Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2021:9542

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2021-08-05
Procedure
Bodemzaak
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
AWB 20/6651
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
ja
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
121.304 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Eiseres is een vennootschap onder firma die met ingang van 1 juni 2013 erkend referent is geworden voor de categorie ‘uitwisseling’. Zij bemiddelt tussen au pairs en gastgezinnen in Nederland. De vraag die in deze zaak voorligt is of verweerder direct tot intrekking van de erkenning van eiseres als referent heeft kunnen overgaan op grond van artikel 2g, aanhef en onder b en onder c, van de Vw 2000. Verweerder hecht terecht veel waarde aan de vertrouwensband die tussen hem en de erkend referent bestaat en mag veel gewicht toekennen aan een situatie die ervan blijk geeft dat hij van de betrouwbaarheid van de erkend referent niet langer kan uitgaan. Op de erkend referent rusten verschillende plichten, zowel jegens de vreemdeling wiens referent hij is als jegens de overheid. Het gaat om plichten tegenover de overheid tot het verstrekken van relevante feiten en gegevens die van belang zijn voor het houden van toezicht op de naleving van de Vw 2000 en om het voeren van een administratie en het bewaren daarvan. Tegenover de vreemdeling bestaat er voor de erkend referent een zorgplicht, waarbij de bescherming van de belangen van de au pair het uitgangspunt vormt. Zowel voor als na plaatsing van de au pair in een gastgezin, heeft de erkend referent op grond van zijn zorgplicht verantwoordelijkheden tegenover de au pair. Verweerder wijst er terecht op dat au pairs een kwetsbare groep vormen en dat op erkend referenten, die een verblijfsvergunning kunnen aanvragen voor au pairs, een bijzondere en grote verantwoordelijkheid rust. Gelet op de professionaliteit, deskundigheid en ervaring op het specifieke terrein waarop de erkend referent actief is, acht de rechtbank het een redelijke verwachting van verweerder dat de erkend referent, zonder dat de zorgplicht tot in detail is voorgeschreven, aan die plicht op adequate wijze invulling kan geven. Hoewel het door de referent opgestelde uitwisselingsprogramma een uitgangspunt en leidraad kan vormen voor de manier waarop de erkend referent aan de op hem rustende plicht voldoet, ontslaat dit hem er niet van om, als de situatie daar om vraagt, op andere wijze dan weergegeven in het uitwisselingsprogramma invulling te geven aan de zorgplicht. Naar het oordeel van de rechtbank mag verweerder de lat waaraan erkend referenten, specifiek voor het verblijfsdoel ‘uitwisseling’, moeten voldoen, hoog leggen. Verweerder legt aan de intrekking van de erkenning als referent zijn bevindingen ten grondslag uit tien casussen waarbij eiseres als bemiddelaar tussen de au pair en het gastgezin heeft opgetreden. Hoewel de rechtbank niet alle tegenwerpingen volgt die verweerder eiseres in de verschillende casussen doet, is eiseres op meerdere punten tekortgeschoten en maakt verweerder eiseres niet ten onrechte een groot aantal en ook ernstige verwijten. Verweerder heeft alleen al op basis van één van de casussen die hij aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, en de verwijten die eiseres in dat verband kunnen worden gemaakt, tot de conclusie kunnen komen dat de betrouwbaarheid van eiseres als erkend referent zodanig in twijfel moet worden getrokken dat deze voor hem niet langer vaststaat, en heeft die conclusie zeker kunnen trekken als de andere casussen daarbij worden betrokken. Het gaat erom of de IND in redelijkheid nog kan vertrouwen op de juistheid van de eigen verklaringen van de erkend referent. Verweerder is vrij in de motivering die hij ten grondslag legt aan zijn conclusie dat is gebleken dat daarvan niet langer sprake is. Dit is niet beperkt tot bepaalde aspecten, zoals gevallen van uitbuiting, mensensmokkel of illegale tewerkstelling. Met het onvoldoende vaststaan van de betrouwbaarheid van eiseres, voldoet eiseres niet aan de voorwaarde voor erkenning als referent als bedoeld in artikel 2e, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Verweerder was daarom bevoegd om met toepassing van artikel 2g, aanhef en onder b, van de Vw 2000 over te gaan tot het intrekking van de erkenning van eiseres als erkend referent. In dit artikel is een zelfstandige grondslag voor de intrekking van het erkend referentschap gelegen. Het beroep is ongegrond verklaard.