ECLI:NL:RBDHA:2023:21157
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2023-11-08
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
MK. Intrekking asielvergunning. Gevaar voor de openbare orde. Artikel 8 EVRM. Actueel reëel risico op ernstige schade. TKB, onthouden vertrektermijn en IRV 10 jaar. De rechtbank oordeelt dat artikel 8 van het EVRM zich niet verzet tegen intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft terecht geen (beschermenswaardig) gezinsleven aangenomen tussen eiser enerzijds en zijn moeder, vader en/of zus anderzijds. Eiser heeft wel in Nederland privéleven opgebouwd. De inmenging in eisers recht op eerbiediging van zijn privéleven is gerechtvaardigd. Anders dan eiser stelt is er geen ruimte om bij de vraag of inmenging is gerechtvaardigd de veiligheidssituatie in de DRC te betrekken. Andere omstandigheden waarmee eiser zich bij terugkeer geconfronteerd zal zien, zoals het ontbreken van een vangnet of sociaal netwerk, kunnen wel een rol spelen bij die vraag. De belangenafweging die verweerder in dit kader heeft gemaakt kan de rechtbank volgen. Het ontbreken van een netwerk is door verweerder onderkend en betrokken in zijn belangenafweging. Anders dan eiser stelt ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dan verweerder aan dit aspect onvoldoende gewicht heeft toegekend. Verder heeft verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser als kindsoldaat zou zijn ingelijfd. Ook is niet aannemelijk geworden dat eiser bij terugkeer naar de DRC een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft in dat kader aan eiser een vestigingsalternatief in Kinshasa kunnen tegenwerpen. De verwijzing ter zitting door eiser naar het rapport van de UNHCR acht de rechtbank in strijd met de goede procesorde. Daarom laat zij dit rapport buiten beschouwing. Omdat de rechtbank aan eiser een procedureregel tegenwerpt is de rechtbank nagegaan of er zich omstandigheden voordoen als bedoeld in het arrest Bahaddar. Daarvan is geen sprake. Er bestaat daarom geen aanleiding om de goede procesorde niet aan eiser tegen te werpen. Omdat er geen sprake is van strijd met artikel 8 van het EVRM heeft verweerder verder kunnen weigeren om ambtshalve aan eiser een reguliere vergunning te verstrekken. Ook tegen het uitvaardigen van een TKB zonder vertrektermijn en het opleggen van een inreisverbod voor de duur van 10 jaar verzet artikel 8 van het EVRM zich niet. Verder heeft verweerder in zijn besluitvorming genoegzaam gemotiveerd waarom eiser nog steeds een actueel gevaar voor de openbare orde vormt en dat sprake is van een voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Ook gelet daarop mocht verweerder aan eiser een vertrektermijn onthouden en aan hem een inreisverbod voor de duur van 10 jaar opleggen. Gesteld noch gebleken is dat er omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder de duur van het inreisverbod had moeten bekorten. Het beroep is ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL23.3638 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] 1998 en van Congolese nationaliteit, eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E. Sweerts). Procesverloop Bij besluit van 19 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 9 juli 2016 ingetrokken op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarnaast is besloten dat aan eiser niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier wordt verleend op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder is bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten en is tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op 12 juli 2023 een verweerschrift uitgebracht. De rechtbank heeft het beroep op 20 juli 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Voorgeschiedenis 1. Verweerder heeft eiser bij besluit van 4 maart 2014 ambtshalve een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Eiser heeft deze verblijfsvergunning gekregen als minderjarig kind van [naam] , geboren op [geboortedatum] 1972 en van Congolese nationaliteit, aan wie een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd werd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. De verblijfsvergunning van eiser was geldig van 5 december 2013 tot 5 december 2018. Bij besluit van 20 maart 2019 is deze verblijfsvergunning verlengd tot 5 december 2023. Voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning De intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd 2. Verweerder heeft eiser op 13 april 2021 er schriftelijk van in kennis gesteld voornemens te zijn om de verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 9 juli 2016 in te trekken op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Volgens verweerder vormt eiser een gevaar voor de openbare orde. Uit het uittreksel van de Justitiële Documentatiedienst (uittreksel JD) van 29 maart 2021 blijkt volgens verweerder dat eiser voor een zeer groot aantal misdrijven bij onherroepelijk rechterlijk vonnis of arrest is veroordeeld tot onvoorwaardelijke straffen. 