ECLI:NL:RBDHA:2023:3817
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2023-03-23
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- Syrië
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
asiel, Dublin, overdrachtstermijn verstreken, opgenomen in nationale procedure, beroep ingetrokken met het gelijktijdige verzoek om veroordeling in de proceskosten, 8:75a Awb, geen sprake van tegemoetkoming, ECLI:NL:RVS:2022:658, verzoek afgewezen.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL22.17993 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, geboren op [geboortedatum] , van Syrische nationaliteit, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. H. Postma), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. B.H. Wezeman). Procesverloop Bij besluit van 9 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 25 oktober 2022 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst in afwachting van de door verweerder ter zitting geschetste situatie dat de uiterste overdrachtstermijn, die eindigt op 26 oktober 2022, zal worden verlengd indien eiser met onbekende bestemming vertrekt. Bij bericht van 27 oktober 2022 heeft verweerder medegedeeld dat het bestreden besluit vanwege het verstrijken van de uiterste overdrachtstermijn is ingetrokken en dat eiser is opgenomen in de nationale asielprocedure. Ook heeft verweerder toegelicht waarom geen reden wordt gezien om over te gaan tot een proceskostenvergoeding. Op 27 oktober 2022 heeft eisers gemachtigde onderhavige beroep ingetrokken met het gelijktijdige verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Partijen hebben toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder het houden van een nadere zitting. De rechtbank heeft vervolgens op 10 maart 2023 het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat een bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb. 2. Verweerder heeft het bestreden besluit ingetrokken, maar ziet echter geen aanleiding om over te gaan tot vergoeding van de proceskosten. Hiervoor acht verweerder van belang dat enkel is overgegaan tot opname in de nationale procedure vanwege de overschrijding van de uiterste overdrachtstermijn. Van een onjuist genomen besluit is geen sprake, aldus verweerder. 3. Namens eiser is het volgende aangevoerd. Het bestreden besluit is alsnog ingetrokken, omdat eiser niet meer kan worden overgedragen aan Italië, hetgeen geheel is te wijten aan het (niet) handelen van verweerder. Verweerder heeft na ommekomst van de reactietermijn voor Italië op 25 april 2022 nog tot 9 september 2022, derhalve bijna vijf maanden, gewacht met het nemen van een overdrachtsbesluit. Onbedoeld is verweerder hiermee alsnog tegemoet gekomen aan het verzoek van eiser om zijn asielaanvraag inhoudelijk te behandelen. Daarom dient verweerder de proceskosten dan ook te vergoeden. 4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb alleen sprake is als het bestuursorgaan zijn standpunt zodanig heeft herzien dat daarmee eigenlijk wordt erkend dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was. Volgens de Afdeling is bij intrekking van een besluit vanwege nieuwe feiten en omstandigheden of vanwege nadien verkregen informatie geen sprake van tegemoetkomen. 5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet is tegemoetgekomen zoals bedoeld in artikel 8:75a van de Awb, nu verweerder de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in behandeling heeft genomen omdat, op grond van artikel 29, tweede lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening), de overdracht niet binnen de gestelde termijn kon plaatsvinden en de overdrachtstermijn verstreken was. Dat is een veranderde omstandigheid die zich ten tijde van het bestreden besluit niet voordeed en het gevolg is van louter tijdsverloop. De rechtbank verwijst daartoe naar de uitspraken van de Afdeling van 8 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1084), van 27 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:182) en van 3 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:658). De rechtbank ziet in hetgeen namens eiser is aangevoerd geen aanleiding voor een ander oordeel. 6. Gelet op het voorgaande wordt het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten afgewezen. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...