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 20/6651 uitspraak van de meervoudige kamer van 5 augustus 2021 in de zaak tussen [eiseres] , eiseres (gemachtigde: mr. P.J. Krop), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Wildeboer). Procesverloop Bij besluit van 14 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres verleende erkenning als referent voor het verblijfsdoel ‘uitwisseling’ ingetrokken, met ingang van de dag na bekendmaking van dat besluit. Het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 29 juli 2020 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Op 26 augustus 2020 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld op de zitting van 6 april 2021. Namens eiseres zijn verschenen [naam vennoot 1] ( [vennoot 1] ) en [naam vennoot 2] ( [vennoot 2] ), bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. 2. Eiseres is een vennootschap onder firma, gedreven voor rekening van [vennoot 1] en [vennoot 2] . Met ingang van 8 april 2013 heeft eiseres met de IND een convenant gesloten en met ingang van 1 juni 2013 is eiseres erkend referent geworden voor de categorie ‘uitwisseling’. Eiseres was als zodanig geregistreerd in het openbaar register van de IND. Inleiding 3. De vraag die in deze zaak voorligt is of verweerder (direct) tot intrekking van de erkenning van eiseres als referent heeft kunnen overgaan. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot dit oordeel komt. Daartoe zet de rechtbank (onder 4 tot en met 4.2) eerst uiteen wat in de wet- en regelgeving is opgenomen over de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om als erkend referent te worden aangemerkt en over de intrekking van die erkenning. Daarna zet de rechtbank (onder 5) uiteen wat verweerder aan zijn besluitvorming ten grondslag legt. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres gaat de rechtbank vervolgens – voor zover van belang – in op de redenen waarom eiseres het niet met het bestreden besluit eens is en wat de rechtbank daarvan vindt. In dat verband gaat de rechtbank (onder 7 en 7.1) eerst in op wat eiseres aanvoert over de zorgvuldigheid van de besluitvorming. Daarna bespreekt de rechtbank (onder 8 tot en met 17) – voor zover van belang – de casussen die verweerder aan de besluitvorming ten grondslag legt en welke conclusies verweerder daaruit heeft kunnen trekken, voorafgegaan door enkele casus overstijgende overwegingen. Vervolgens licht de rechtbank (onder 18 tot en met 20.2) toe waarom zij van oordeel is dat verweerder in deze conclusies aanleiding kon zien over te gaan tot intrekking van de erkenning van eiseres als referent. Daarna bespreekt de rechtbank (onder 21 en 21.1) of hier sprake is van een bestuurlijke sanctie. Tot slot gaat de rechtbank (onder 22 en 22.1) in op het betoog van eiseres dat de belangen onjuist zijn afgewogen. De rechtbank sluit (onder 23) af met een woord gericht aan [vennoot 1] en [vennoot 2] . Wet- en regelgeving over de erkenning als referent en de intrekking van die erkenning 4. Voor zover voor deze zaak van belang, leidt de rechtbank uit de wet- en regelgeving het volgende af. Een rechtspersoon die is ingeschreven in het Handelsregister kan voor het verblijf van een vreemdeling, niet zijnde een gemeenschapsonderdaan, in Nederland als referent optreden. Hiervoor moet de rechtspersoon aan bepaalde regels voldoen. De minister van Justitie en Veiligheid (minister) is bevoegd de aanvraag om erkenning als referent in te willigen, af te wijzen of niet in behandeling te nemen en de erkenning als referent te schorsen, in te trekken of te wijzigen. De erkenning als referent houdt verband met het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven en geldt voor onbepaalde tijd. De minister kan de aanvraag om (wijziging van de) erkenning als referent onder andere afwijzen als de betrouwbaarheid van de aanvrager of van de direct of indirect bij die aanvrager betrokken natuurlijke personen, rechtspersonen of ondernemingen, onvoldoende vaststaat. 