Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2022:4599

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2022-05-10
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL22.2838
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
5.413 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel. Problemen vanwege litteken niet geloofwaardig. Vrees voor mensenhandelaar niet onderbouwd.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL22.2838 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. M.S. Yap), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 14 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2022 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Op 2 maart 2021 heeft hij een asielaanvraag ingediend in Nederland. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw . Daarbij zijn de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Dat eiser problemen heeft ondervonden vanwege een litteken is niet geloofwaardig geacht. Verder acht verweerder wel geloofwaardig dat eiser een openstaande schuld heeft bij een mensenhandelaar, maar heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij hierdoor een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM . Verweerder heeft een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aan eiser verleend op grond van artikel 8 van het EVRM vanwege familie- en gezinsleven met zijn vriendin en kind in Nederland. 3. Eiser voert aan dat de algemene informatie in het door verweerder aangehaalde EASO-rapport niet af doet aan de uitgebreide verklaringen die hij heeft afgelegd over wat hij persoonlijk heeft meegemaakt vanwege het litteken en het weigeren van de positie van voodoopriester. Verweerder heeft bovendien onvoldoende rekening gehouden met zijn culturele achtergrond. Er bestaat geen discussie over het litteken, maar wel over de context waarin het litteken is aangebracht. Een forensisch medisch onderzoek zou die context kunnen duiden. Tot slot bevreemdt het eiser dat zijn schuld bij een mensenhandelaar geloofwaardig wordt geacht, maar de problemen die daaruit voort kunnen vloeien niet. Het is algemeen bekend dat personen die eerder in handen zijn gevallen van mensenhandelaren bij terugkeer naar het land van herkomst problemen kunnen krijgen. De rechtbank oordeelt als volgt. 4. Verweerder heeft gemotiveerd uiteengezet waarom eisers verklaringen over de betekenis van zijn litteken in relatie tot (de opvolging van) het voodoopriesterschap niet geloofwaardig worden geacht. Bovendien zijn deze verklaringen niet in overeenstemming met de informatie uit het EASO-rapport, aangezien daaruit blijkt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het weigeren van een dergelijke titelpositie tot problemen leidt. Volgens het rapport zijn daar geen gevallen van bekend. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft ondervonden door zijn litteken. Eiser heeft niet toegelicht waarom verweerder op basis van zijn culturele achtergrond tot een andere conclusie zou moeten komen. Een medisch onderzoek kan de context waarin het litteken is aangebracht bovendien niet aantonen. 5. Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eiser een schuld heeft bij een mensenhandelaar. In dat kader is van belang dat uit het algemeen ambtsbericht inzake Nigeria van maart 2021 volgt dat de houding van mensenhandelaren jegens slachtoffers die terugkeren naar Nigeria zonder hun schuld af te betalen is verhard en dat dit zich vertaalt in represailles tegen familieleden van slachtoffers en/of retrafficking van teruggekeerde slachtoffers van mensenhandel. Verder volgt uit het recentelijk gewijzigde landenbeleid ten aanzien van Nigeria dat er niet langer vanuit wordt gegaan dat bescherming kan worden verkregen van de Nigeriaanse autoriteiten. Eiser heeft de gestelde vrees voor de mensenhandelaar echter niet nader onderbouwd. Sinds eiser is vertrokken uit Italië heeft hij geen contact meer met de mensenhandelaar gehad. Ook zijn er geen concrete aanwijzingen dat hij naar eiser op zoek zou zijn. Ter zitting is bovendien verklaard dat eiser slechts vermoedt dat hij problemen zou kunnen krijgen bij terugkeer. Dat is onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. 6. Het beroep is ongegrond. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet 2000. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. EASO, Country of Origin Information Report: Nigeria, Country Focus, juni 2017. P. 117. C7/22.5.1 van de Vreemdelingencirculaire.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...