3. Uit het uittreksel JD blijkt verder dat het laatst gepleegde delict waarvoor eiser onherroepelijk is veroordeeld, is gepleegd op 19 mei 2020. Volgens verweerder volgt daaruit dat conform artikel II van het Besluit van 26 maart 2012 (Stb. 2012, 158) de glijdende schaal zoals luidend met ingang van 1 juli 2012 moet worden toegepast bij de beoordeling of het verblijfsrecht kan worden beëindigd. Deze zogenaamde glijdende schaal is uitgewerkt in artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). 4. Verweerder acht de volgende onherroepelijke veroordelingen relevant voor de toepassing van de glijdende schaal: “- De veroordeling tot 20 uren taakstraf subsidiair 10 dagen hechtenis door de politierechter in de rechtbank Den Haag op 10 maart 2017; ter zake artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet (opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod), gepleegd op 9 juli 2016 en ter zake artikel 266, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) juncto artikel 267 aanhef/sub twee Sr (geweld tegen beroepsbeoefenaars), gepleegd op 9 juli 2016. - De veroordeling tot 18 dagen gevangenisstraf door de politierechter in de rechtbank Den Haag op 8 februari 2021; ter zake artikel 416, eerste lid aanhef en onder a Sr (opzetheling/straatroof), gepleegd op 19 mei 2020.”. 5. Naar de mening van verweerder overschrijdt eiser hiermee de norm van de glijdende schaal. Nu eiser is veroordeeld voor misdrijven met een strafbedreiging van meer dan zes jaar, is artikel 3.86, derde lid, van het Vb 2000 van toepassing. Het rechtmatig verblijf van eiser is op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000 ingegaan op 5 december 2013. Op 19 juli 2016 had eiser een verblijfsduur van minder dan drie jaren. Het ten uitvoer gelegde gedeelte van de straffen moet in dat geval ten minste gelijk zijn aan 1 (één) dag. Verweerder concludeert dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde nu hij blijkens het uittreksel JD op 10 maart 2017 is veroordeeld tot 10 dagen vervangende hechtenis. 6. Bij de beoordeling of de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken, heeft verweerder daarnaast rekening gehouden met het bepaalde in artikel 3.86, leden twaalf en zeventien, van het Vb 2000. Artikel 3.86, twaalfde lid, van het Vb 2000 verplicht in geval de verblijfsvergunning is verleend onder een beperking verband houdende met verblijf als familie- of gezinslid, terdege rekening te houden met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de vreemdeling, alsmede het bestaan van familiebanden of culturele of sociale banden met het land van herkomst. Voorts is in artikel 3.86, zeventiende lid, van het Vb 2000 bepaald dat de aanvraag niet wordt afgewezen (tevens dat de verblijfsvergunning niet wordt ingetrokken), indien uitzetting van de vreemdeling in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM. 7. In dat verband acht verweerder van belang dat eiser ambtshalve in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel. Eiser heeft deze vergunning gekregen als minderjarig kind van [naam] , geboren op [geboortedatum] 1972 en van Congolese nationaliteit, aan wie een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd werd verleend. Verder wordt in aanmerking genomen dat eiser destijds samen met zijn vader en oudere zus Nederland is ingereisd. Aan de vader van eiser is ambtshalve een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, tweede lid, onder a, van de Vw 2000, met ingang van 5 december 2013, geldig tot 5 december 2016, verlengd tot 5 december 2023. Aan de zus van eiser is ambtshalve een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, tweede lid, onder b, van de Vw 2000, met ingang van 5 december 2013, geldig tot 5 december 2016, verlengd tot 5 december 2023. 8. Verweerder neemt aan dat er niet langer gezinsleven bestaat tussen eiser en zijn moeder, de oorspronkelijke verblijfgever, vader en zus. Verweerder neemt familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aan tussen meerderjarigen als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (more than emotional ties). Verweerder neemt familie- en gezinsleven aan tussen ouders en hun minderjarige kinderen, zonder dat sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, uitsluitend als het meerderjarig kind jongvolwassen is, met de ouder(s) in gezinsverband samenleeft, niet in zijn eigen onderhoud voorziet, en geen zelfstandig gezin heeft gevormd. 9. Bij jongvolwassenen wordt uitgegaan van meerderjarige kinderen in de leeftijd van 18 tot ongeveer 25 jaar. Hoe ouder het kind is, hoe eerder kan worden aangenomen dat de meerderjarige in staat is om op eigen benen te staan. Eiser is op [geboortedatum] 2021 23 jaar oud geworden en kan als jongvolwassene worden aangemerkt. Niet is gebleken dat hij een eigen gezin heeft gevormd. Gebleken is dat hij een uitkering krijgt. Eiser heeft tot 18 juli 2019 op hetzelfde adres als zijn ouders gewoond en ingeschreven gestaan. Nu eiser sinds 18 juli 2019 niet meer bij zijn ouders woont, is geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen hem en zijn ouders. Derhalve wordt geen familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiser en zijn moeder aangenomen. 