4.1. Erkend referenten (voor het verblijfsdoel uitwisseling) hebben bepaalde verplichtingen. Het gaat om een zorgplicht richting de vreemdeling wiens referent hij is, een plicht tot het verstrekken van informatie aan de IND die relevant kan zijn voor de verblijfsrechtelijke positie van die vreemdeling, en verplichtingen met betrekking tot het voeren van een administratie van gegevens en bescheiden die van belang zijn voor de toelating en het verblijf van die vreemdeling in Nederland en voor zijn eigen positie als referent. Deze verplichtingen zijn uitgewerkt in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000). De zorgplicht is – voor zover van belang – neergelegd in artikel 1.16 van het Vb 2000 en artikel 1.5 van het VV 2000. De informatieplicht volgt – voor zover van belang – uit artikel 24a, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, en artikel 54, tweede lid, van de Vw 2000, artikel 4.44a van het Vb 2000 en de artikelen 4.17, 4.18 en 4.19 van het VV 2000. De administratieplicht is – voor zover van belang – neergelegd in artikel 4.53 van het Vb 2000 en de artikelen 4.27, 4.28, 4.41 en 4.42 van het VV 2000. 4.2. De minister kan de erkenning als referent intrekken als de erkend referent niet langer voldoet aan de voorwaarden voor erkenning. Zoals hiervoor aangegeven, is één van de voorwaarden voor de erkenning als referent dat de betrouwbaarheid van de aanvrager of direct of indirect bij de aanvrager betrokken natuurlijke personen, rechtspersonen of ondernemingen, voldoende vaststaat. De betrouwbaarheidsbeoordeling ziet op de vraag of de IND in voldoende mate kan vertrouwen op de juistheid van de eigen verklaringen van degene die voor erkenning als referent in aanmerking wenst te komen, zo volgt uit de Memorie van Toelichting bij de Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de versterking van de positie van de referent in het reguliere vreemdelingenrecht en versnelling van de vreemdelingenrechtelijke procedure (Wet modern migratiebeleid). Ook kan de minister de erkenning als referent intrekken als de erkend referent zich niet heeft gehouden aan zijn verplichtingen als referent. Het gaat dan om de eerder genoemde zorgplicht, informatieplicht en administratieplicht. De IND trekt de erkenning als referent op deze grond in als: de referent voor de derde keer is beboet wegens het niet naleven van de zorg- of informatieplicht waarbij de overtreding door de IND als ernstig is gekwalificeerd; de referent weigert om zijn medewerking te verlenen aan nalevingstoezicht door de IND; de referent niet zorgvuldig toetst of de vreemdeling wiens overkomst hij wenst aan de verblijfsvoorwaarden voldoet; of als de referent bij kennis of vermoedens van misstanden met betrekking tot het verblijf van de vreemdeling in Nederland niet adequaat heeft opgetreden. In de Memorie van Toelichting bij de Wet modern migratiebeleid (Memorie van Toelichting) is over de intrekking van de erkenning – voor zover hier relevant – het volgende opgenomen: “De Minister van Justitie (IND) kan referenten erkennen en die erkenning schorsen en intrekken. Erkenning geeft toegang tot de versnelde procedure, waarin op basis van de eigen verklaringen versneld toelating en verblijf van een vreemdeling kan worden verkregen. De minister blijft daarvoor verantwoordelijk en moet die verantwoordelijkheid ook kunnen waarmaken. Om die reden wordt voorzien in een