor in 2019 heeft verklaard dat hij zijn hele leven in het dorp Idumoza heeft gewoond, en dit later niet heeft gecorrigeerd. Verweerder trekt daarom de verklaring dat hij 6 à 7 jaar met [naam 1] in Uromi heeft gewoond in twijfel. 13.1 De rechtbank stelt vast dat eiser volgens het aanmeldgehoor altijd verbleef in Uromi, adres Idumoza. Tijdens een later gehoor heeft eiser verklaard op een gegeven moment te zijn vertrokken uit Idumoza naar Uromi. Dit is tegenstrijdig. Uit eisers verklaringen bij het aanmeldgehoor blijkt echter ook dat Uromi niet hetzelfde is als Idumoza, omdat volgens eiser je van Uromi naar Idumoza kunt reizen. Hierop is toen niet doorgevraagd. Nadien heeft eiser gesteld dat Idumoza deel uitmaakt van het gebied Uromi maar dat er ook een stad is die Uromi wordt genoemd. Dit kan een verklaring zijn voor voornoemde tegenstrijdigheid punt. Het aanmeldgehoor dient verder niet voor de vaststelling van de asielmotieven. Bovendien heeft eiser in alle volgende gehoren consequent verklaard dat hij 6 à 7 jaar samen met [naam 1] in Uromi heeft gewoond. Gelet hierop acht de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom verweerder zoveel waarde aan de voornoemde tegenstrijdigheid hecht. Eiser verklaart wisselend over hoelang hij afstand had genomen van [naam 1] 14. Verweerder werpt tegen dat eiser in eerste instantie heeft verklaard dat hij twee jaar afstand heeft genomen van [naam 1] nadat hij in de kerk had begrepen dat zijn gevoelens fout waren. In de correcties en aanvullingen op het aanvullend nader gehoor stelt eiser dat dit twee maanden moeten zijn geweest. 14.1 Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het advies van MediFirst dat eiser moeite heeft met tijdsbesef en -bepaling. Weliswaar ziet het advies op chronologie en terughalen en plaatsen van exacte data, maar dit kan invloed hebben op eisers verklaring over de duur van periode waarin hij afstand hield tot [naam 1] . Verder valt niet in te zien met welk belang eiser zijn verklaringen op dit punt heeft gecorrigeerd, anders dan het recht willen doen aan de juistheid van zijn relaas. Voor de rechtbank is daarom niet inzichtelijk waarom verweerder in het kader van de geloofwaardigheid van eisers geaardheid zoveel waarde hecht aan het feit dat eiser is teruggekomen op de duur van de periode waarin hij afstand nam van [naam 1] . Eiser maakt onvoldoende inzichtelijk waarom hij zichzelf na de zoen van [naam 1] ineens accepteerde 15. Verweerder werpt tegen dat eiser niet zelf inzichtelijk heeft gemaakt waarom de strijd die hij voerde met zichzelf en met God ineens was verdwenen na de zoen met [naam 1] . 15.1 De rechtbank stelt vast dat eiser consistent, in meerdere gehoren, heeft verklaard over de gebeurtenissen die hebben geleid tot het begin van de relatie met [naam 1] en de problemen die hij daarvóór zelf ervaarde uit vrees voor God en de gemeenschap. Hij beschrijft gedetailleerd zijn acceptatieproces. De rechtbank verwijst in dit kader naar het nader en aanvullend nader gehoor waarin eiser zijn worsteling toelicht en uitlegt dat de zoen een wijziging betekende voor zijn beleving van zijn geaardheid . Verweerder mocht overigens, anders dan eiser heeft gesteld, ook doorvragen over het acceptatieproces, omdat eiser dit zelf aan de orde had gesteld. Uit zijn relaas blijkt verder dat eiser na de zoen opgelucht was dat zijn gevoel werd beantwoord en dat hij zijn gevoelens niet langer in bedwang kon en hoefde houden. Daarmee was zijn acceptatieproces naar eigen zeggen beëindigd. Gelet op eisers referentiekader (13/14 jaar en in een streng christelijke omgeving) is het voor de rechtbank niet inzichtelijk waarom eiser zijn gedachte dat zijn probleem nu was opgelost spontaan verder had moeten toelichten. Hetgeen eiser op dit punt heeft verklaard lijkt juist van een authentiek verhaal te getuigen. Eiser verklaart wisselend over of zijn vader nog in leven was op het moment dat zijn moeder hem betrapte met [naam 1] 16. Verweerder werpt tegen dat het zeer opmerkelijk is dat eiser wisselend heeft verklaard of zijn vader nog in leven was ten tijde dat hij uit huis is gezet, ook wanneer rekening wordt gehouden met het medisch advies. 