10. Met betrekking tot het bestaan van familiebanden of culturele banden met het land van herkomst, acht verweerder het volgende van belang. Eiser is op 24 februari 2014 op zestienjarige leeftijd op een machtiging tot voorlopige verblijf (mvv) naar Nederland gekomen. Sinds 5 december 2013 heeft hij rechtmatig verblijf in Nederland, zijnde de datum waarop hem de mvv is verleend. Eiser is geboren in de Democratische Republiek Congo (DRC) en bezit de Congolese nationaliteit. Verder is uit het interdepartementale dossier van eiser gebleken dat hij na het vertrek van zijn moeder in 2004 samen met zijn zus bij pastoor [naam] en zijn vrouw in Uvira in de DRC heeft gewoond. Eiser is in 2012 samen met zijn zus door zijn vader opgehaald in Uvira en meegenomen naar Burundi. Op 24 februari 2014 zijn zij samen vanuit Burundi naar Nederland gereisd. 11. Bij verweerder is niet bekend of eiser nog familieleden in de DRC heeft wonen. Nu eiser het overgrote deel van zijn leven in de DRC heeft gewoond, hij de nationaliteit van dit land bezit en pas relatief kort in Nederland verblijft, wordt aangenomen dat hij nog steeds culturele en sociale banden heeft met dit land. Verweerder neemt tevens aan dat eiser nog steeds de taal spreekt die in de DRC wordt gesproken. 12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde en dat het belang van de bescherming van de openbare orde prevaleert boven de belangen van eiser om in Nederland te kunnen verblijven. Artikel 3.86, twaalfde lid, van het Vb 2000 geeft dan ook geen aanleiding om de intrekking van de verblijfsvergunning achterwege te laten. 13. Ook artikel 3.86, zeventiende lid, van het Vb 2000 staat niet aan intrekking in de weg. Het is niet bekend of eiser een relatie heeft en/of kinderen. Verder is er geen sprake meer van familie- en/of gezinsleven tussen eiser en zijn ouders en zijn zus. Daarom is er geen sprake van schending van het recht op bescherming van het familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. In het kader van privéleven weegt verweerder mee dat eiser op 24 februari 2014 op zestienjarige leeftijd naar Nederland is gekomen en sinds 5 december 2013 rechtmatig verblijf heeft. Eiser verblijft, gerekend tot de datum van het voornemen, ruim zeven jaar in Nederland. Volgens verweerder is dit een relatief korte periode. Eiser heeft kort na aankomst in Nederland, te weten op 14 augustus 2014, zijn eerste misdrijf gepleegd. Sindsdien is hij doorgegaan met het plegen van misdrijven. Niet bekend is of hij in Nederland een opleiding heeft gevolgd. Uit het overzicht van Suwinet van 26 maart 2021 blijkt dat eiser nooit heeft gewerkt. Hij ontvangt sinds 14 maart 2016 een uitkering. Hij staat sinds 7 mei 2020 ingeschreven bij het Daklozenloket Den Haag. Verder is niet bekend of eiser de Nederlandse taal machtig is. 14. Verweerder vindt dat de (criminele) gedragingen van eiser en diens verblijf in detentie de duur van zijn rechtmatig verblijf in Nederland hebben overschaduwd, in die zin dat afbreuk is gedaan aan zijn integratie en aan de waarde die aan het relatief korte verblijf van eiser in Nederland kan worden gehecht. Daarnaast weegt verweerder in het nadeel van eiser mee dat niet is gebleken dat hij in Nederland betaald werk heeft verricht, dakloos is, onderwijs heeft gevolgd of aangesloten is bij een vereniging of organisatie. Voor zover verweerder bekend is, is eiser geen langdurige of vaste relaties aangegaan met personen die in Nederland verblijven. Geconcludeerd wordt dat de participatie en integratie van eiser in de Nederlandse samenleving gering is en dat slechts sprake is van een beperkte inbreuk op zijn privéleven. 15. Verweerder ziet aanleiding om het belang van de Nederlandse staat zwaarder te laten wegen dan dat van eiser. Eiser heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan het plegen van drugsmisdrijven. Naast het eerdergenoemde drugsmisdrijf, is eiser op 4 februari 2021 door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf waarvan 5 maanden voorwaardelijk onder meer vanwege cocaïnehandel / smokkel, gepleegd in de periode van 1 mei 2017 tot 13 augustus 2018. In de optiek van verweerder heeft eiser met het begaan van de misdrijven op geen enkele wijze rekening gehouden met de waarden en normen van de samenleving. Dit gebrek aan respect voor de samenleving doet afbreuk aan de hechtheid van de sociale en culturele banden met Nederland. De actuele schending van het Vluchtelingenverdrag / het actuele reële risico op ernstige schade 16. Vervolgens heeft verweerder de huidige situatie beoordeeld. Eiser is geboren in de DRC en bezit de Congolese nationaliteit. De bij verweerder bekende feiten, afgezet tegen het asielbeleid ten aanzien van de DRC en het algemeen ambtsbericht inzake de DRC van 17 december 2019, vormen voor verweerder geen aanleiding om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar de DRC voor een actuele schending van het Vluchtelingenverdrag heeft te duchten dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat eiser niet vanwege persoonlijke problemen in het bezit is gesteld van een asielvergunning. Eiser is ambtshalve in het bezit