voorafgaande beoordeling van onder meer de betrouwbaarheid van de referent, die voor erkenning in aanmerking wil komen. (…) Verder kan niet-naleving door de erkende referent van diens verplichtingen leiden tot intrekking van de erkenning. Om disproportionele beslissingen te voorkomen, zal de erkenning in het algemeen niet direct na een eerste overtreding worden ingetrokken. Met het oog op gevallen waarin sprake is van een zodanig ernstige eerste overtreding dat de betrouwbaarheid van de referent ernstig in twijfel moet worden getrokken, voorziet het onderhavige wetsvoorstel wel in de mogelijkheid dat de erkenning al na de eerste overtreding wordt ingetrokken. (…) Als regel zal bij de eerste overtreding een waarschuwing worden gegeven. Bij een tweede overtreding kan een bestuurlijke boete worden opgelegd en bij een derde overtreding een verhoogde boete. Geconstateerde overtredingen kunnen ook leiden tot verscherpt toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften door de betreffende referent. In ernstiger gevallen kan daarnaast tot schorsing of intrekking van de erkenning als referent worden overgegaan.” In de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet modern migratiebeleid (Nota naar aanleiding van het verslag) is – voor zover hier van belang – onder andere het volgende opgenomen: “In ernstige gevallen kan de erkenning als referent worden geschorst of direct worden ingetrokken als reactie op een eerste overtreding. De leden van de CDA-fractie, die naar een toelichting op het begrip «ernstige gevallen» hebben gevraagd, antwoorden wij, dat daaronder in ieder geval worden geschaard die gevallen, waarin de erkende referent ervoor heeft gekozen het vertrouwen dat de overheid in hem heeft gesteld door de versnelde procedure voor hem open te stellen, te schenden uit overwegingen van eigen gewin. Daarvan zal in ieder geval sprake zijn in gevallen van uitbuiting van migranten, mensensmokkel of illegale tewerkstelling door de referent. Het onderscheidend criterium is de vraag of de IND na de overtreding in redelijkheid nog kan vertrouwen op de juistheid van de eigen verklaringen van de referent. Daarbij past de nodige voorzichtigheid om misbruik en daarmee illegale immigratie te voorkomen. In gevallen waarin sprake is van een incidentele overtreding, veroorzaakt door een moment van onachtzaamheid, zou intrekking of schorsing van de erkenning als referent al snel disproportioneel zijn. In dergelijke gevallen hoeft er geen reden te zijn om aan de betrouwbaarheid van de erkende referent te twijfelen, en kan worden volstaan met een waarschuwing of een boete om verdere naleving van de voorschriften te bevorderen. Bij meerdere overtredingen binnen korte tijd zal de twijfel aan de betrouwbaarheid van de erkende referent echter groter zijn en komt schorsing of intrekking in zicht. In de Vreemdelingencirculaire 2000 zal nader worden geregeld in welke gevallen de erkenning hangende een nader onderzoek naar de betrouwbaarheid van de erkende referent wordt geschorst, in welke gevallen zij wordt ingetrokken en in welke gevallen kan worden volstaan met een waarschuwing of een boete. (…) De betrouwbaarheid van bestuurders die het beleid van een onderneming, een rechtspersoon of een vestiging daarvan (mede) bepalen, moet buiten twijfel staan, opdat in de versnelde procedure redelijkerwijs van de juistheid van hun eigen verklaringen kan worden afgegaan. In het moderne migratiebeleid zal de IND de betrouwbaarheid van deze personen beoordelen, voordat de betrokken onderneming of rechtspersoon als referent wordt erkend.” Besluitvorming 5. Na daartoe op 14 maart 2019 een voornemen te hebben uitgebracht, heeft verweerder bij het primaire besluit, gehandhaafd met het bestreden besluit, de erkenning van eiseres als referent voor het verblijfsdoel ‘uitwisseling’ ingetrokken. Uit door eiseres op verzoek van verweerder overgelegde dossiers van au pairs uit 2016 en 2017, die zijn voortgekomen uit een steekproef, en