16.1 Uit het dossier blijkt echter dat eisers vader vrachtwagenchauffeur was en niet vaak thuis was. Verder heeft eiser verklaard eigenlijk niet te weten waaraan hij in 2010 is overleden . De rechtbank begrijpt dat het contact met zijn vader minimaal was. In elk geval speelde hij geen rol in de problemen van eiser. Dit kan daarom, naar het oordeel van de rechtbank, ook geen afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen over zijn homoseksualiteit. Verweerders motivering op dit punt is opnieuw niet voldoende. Eisers verklaringen over de hereniging met [naam 1] in Uromi overtuigen niet 17. Verweerder werpt tegen dat het een zeer groot toeval was dat eiser [naam 1] in Uromi, een grote stad, weer ontmoette. 17.1 De rechtbank stelt vast dat eiser hierover consistent heeft verklaard. Eisers kwamen verder uit hetzelfde dorp, Idumoza. Volgens eiser kwamen mensen uit Idumoza met name in het oosten van Uromi bijeen. Dit kan een verklaring bieden voor het daar allebei aanwezig zijn. Verder doet toeval zich soms voor. Niet is duidelijk waarom de eventuele toevalligheid van de hereniging afbreuk zou doen aan eisers gestelde seksualiteit. Het is onwaarschijnlijk dat eiser zo lang heeft samengewoond met [naam 1] 18. Verweerder volgt niet dat eisers familie en nabije omgeving in Uromi eisers homoseksuele geaardheid én het feit dat hij samenwoonde met de man waarmee hij eerder was betrapt, ‘negeerde’, en al die jaren geen actie tegen hen heeft ondernomen. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat het opmerkelijk is, gelet op openbare bronnen, dat eiser zijn relatie 6 à 7 jaar geheim heeft kunnen houden. 18.1 Eiser heeft aangevoerd dat hij al op jonge leeftijd door zijn familie uit huis is gezet en dat zij geen belangstelling meer voor hem hadden. Hiermee in overeenstemming is zijn verklaring dat hij eerst is gaan wonen bij een oom die geen contact had met de rest van de familie en die geen weet had van zijn problemen. Eiser en [naam 1] hielden verder, zo heeft eiser verklaard, hun relatie geheim, als ook dat het niet ongewoon is dat mannen met elkaar samenwoonden om de leefkosten te drukken. Voorts heeft eiser verklaard dat zijn vrienden hen niet veroordeelden. Verweerder is op deze verklaringen niet ingegaan. De rechtbank komen deze verklaringen niet onmogelijk voor. Van de juistheid van die verklaringen uitgaande kan worden gevolgd dat eiser gedurende meerdere jaren zijn relatie met [naam 1] geheim heeft kunnen houden. In dit kader verwijst de rechtbank naar het Algemeen Ambtsbericht over Nigeria waarin staat dat sommige LHBTI-personen hun geaardheid geheim houden uit schaamte en uit angst voor stigma. Dit alles leidt tot de conclusie dat sprake is van een motiveringsgebrek. Eiser heeft 'vergeten' te melden dat [gestelde partner] ook een relatie heeft met een vrouw en dat zij een kind hebben. Hij schetst bewust een onvolledig beeld van zijn relatie 19. Verweerder werpt tegen dat eiser, hoewel hij uitgebreid in de gelegenheid is gesteld om te verklaren over de (driehoeks)relatie met [gestelde partner] , geen openheid van zaken heeft gegeven. Daarbij betrekt verweerder dat eiser in eerste instantie zelf aangaf dat de gestelde relatie met [gestelde partner] niet goed was onderzocht. 19.1 De rechtbank merkt vooraf op dat los van de gestelde relatie met [gestelde partner] de motivering van verweerder over de geloofwaardigheid van eisers geaardheid gezien het voorgaande niet voldoet. 19.2 De rechtbank wijst verder nogmaals op het referentiekader van eiser. Hij komt uit een streng christelijke, homofobe gemeenschap en is nog steeds jong. Verder kan hij moeilijk gevoelens uiten, mede vanwege schaamte. Dit kan invloed hebben op het eventuele moeizaam verklaren over de relatie met [gestelde partner] . In de zienswijze heeft eiser verder een in dit verband plausibele verklaring gegeven voor zijn moeizame verklaren over de driehoeksverhouding, namelijk dat hij problemen heeft met de relatie met [gestelde partner] met een vrouw. [gestelde partner] propageert een open relatie maar eiser omarmt dit concept niet probleemloos. [gestelde partner] heeft verklaard dat eiser soms jaloers is en zich soms zelfs agressief gedraagt. Daarom vindt eiser het ook moeilijk om over deze relatie te verklaren. Dat neemt niet weg dat deze relatie, ondanks dat eiser is overgeplaatst van Luttelgeest naar Delfzijl, nog steeds stand houdt volgens eiser. [gestelde partner] heeft dit ter zitting bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder gelet op deze verklaring niet zo’n zwaar gewicht hangen aan het gestelde vergeten te melden van de andere relatie(s) van [gestelde partner] . Daarbij komt dat eiser het, anders dan verweerder stelt, niet vergeten is te melden. Tijdens het aanvullend nader gehoor zijn vragen gesteld over de relatie met [gestelde partner] . Op een gegeven moment heeft eiser verklaard over de driehoeksrelatie. Dat dit gebeurde dankzij het ingrijpen door eisers toenmalige gemachtigde, maakt dit niet anders. Uit het verslag maakt de rechtbank op dat de hoormedewerker het ingrijpen niet alleen heeft toegestaan maar ook nodig achtte. 