van een afgeleide vergunning van zijn moeder. Verder blijkt uit het asielbeleid ten aanzien van de DRC, neergelegd in paragraaf C7/10.4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), dat in de DRC uitsluitend in de provincies Noord- en Zuid-Kivu sprake is van een uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw 2000. Uit het interdepartementale dossier blijkt dat eiser behoort tot de bevolkingsgroep van de Banyamulenge en afkomstig is uit Uvira, Zuid-Kivu. In het geval van eiser wordt geconstateerd dat zijn laatste woon- en verblijfplaats in het land van herkomst is gelegen in Zuid-Kivu en hij aldus afkomstig is uit een gebied waar sprake is van een uitzonderlijke situatie. Eiser heeft echter een vestigingsalternatief in de DRC. Hij kan zich in beginsel aan de dreiging onttrekken door zich te vestigen in Kinshasa. Verder is de DRC niet aangemerkt als een land waarin sprake is van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Met betrekking tot de DRC zijn ook geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen. De reguliere verblijfsvergunning 17. Verweerder ziet evenmin aanleiding om eiser ingevolge artikel 3.6a, eerste lid, aanhef en onder a en vijfde lid, van het Vb 2000 ambtshalve in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het EVRM. Hierbij wordt verwezen naar hetgeen is overwogen ten aanzien van artikel 3.86, twaalfde en zeventiende lid, van het Vb 2000. Het onthouden van een vertrektermijn en het inreisverbod 18. Wel wordt aanleiding gezien om eiser een vertrektermijn te onthouden en aan hem een inreisverbod op te leggen voor de duur van tien jaar. Daarbij wijst verweerder met name op het feit dat eiser op 4 februari 2021 door het Gerechtshof Den Haag is veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf waarvan 5 maanden voorwaardelijk voor handel in drugs (cocaïne), bedreiging met zware mishandeling en schuldheling. 19. Verweerder wijst op het arrest van 4 februari 2021 waaruit het volgende blijkt: “ De verdachte heeft zich gedurende ruim een jaar schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne. Daarnaast heeft hij cocaïne aanwezig gehad en heeft hij voorwerpen voorhanden gehad ter voorbereiding van de handel in drugs. Harddrugs, zoals cocaïne, kunnen ernstige schade toebrengen aan de volksgezondheid. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden aan harddrugs vaak vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien. Deze met de handel in drugs gepaard gaande criminaliteit wordt door de gedragingen van verdachte in stand gehouden . Voorts heeft de verdachte een verbalisant bedreigd. Door zich aldus uit te laten heeft hij gevoelens van angst bij haar veroorzaakt. Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan heling van een fiets. Hiermee heeft hij bijgedragen aan het in standhouden van een afzetmarkt voor gestolen voorwerpen. Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 januari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Het hof heeft tevens acht geslagen op het voortgangsbericht van de Reclassering Nederland van 18 januari 2021.” . Verweerder verwijst eveneens naar het vonnis van de rechtbank Den Haag van 29 november 2018 waarin over de persoon van de verdachte het volgende staat vermeld: “(…) Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden opnieuw soortgelijke strafbare feiten te begaan. Ondanks het feit dat de verdachte slechts vier jaren in Nederland woonachtig is, heeft hij een aanzienlijk strafblad opgebouwd. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting. De rechtbank heeft ook acht geslagen op een door de reclassering opgesteld advies, d.d. 16 augustus 2018. De verdachte wordt beschreven als een kwetsbare jongeman met een lichte verstandelijke beperking die veelvuldig met politie en justitie in aanraking is geweest. Hij heeft geen zinvolle dagbesteding en gaat niet naar de inburgeringslessen. Desondanks komt hij zijn afspraken met de hulpverlening redelijk goed na. Ondanks dat er beperkte resultaten worden geboekt vindt de reclassering het van belang dat verdachte onder toezicht blijft van de reclassering en mee blijft werken aan het begeleidingstraject van de Kesslerstichting om zijn schulden onder controle te krijgen. Daarnaast is van belang om de verdachte te motiveren om begeleid te gaan wonen, zodat er meer zicht komt op zijn handel en wandel.”. 20. Verweerder constateert verder dat in het arrest van 4 februari 2021 aan eiser bijzondere voorwaarden zijn opgelegd. Zo dient hij zich gedurende de proeftijd te melden bij Reclassering Nederland, gedurende zijn proeftijd mee te werken aan het verkrijgen van een stabiele woonsituatie en medewerking te verlenen aan begeleiding door de Kesslerstichting of een soortgelijke instantie, zolang de reclassering dit nodig acht. Uit de BRP blijkt verder dat eiser sinds 17 mei 2020 ingeschreven staat bij het Daklozenloket Den Haag. Kennelijk is het eiser niet gelukt om een stabiele woonsituatie te verkrijgen. Verweerder neemt aan dat het gevaar nog actueel is, omdat het arrest en de in het arrest genoemde stukken van deskundigen van zeer kort geleden zijn. Verweerder acht hierbij nog van belang dat is gebleken dat eiser vanaf 13 augustus 2018 is doorgegaan met het plegen van misdrijven. Zo is hij op 8 februari 2021 door de politierechter in de rechtbank Den Haag veroordeeld tot 18 dagen gevangenisstraf ter zake artikel 416, eerste lid, aanhef en onder a, Sr (opzetheling maatschappelijke kwalificatie straatroof), gepleegd op 19 mei 2020. 