gegevens die bij verweerder ambtshalve aan het licht zijn gekomen, is gebleken dat eiseres niet meer voldoet aan de voorwaarden voor de erkenning als referent. Daaraan legt verweerder ten grondslag dat de betrouwbaarheid van eiseres als referent onvoldoende vaststaat en dat zij zich niet heeft gehouden aan haar verplichtingen als referent. Kort samengevat, overweegt verweerder daartoe dat eiseres zich in de gepresenteerde tien casussen van au pairs niet heeft gehouden aan haar zorg-, informatie- en/of administratieplicht dan wel daaraan niet op adequate wijze invulling heeft gegeven en zij in een aantal casussen onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan haar eigen uitwisselingsprogramma, dat de basis vormt voor de erkenning als referent. Verweerder zet hiertoe per casus, aan de hand van de feiten en omstandigheden die zich daar volgens hem hebben voorgedaan, uiteen aan welke op haar rustende plichten eiseres niet heeft voldaan dan wel waarom deze tot de conclusie leiden dat eiseres anderszins verwijtbaar heeft gehandeld. Verweerder overweegt dat zijn bevindingen in één van de dossiers, dat van au pair [naam au pair 1] , al leiden tot de conclusie dat sprake is van een zodanig ernstige en verwijtbare overtreding, dat alleen al daarom tot intrekking van de erkenning als referent kan worden overgegaan. In wat eiseres aanvoert over haar bereidheid om te leren en om haar bedrijfsvoering aan te passen, dat zich niets ernstigs heeft voorgedaan in de beoordeelde casussen, dat zij langere tijd geen accountmanager van de zijde van de IND had en dat het lang heeft geduurd totdat verweerder het bestreden besluit heeft genomen, ziet verweerder geen aanleiding voor een ander standpunt. Dit geldt ook voor de verwijzing van eiseres naar de conclusies die worden getrokken in het rapport ‘Selectief naast restrictief. Evaluatie van de Wet modern migratiebeleid’ van het evaluatieonderzoek naar de Wet modern migratiebeleid (WODC-rapport). 6. Eiseres is het hiermee niet eens. Op wat zij daartoe aanvoert, gaat de rechtbank hieronder in. Zorgvuldigheid van de besluitvorming 7. Eiseres betoogt dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. Het voornemen en het primaire besluit zijn onoverzichtelijk en daarin wordt niet duidelijk wat eiseres wordt verweten, en waarom en op welke grondslag tot intrekking van de erkenning als referent wordt overgegaan. In het bestreden besluit zijn de grondslag en de motivering van het primaire besluit bovendien volledig herzien, aldus eiseres. 7.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het primaire besluit voldoende duidelijk wat eiseres wordt verweten. Dit zet verweerder in het primaire besluit per casus uiteen. Verder motiveert verweerder welke tegenwerpingen leiden tot de conclusie dat volgens hem tot intrekking van de erkenning als referent kan worden overgegaan, en waarom. Ook geeft verweerder in het primaire besluit aan welke wettelijke grondslagen hij daarvoor hanteert, namelijk dat eiseres niet langer voldoet aan de voorwaarden voor de erkenning als referent als bedoeld in artikel 2e van de Vw 2000 en dat eiseres zich niet heeft gehouden aan haar verplichtingen als referent. Dat het primaire besluit wat de motviering betreft niet inzichtelijk is en het onduidelijk is op welke wettelijke grondslag dit besluit rust, volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat de grondslag en de motivering van het primaire besluit in het bestreden besluit volledig zijn herzien. In het bestreden besluit reageert verweerder – begrijpelijkerwijs – op wat eiseres in bezwaar naar voren heeft gebracht. Overwegingen uit het primaire besluit die in bezwaar niet worden betwist, zoals de verwijten die verweerder eiseres maakt in de casussen van au pairs [naam] en [naam] , herhaalt verweerder niet in het bestreden besluit. Dat hoeft verweerder ook niet te doen. Wel is het primaire besluit in het bestreden besluit herhaald en ingelast. Verder bespreekt verweerder ook in het