19.3 Voorts betrekt de rechtbank dat er verschillende ondersteunende verklaringen zijn die bevestigen dat eiser en [gestelde partner] een relatie hebben. Gewezen wordt op de diverse verklaringen van Asylum Support waarin staat dat [naam 4] hen al jaren als stel tegenkomt bij verschillende LHBT gelegenheden. Ook wordt gewezen op de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] en de brief van [naam 4] aan het COA met het verzoek om [gestelde partner] en eiser opnieuw in hetzelfde asielzoekerscentrum op te vangen. 19.4 Tenslotte betrekt de rechtbank dat het beroep van [gestelde partner] tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag gegrond is verklaard door deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam . Daarbij is verweerder opgedragen nader onderzoek te doen naar de geloofwaardigheid van de gestelde relatie tussen [gestelde partner] en eiser, ter vaststelling van de biseksuele geaardheid van [gestelde partner] . Als eisers relatie met [gestelde partner] geloofwaardig wordt geacht, dient verweerder te motiveren waarom die relatie de homoseksuele geaardheid van eiser niet alsnog geloofwaardig maakt. De uitkomst van de besluitvorming over de asielaanvraag van [gestelde partner] is dus relevant voor de onderhavige geloofwaardigheidsbeoordeling. Het is aan verweerder om hiermee rekening te houden. De enkele stelling dat elke zaak op zich staat is in dit kader onvoldoende. Op verweerder rust immers een onderzoeksplicht. De tegenwerping dat privacyregels in de weg staan aan het betrekken van bijvoorbeeld gehoren in de ene zaak bij de andere, acht de rechtbank ook onvoldoende. Verweerder kan hiervoor, als dit nodig is, toestemming vragen aan eiser en [gestelde partner] . Conclusie en gevolgen 20. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel . Zoals overwogen (zie 19.1) voldoet de motivering van de geloofwaardigheidsbeoordeling reeds los van de gestelde relatie met [gestelde partner] niet. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat verweerder meer kenbaar gemotiveerd het referentiekader in de besluitvorming dient te betrekken en zo nodig ook nader onderzoek moet doen naar en een nadere motivering moet geven over de gestelde relatie met [gestelde partner] (zie overweging 19.2 tot en met 19.4). De rechtbank draagt aan verweerder niet op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus), aangezien het onderzoek zich mogelijk ook uitstrekt tot de procedure van [gestelde partner] . 20.1 De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor 12 weken na de dag van uploaden van deze uitspraak. 20.2 Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. De vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 14 augustus 2023; - draagt verweerder op binnen 12 weken na de dag van uploaden van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan de rechtsbijstandverlener van eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van de Dublinverordening, Verordening EU nr. 604/2013. Zaaknummer: NL19.4586. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). ECLI:NL:RBDHA:2024:1319. ECLI:NL:RVS:2024:906 en ECLI:NL:RVS:2024:1689; maar zie ook de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2023 ECLI:NL:RVS:2023:1508. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1885, onder 6.3. Zie de uitspraak van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1754. Zie de uitspraak van 24 november 2021 ECLI:NL:RVS:2021:2615 en ECLI:NL:RVS:2023:246. Bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2023:1508. Voornemen p. 9. Vergelijk ABRVS 27 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1622. Voornemen pagina 2-3. Voornemen p 3 en p 9. Voornemen, p 4. Voornemen p 5. Besluit p 3. Besluit p 4. Besluit p 9. Aanvullend gehoor p. 3. Aanmeldgehoor p. 5. Pagina 11-13 en pagina 26-27 nader gehoor; pagina 9 e.v. aanvullend nader gehoor. Pagina 5 aanvullend gehoor. Paragraaf 3.6.1. In de uitspraak van 22 december 2023, zaaknummers NL23.22283 en NL23.22285. Zoals vastgelegd in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...