21. Daarnaast is verweerder voornemens om eiser een inreisverbod op te leggen voor de duur van tien jaar omdat hij dient te worden beschouwd als een ernstige bedreiging voor de openbare orde als bedoeld in artikel 66a, vierde lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 6,5a, vijfde lid, onder a en b, van het Vb 2000. Uit het arrest van 4 februari 2021 en het uittreksel JD blijkt dat eiser meerdere keren is veroordeeld voor het plegen van opiumdelicten. Ook is gebleken dat hij meerdere keren is veroordeeld vanwege het plegen van misdrijven waarvoor een maximale gevangenisstraf van meer dan zes jaren kan worden opgelegd en is hij voor deze misdrijven bestraft met een vrijheidsstraf. Daarmee wordt voldaan aan artikel 6.5a, vijfde lid, onder a en b, van het Vb 2000, aldus verweerder. 22. Volgens verweerder is niet gebleken van humanitaire of andere redenen om af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod of het inreisverbod voor een korte duur dan tien jaar op te leggen. Ten aanzien van artikel 8 van het EVRM wordt verwezen naar hetgeen is overwogen in het kader van artikel 3.86, twaalfde en zeventiende lid, van het Vb 2000. Het inreisverbod brengt met zich mee dat eiser ook niet in staat zal zijn om Nederland in te reizen voor een kort bezoek aan bijvoorbeeld zijn familieleden of vrienden. Verweerder meent echter dat het belang van de bescherming van de openbare orde zwaarder weegt dan het belang van eiser om hen in Nederland te kunnen bezoeken. De inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de Awb 23. Ten slotte ziet verweerder geen aanleiding om ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in afwijking van de beleidsregels het intrekken van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd achterwege te laten, een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM te verlenen, geen terugkeerbesluit op te leggen, de vertrektermijn niet te onthouden en/of geen inreisverbod op te leggen. Zienswijze van 10 juli 2021 24. Eiser verzoekt gehoord te worden indien verweerder het voornemen handhaaft. Hij verzoekt verweerder tevens om het asieldossier van zijn moeder bij de besluitvorming te betrekken. 25. Verder acht eiser de intrekking van zijn verblijfsvergunning in strijd met artikelen 3 en 8 van het EVRM. Volgens eiser volgt uit diverse uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), dat het niet zo is dat openbare orde aspecten / criminele antecedenten onder alle omstandigheden in de weg staan aan de bescherming van het privéleven en familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. 26. Het EHRM heeft in de zaken Boultif (nummer 54273/00) en Üner (nummer 46410/99) een maatstaf aangelegd om te toetsen of sprake is van een schending van artikel 8 van het EVRM. Deze ‘guiding principles’ heeft het EHRM herhaald in het arrest Khan tegen Duitsland (nummer 38030/12). Het EHRM stelt in het arrest Jakupovic tegen Oostenrijk van 6 februari 2003 (nummer 36757/97) nog eens de norm: “ 25. It is for the Contracting States to maintain public order, in particular by exercising their right, as a matter of well-established international law and subject to their treaty obligations, to control the entry and residence of aliens. To that end they have the power to deport aliens convicted of criminal offences. However, their decision in this field must, in so far as they may interfere with a right protected under paragraph 1 of Article 8, be necessary in a democratic society, that is to say justified by a pressing social need and, in particular, proportionate to the legitimate aim pursued (…). ”. Uit die normstelling volgt al dat niet elke strafbaar feit onder alle omstandigheden in de weg staat aan de bescherming van het privéleven. Dat is alleen het geval indien het noodzakelijk is in een democratische samenleving. Uit het arrest Jakupovic volgt dat er sprake moet zijn van zeer zwaarwegende belangen aan de zijde van de Staat om geen schending van artikel 8 van het EVRM aan te nemen. Daarvoor dient gekeken te worden naar de ernst van de gepleegde strafbare feiten. Ook in het arrest Khan was de ernst van het strafbare feite van groot belang, maar ook het feit dat moest worden gevreesd voor herhaling. Verder dient ook de (minderjarige) leeftijd waarop het strafbare feit of de strafbare feiten werden gepleegd worden betrokken in de belangenafweging. Dit volgt uit de uitspraak van het EHRM in de zaak Maslov tegen Oostenrijk van 23 juni 2008 (nummer 1638/03). Het EHRM herhaalt in dit arrest dat het om zeer ernstige strafbare feiten moet gaan en legt tevens uit waarom jeugdigen die strafbare feiten hebben gepleegd niet gelijkgeschakeld kunnen worden met meerderjarigen de strafbare feiten hebben gepleegd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 28 november 2014 overwogen dat de staatssecretaris ook in het geval een meerderjarige een strafbaar feit heeft gepleegd, in de belangenafweging gewicht moet toekennen aan de omstandigheid dat de leeftijd van de desbetreffende vreemdeling nog als jeugdig kan worden gekwalificeerd. De Afdeling oordeelt in die zaak, dat de rechtbank terecht in aanmerking heeft genomen dat de vreemdeling het door hem gepleegde misdrijf, diefstal met geweld en bedreiging waarvoor hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, op achttienjarige, en dus op jongvolwassen leeftijd heeft gepleegd. 