bestreden besluit – daar waar dat in bezwaar is betwist – per casus en in lijn met de motivering die hij aan het primaire besluit ten grondslag legt, wat hij eiseres verwijt en haar tegenwerpt. Ook uit het bestreden besluit volgt duidelijk welke wettelijke grondslag verweerder hanteert voor de intrekking van de erkenning van eiseres als referent, namelijk artikel 2g, aanhef en onder b en onder c, van de Vw 2000. De beroepsgrond slaagt niet. Bespreking van de individuele casussen en casus overstijgende uitgangspunten Algemene uitgangspunten 8. Voordat de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden van eiseres ingaat op de – voor deze uitspraak van belang zijnde – afzonderlijke casussen, formuleert de rechtbank eerst een aantal algemene, casus overstijgende uitgangspunten over de verwachtingen die verweerder naar het oordeel van de rechtbank van eiseres als erkend referent redelijkerwijs mag hebben. 8.1. Een erkend referent, wiens betrouwbaarheid de IND voorafgaand aan de erkenning heeft vastgesteld, heeft toegang tot de versnelde toelatingsprocedure. In die procedure worden (mvv-)aanvragen beoordeeld op grond van de eigen verklaring van de erkend referent dat de vereiste gegevens en stukken aanwezig zijn en dat aan de toelatingsvoorwaarden wordt voldaan. Dit gebeurt dus niet op grond van gegevens en stukken die normaal gesproken met de aanvraag moeten worden meegezonden en die vervolgens door de IND worden beoordeeld. Het is de erkend referent die voorafgaand aan de indiening van de (mvv-)aanvraag zelf beoordeelt of alle benodigde gegevens en bescheiden aanwezig zijn en aan de hand daarvan of aan de voorwaarden voor toelating wordt voldaan. Ook worden aanvragen in deze procedure sneller dan normaal gesproken het geval is behandeld. Deze snelle en eenvoudige toelatingsprocedure is gebaseerd op duurzaam vertrouwen. De IND moet kunnen uitgaan van de juistheid, volledigheid en tijdigheid van de informatie die de erkend referent hem ten tijde van de (mvv-)aanvraag verstrekt, waarop beslissingen over de toelating en het verblijf van vreemdelingen in Nederland worden gebaseerd, en dat hij deze informatie ook blijft verstrekken tijdens het verblijf in Nederland van de vreemdeling wiens referent hij is, blijft verstrekken. De betrouwbaarheid van de referent is in dit systeem dus essentieel. Het voorgaande laat overigens onverlet dat de IND verantwoordelijk blijft voor de toelating, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen en de IND toezicht uitoefent op de erkend referent en ook op de vreemdeling wiens referent hij is. Verweerder hecht gelet op het voorgaande terecht veel waarde aan de vertrouwensband die tussen hem en de erkend referent bestaat en mag veel gewicht toekennen aan een situatie die ervan blijk geeft dat hij van de betrouwbaarheid van de erkend referent niet langer kan uitgaan. 8.2. Op de erkend referent rusten verschillende plichten, zowel jegens de vreemdeling wiens referent hij is als jegens de overheid. Het gaat om plichten tegenover de overheid tot het (desgevraagd of uit eigen beweging) verstrekken van relevante feiten en gegevens die van belang zijn voor het houden van toezicht op de naleving van de Vw 2000 en om het voeren van een administratie en het bewaren daarvan, zowel met betrekking tot de vreemdeling wiens referent hij is als met betrekking tot de nakoming van zijn verplichtingen als erkend referent. De informatie- en administratieplicht zijn van belang voor de beoordeling van het verblijfsrecht van de vreemdeling en het houden van toezicht op de naleving door de erkend referent van zijn plichten. Tegenover de vreemdeling bestaat er voor de erkend referent een zorgplicht, waarbij de bescherming van de belangen van de au pair het uitgangspunt vormen. Verweerder wijst er terecht op dat au pairs een kwetsbare groep vormen, in die zin dat zij sneller dan andere groepen vreemdelingen slachtoffer kunnen worden van misbruik en uitbuiting omdat er – in algemene zin – weinig toezicht is op wat er in de gastgezinnen gebeurt, au pairs de Nederlandse cultuur niet kennen en zij een beperkt sociaal netwerk hebben. Verweerder stelt dan ook terecht dat op erkend referenten, die een verblijfsvergunning kunnen aanvragen voor au pairs, een bijzondere en grote verantwoordelijkheid rust. 8.2.1 Concreet in het geval van au pairs, is de erkend referent verantwoordelijk voor een zorgvuldige werving en selectie van het gastgezin en een zorgvuldige bemiddeling tussen de au pair en het gastgezin, en is de erkend referent verantwoordelijk voor de juiste uitvoering van het door de IND goedgekeurde uitwisselingsprogramma. De erkend referent moet de au pair en het gastgezin, al bij de werving en selectie, goed voorlichten over de rechten en plichten die zij hebben. Het voorgaande moet de au pair beschermen tegen oneigenlijk gebruik van culturele uitwisseling, het hoofddoel van het verblijf van de au pair, zoals verkapte arbeid. Ook na plaatsing van de au pair in een gastgezin, heeft de erkend referent op grond van zijn zorgplicht verantwoordelijkheden tegenover de au pair. Zo moet de erkend referent erop toezien dat het gastgezin en de au pair zich tijdens het verblijf van de au pair in Nederland houden aan hun plichten en de gemaakte afspraken ten aanzien van de aard en omvang van de werkzaamheden, zodat het verblijf van de au pair daadwerkelijk in het teken staat van culturele uitwisseling. Ook moeten zij zich houden aan de kaders van het uit te voeren uitwisselingsprogramma. Verder moet de erkend referent zich op de hoogte stellen van het welzijn en welbevinden van de au pair tijdens het verblijf in het gastgezin en daarop toezien. Bij niet-naleving van wat is overeengekomen en bij misstanden, rust op de erkend referent de plicht om op te treden. Bij het voorgaande is van belang dat de zorgplicht een inspanningsverplichting betreft. Op de naleving van de zorgplicht wordt toegezien door de IND. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat de wijze waarop de erkend referent aan zijn zorgplicht tegenover de vreemdeling invulling moet geven, (bewust) niet van overheidswege in detail is voorgeschreven, maar dat de erkend referent zoveel mogelijk de ruimte is gelaten om zelf te bepalen hoe hij aan die plicht voldoet. Geredeneerd vanuit het in de erkend referent gestelde vertrouwen, kan de erkend referent met middelen die hij daartoe vrij kan kiezen, maatwerk leveren, zo is de gedachte. Gelet op de professionaliteit, deskundigheid en ervaring op het specifieke terrein waarop de erkend referent actief is, acht de rechtbank het een redelijke verwachting van verweerder dat de erkend referent, zonder dat de zorgplicht tot in detail is voorgeschreven, aan die plicht op adequate wijze invulling kan geven. Hierbij kan het door de erkend referent opgestelde, en door verweerder goedgekeurde, uitwisselingsprogramma een uitgangspunt en leidraad vormen voor de manier waarop de erkend referent aan de op hem rustende plicht voldoet, maar dit ontslaat hem, zo overweegt verweerder niet ten onrechte, er niet van om, als de situatie daar om vraagt, op andere wijze dan voorgeschreven in het uitwisselingsprogramma invulling te geven aan de zorgplicht. Die vrijheid wordt de erkend referent geboden en het is gelet op het veronderstelde kennisniveau en de ervaring van de erkend referent geen onredelijke verwachting van verweerder dat de erkend referent in staat is die vrijheid op zodanige wijze in te vullen dat hij op adequate wijze voldoet aan de zorgplicht die hij heeft richting de vreemdeling wiens referent hij is. 8.3. Naar het oordeel van de rechtbank mag verweerder de lat waaraan erkend referenten, specifiek voor het verblijfsdoel ‘uitwisseling’, moeten voldoen, hoog leggen. Niet alleen vanwege het vertrouwen dat de IND bij de erkenning in de referent en zijn veronderstelde deskundigheid en professionaliteit heeft gesteld, maar ook gelet op de bijzondere en grote verantwoordelijkheid die de erkend referent