27. Eiser voert verder aan dat integratie in Nederland en ontworteling in eigen land doordat er geen banden meer zijn met het land van herkomst, aspecten zijn die maken dat er een beschermenswaardig privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM ontstaat. In werkinstructie 2015/4 worden deze aspecten ook genoemd. De duur van het verblijf in Nederland en de tijd die is verstreken sinds het misdrijf is gepleegd, alsmede de houding van de vreemdeling gedurende die periode, dient te worden meegenomen in de belangenafweging. Eiser verwijst niet alleen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 13 augustus 2014 en eerder genoemde arresten in de zaken Khan en Maslov, maar eveneens naar het arrest van het EHRM in de zaak Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012 (nummer 47017/9) en het arrest in de zaak Jeunesse tegen Nederland van 3 oktober 2014 (nummer 12738/10). 28. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat er familie- en/of gezinsleven bestaat tussen hem en de overige gezinsleden. Uit onder meer de uitspraak van het EHRM van 6 juli 2004 in de zaak Andrade blijkt dat er een ‘fair balance’ moet zijn tussen de belangen van de Staat en die van hem en de overige gezinsleden. Daarnaast wijst hij erop dat van belang is welke band de in Nederland woonachtige hoofdpersoon heeft met het land van herkomst en of er familie is in het land van herkomst en dat niet in de laatste plaats een rol speelt of er objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. In het geheel wijst hij nog op de kern van de positieve verplichting die op Staten rust om maatregelen te nemen die nodig zijn om het recht op bescherming van gezinsleven mogelijk te maken. Eiser verwijst in dit verband ook naar de paragrafen 182, 184 en 185 van het UNHCR Handboek. 29. Voor wat betreft zijn achtergrond heeft eiser een verslag van de reclassering overgelegd. Volgens eiser biedt dit meer inzicht in zijn persoon. Daarin staat onder meer het volgende vermeld: “ Achtergrond/problematiek [eiser] is een 20-jarige jongeman met een lichte verstandelijke beperking, afkomstig uit Congo en sinds 2014 woonachtig in Nederland. In Congo woedde er een burgeroorlog en de ouders van [naam] moesten vluchten voor het oorlogsgeweld. [naam] en zijn zusje werden, als jonge kinderen nog, door hun vader bij een pastoor ondergebracht omdat zowel vader als moeder op de vlucht moesten. De pastoor had de zorg voor een grote groep kinderen en was niet in staat om hen de nodige zorg en aandacht te geven. [naam] en zijn zus hebben waarschijnlijk langdurig op straat geleefd, er was sprake van zowel fysieke (gebrek aan voedsel) als geestelijke verwaarlozing (gebrek aan opvoeding en verzorging). In die periode is [naam] ook kindsoldaat geweest. In de tijd dat [naam] bij de pastoor verbleef waren ze in de veronderstelling dat vader dood was, hij kwam echter op en goede dag onverwacht opdagen om de kinderen op te halen en samen het land te ontvluchten. Hun moeder is als eerste naar Nederland gevlucht. In 2014 is [naam] samen met zijn vader en zus eveneens naar Nederland gevlucht. Na een periode in het AZC te zijn verbleven, is het gezin uiteindelijk herenigd met moeder die al eerder een eigen woonruimte had gekregen. Sinds de tijd woont het gezin samen in Den Haag. [naam] is tijdens zijn verblijf in het AZC in 2014 op 16-jarige leeftijd, onder invloed van andere jongens, voor het eerst met justitie in aanraking gekomen. Uit onderzoek kwam naar voren dat [naam] een licht verstandelijke beperking heeft. Hij is de Nederlandse taal beperkt machtig en kan niet (goed) lezen en schrijven (analfabeet) omdat hij nauwelijks onderwijs heeft genoten en beperkte cognitieve vermogens heeft. [naam] heeft in zijn jeugd geen structuur gekend en heeft wellicht daardoor veel moeite om in het systeem te functioneren. Betrokkene heeft een zeer belast verleden en is ernstig getraumatiseerd. We proberen hem te motiveren voor traumabehandeling maar realiseren ons dat dit tijd nodig heeft. ”. 30. Gemachtigde van eiser geeft toe dat eiser strafbare feiten heeft gepleegd en dat dit niet goed valt te praten, maar wijst erop dat eiser een zeer belast verleden heeft en ernstig is getraumatiseerd. De reclassering ziet voldoende grond om recidive in de toekomst te voorkomen door eiser bij te staan. Eiser verwijst naar het verslag van de reclassering waarin is aangegeven dat eiser vanaf 24 januari 2020 bij Perspectief woont en op financieel gebied wordt begeleid door Fivoor. Verder is aangegeven dat voor het betalen van schulden (CJIB boetes) een regeling is getroffen. De reclassering ziet dat er sprake is van inzicht en gedragsverandering, een intentie om geen delicten meer te plegen en een positief leven op te bouwen. De reclassering constateert dat eiser voornamelijk op straat rondhangt met veelal kansloze jongeren waardoor er nog wel af en toe sprake is van politiecontacten (openbare dronkenschap, overtreding coronamaatregelen e.d.). De reclassering wil inzetten op het verkrijgen van woonruimte zodat er stabiliteit ontstaat en eiser zich kan gaan richten op scholing en arbeid. 31. Daarnaast is eiser van mening dat uitzetting naar de DRC strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Bij verweerder is geen informatie beschikbaar over de situatie waarin hij verkeerde in de DRC. Eiser behoort tot de Banyamulenge. In de WBV wordt vermeld: “ Tot de bevolkingsgroep van de Tutsi (waaronder begrepen de Banyamulenge en Banyarwanda die Tutsi zijn) worden ook asielzoekers van gemengde afkomst aangemerkt. De Tutsi’s uit Congo DRC blijven aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep (…) ”. 32. Hoewel verweerder de stukken uit de asielprocedure van eisers moeder niet heeft toegevoegd aan het dossier, is er wel in de mvv-procedure een brief die VluchtelingenWerk op 26 november 2013 heeft verzonden. In die brief staat onder meer het volgende vermeld: “ Zij was erg ontdaan en vertelde me door haar tranen heen dat zij meerdere malen verkracht is bij het halen van water bij een bron in het bos, door verschillende mannen van een Congolese stam. Er bestaat veel haat bij verschillende Congolese stammen richting haar stam die bestaat uit afstammelingen van Rwandese vluchtelingen en zij denkt dat dit voor hen de aanleiding was. ” Omdat de moeder van eiser asiel heeft gekregen, is eiser van mening dat ook ten aanzien van hem en zijn etnische afkomst een schending van artikel 3 van het EVRM kan worden aangenomen als hij zou moeten terugkeren naar de DRC. Intrekkingsgehoor van 21 februari 2022 33. In het intrekkingsgehoor heeft eiser, samengevat weergegeven, het volgende naar voren gebracht. 34. Eiser woonde sinds 24 januari 2020 onder begeleiding bij Perspectief, maar hij werd daar na korte tijd weggestuurd. Het was een plek met een streng regime die afgelegen in de bossen ligt. Omdat het in het bos was deed het hem denken aan zijn tijd in de DRC. Eiser is dakloos en staat op de wachtlijst voor begeleid wonen. Hij denkt dat het deze keer bij Housing First wel gaat lukken omdat hij nu een jaar verder is zonder iets crimineels te hebben gedaan. Eiser wil graag terug naar school en wil later brommermonteur worden. Hij kan zich (redelijk) goed verstaanbaar maken in het Nederlands, maar lezen en schrijven is moeilijk. Verder heeft eiser verklaard dat hij in Nederland een jaar naar school is geweest en toen kwam hij vast te zitten en is het gestopt. In de DRC is hij nooit naar school geweest. 35. Eiser heeft er spijt van dat hij stafbare feiten heeft gepleegd. Het komt door zijn verleden. Hij heeft in de DCR zwaar geleden. Hij was een straatkind en kindsoldaat, en heeft in de bossen geleefd als een bandiet. Zijn moeder heeft hem verlaten toen hij vijf jaar oud was. Pas acht jaar later werd hij met haar herenigd. Eiser is het daarom niet gewend om met mensen samen te leven. Over het vonnis van 4 februari 2021 wil eiser kwijt dat hij ongeveer een jaar heeft gehandeld in drugs. Hij werd door slechte vrienden gebruikt om dat te doen en was toen nog jong. Inmiddels heeft hij een straf van anderhalf jaar uitgezeten en heeft hij de tijd gehad om erover na te denken. Hij verhandelt helemaal niets meer. Van zijn slechte vrienden heeft hij afscheid genomen en sinds een aantal maanden gaat hij naar de kerk om te bidden. Hij heeft nu goede vrienden in de kerk en is een ander mens. Het lukt hem nu om niet snel ruzie te maken met anderen, afspraken na te komen, post door te nemen en bankzaken te regelen. Na zijn vrijlating heeft hij zich aan de bijzondere voorwaarden gehouden, behalve dan voor wat betreft zijn woonsituatie. Verder heeft eiser naast de reclassering en met mensen uit de kerk contact met een psychiater en een contactpersoon. Blowen doet hij nog wel elke dag. Hij heeft nog een trauma en dit geeft hem rust. 36. Eiser vreest dat hij dood gaat als hij moet terugkeren naar de DRC. Hij kent het land niet en heeft daar ook geen familie meer wonen. De familie van vaders- en moederzijde zijn allemaal om het leven gebracht. Hij moest in het leger gaan vechten als kindsoldaat omdat hij tot de Banyamulenge behoort. De Banyamulenge zijn Tutsi en worden niet beschouwd als Congolezen. Ze hebben geen eigen land. Tijdens de oorlog is hij gedwongen meegenomen waarbij hij werd geblinddoekt. Ze hebben zijn onderbeen verbrand. Hij werd gemerkt als teken dat hij bij hen hoorde en niet meer weg kon. Daarnaast kreeg hij sneetjes met traditionele medicijnen op zijn arm en heeft hij als kindsoldaat mensen moeten doden. Ze waren als rebellen bezig om mensen te doden en af te slachten. Als hij daar was gebleven was hij misschien wel een vooraanstaande rebel geworden. Eiser weet niet meer hoeveel mensen hij heeft doodgemaakt destijds. Hij heeft vijf jaar bij het rebellenleger gezeten. Toen wist hij samen met drie anderen te ontsnappen. Ze leefden eerst op straat en daarna kwamen ze in contact met de dominee die hen eten aanbood. Door de dominee kwam eiser erachter dat zijn moeder, die ook christelijk is, in Nederland zat. Zijn zus was gevlucht en in Burundi terechtgekomen bij een hulporganisatie genaamd Enfant Soleil, speciaal voor weeskinderen. De zus van eiser had contact met hun vader in Burundi. Zij waren op zoek naar hem. 37. Verder verklaart eiser dat hij in Nederland een relatie heeft, maar dat hij haar naam niet geeft omdat dit privé is. Het is ook nog maar kort en hij is niet met haar getrouwd. Het contact met zijn vader, moeder en zijn zus is goed. Zij wonen alle drie nog bij elkaar. Hij ziet zijn familie een keer per week. Hij is afhankelijk van zijn ouders, als hij geen eten heeft gaat hij naar zijn moeder toe om eten te krijgen. Het bestreden besluit Tot welke conclusie komt verweerder in het bestreden besluit? 38. Verweerder blijft bij zijn voornemen om de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te trekken vanaf 9 juli 2016 en een inreisverbod op te leggen voor de duur van tien jaar. Hieraan legt verweerder het volgende ten grondslag. Het actuele reële risico op ernstige schade 39. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de intrekking niet in strijd is met internationale verdragen of verplichtingen. Eiser meent dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, omdat hij een reëel risico op ernstige schade loopt in de DRC omdat hij Banyamulenge is en afkomstig is uit Zuid-Kivu. Verweerder meent dat in het voornemen al is uitgelegd dat het behoren tot de Banyamulenge geen reden is om een verblijfsvergunning asiel te verlenen. De Tutsi’s of Banyamulenge worden niet langer als kwetsbare minderheidsgroep aangemerkt (C7/11.4.2 Vc 2000). Verder is uitgelegd dat eiser een vestigingsalternatief heeft in Kinshasa. Eiser heeft geen argumenten aangevoerd dat hij in Kinshasa een reëel risico loopt op ernstige schade. Aan de moeder van eiser is een verblijfsvergunning asiel verleend, maar zij heeft deze niet gekregen vanwege haar etnische afkomst of vanwege persoonlijke problemen in de DRC. 40. De verklaringen van eiser dat hij in de DRC kindsoldaat is geweest, worden niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft verklaard dat hij vijf jaar oud was toen zijn moeder uit de DRC vertrok en dat hij een straatkind was dat gedwongen werd ingelijfd als kindsoldaat. Verweerder volgt deze verklaringen niet, omdat eiser in 2003 vijf jaar oud was. Uit het dossier van de moeder blijkt dat zij op dat moment nog in de DRC verbleef. In augustus 2004 is zij samen met eiser en zijn zus bij een dominee en zijn gezin in Uvira, DRC, gaan wonen. De vader van eiser was op dat moment vertrokken. De moeder van eiser heeft verklaard dat zij tot haar vertrek op 16 oktober 2011 samen met haar kinderen bij de dominee in Uvira heeft gewoond. Toen zij vertrok heeft zij eiser en zijn zus daar achtergelaten . Eiser was op dat moment 13 jaar oud. 41. Verder is nog van belang dat de moeder van eiser verklaart dat zij tijdens haar verblijf bij de dominee geen problemen heeft ondervonden. Eiser en zijn zus gingen niet naar school maar speelden buiten. Verweerder gaat ervan uit dat als eiser gedwongen was ingelijfd als kindsoldaat zijn moeder dit had verteld tijdens haar asielaanvraag. Voorts wordt overwogen dat de vader van eiser tijdens een gehoor op de Nederlandse ambassade in Bujumbura (Burundi) heeft verklaard dat hij in januari 2012 eiser en zijn dochter bij de dominee in Uvira heeft opgehaald . Hij is samen met zijn kinderen naar Burundi vertrokken. Op 24 februari 2014 is eiser samen met zijn vader en zus naar Nederland gereisd. De zus van eiser is ook gehoord op de Nederlandse ambassade. Ook zij verklaart dat zij samen met haar broer bij de dominee in Uvira verbleef na het vertrek van hun moeder. De dominee zorgde voor haar en eiser. Zij verklaart dat zij in 2012 door hun vader werden opgehaald bij de dominee en werden meegenomen naar Burundi. De reguliere verblijfsvergunning 42. Daarnaast krijgt eiser geen verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft hiervoor verschillende punten aangevoerd, maar verweerder vindt niet dat deze punten leiden tot de conclusie dat de belangen van eiser om met een verblijfsvergunning in Nederland te mogen wonen zwaarder wegen dan de belangen van de overheid. Het terugkeerbesluit en het actuele gevaar voor de openbare orde 43. Eiser krijgt op grond van artikel 62, tweede lid, onder c, van de Vw 2000 een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn, omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Verweerder vindt dat eiser door zijn persoonlijke gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige dreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verweerder heeft kennisgenomen van de verklari
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...