op zich neemt door als bemiddelaar tussen gastgezinnen en au pairs op te treden. Verweerder mag van de erkend referent – en dus ook eiseres – verwachten dat deze zich actief op de hoogte stelt en blijft stellen van de geldende wet- en regelgeving en zich bewust is van de plichten waaraan hij moet voldoen alsook dat de erkend referent het inzicht, de kennis en de kunde in huis heeft om op zorgvuldige en deugdelijke wijze invulling te geven aan die plichten en zo te voldoen aan wat van hem wordt verlangd. In het geval van eiseres heeft verweerder in het bijzonder van belang mogen achten dat eiseres sinds 2012 optreedt als bemiddelingsbureau voor au pairs, voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet Modern Migratiebeleid heeft deelgenomen aan de ‘proeftuin Au Pair’ en bij de inwerkingtreding van die wet in 2013 is erkend als referent voor het doel ‘uitwisseling’. De rechtbank kan inzien dat eiseres met een andere blik dan verweerder kijkt naar de overkomst van au pairs naar Nederland en het faciliteren daarvan, maar dat ontslaat eiseres er niet van, vanuit haar verantwoordelijkheden richting die au pairs en het vertrouwen dat verweerder in haar als erkend referent heeft gesteld, dat deze blik een kritische is en dat haar zogenoemde antennes op scherp staan. Bij het voorgaande realiseert de rechtbank zich dat eiseres voor het voldoen aan haar zorgplicht soms mede afhankelijk is van de informatie die zij van het gastgezin en de au pair ontvangt, en dat zij niet altijd de middelen tot haar beschikking heeft om de verstrekte informatie op juistheid te verifiëren. 8.4. De rechtbank acht het waard te vermelden dat zich volgens verweerder gevallen van erkend referenten voor het doel ‘uitwisseling’ hebben voorgedaan waarin boetes zijn opgelegd, maar dat zich niet eerder een vergelijkbaar geval heeft voorgedaan als dat van eiseres, waarin direct tot intrekking van de erkenning als referent is overgegaan. De casussen 9. Verweerder legt aan de intrekking van de erkenning als referent zijn bevindingen ten grondslag uit tien casussen waarbij eiseres als bemiddelaar tussen de au pair en het gastgezin heeft opgetreden. Deze bevindingen zijn gebaseerd op de door eiseres in die casussen op verzoek van verweerder verstrekte dossiers uit haar eigen administratie, op informatie die bij verweerder op andere wijze aan het licht is gekomen, op informatie uit gespreksverslagen met getuigen en op verklaringen van getuigen en overtreder afgelegd ten overstaan van de Inspectie SZW van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 9.1. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder bij de weergave van de casussen van onjuiste feiten uitgaat. Verweerder legt aan de intrekking van de erkenning als referent overtredingen ten grondslag die niet hebben plaatsgevonden dan wel niet verwijtbaar zijn. Hoewel er een aantal (administratieve) fouten zijn gemaakt, zijn veel gemaakte verwijten onterecht en ongefundeerd, aldus eiseres. 9.2. Hierna, onder 10 tot en met 17, gaat de rechtbank nader in op de afzonderlijke casussen en de verwijten die verweerder eiseres in dat verband maakt, wat eiseres daar tegenover zet en wat de rechtbank daarvan vindt. 9.3. Een aantal verwijten maakt verweerder eiseres in verschillende casussen en zijn meer algemeen van aard. Daarover overweegt de rechtbank voorafgaand aan het bespreken van de individuele casussen het volgende. 9.3.1 In een aantal casussen verwijt verweerder eiseres dat zij onvoldoende invulling heeft gegeven aan haar zorgplicht door zich er onvoldoende van te vergwissen hoe het de au pair verging bij het gastgezin en of het gastgezin en de au pair zich aan de verplichtingen hielden, waarbij verweerder eiseres specifiek tegenwerpt dat zij geen huisbezoek heeft afgelegd terwijl die mogelijkheid wel voorhanden was en de situatie daartoe aanleiding gaf. Eiseres voert hierover in zijn algemeenheid aan dat de mogelijkheid van het afleggen van een huisbezoek niet was opgenomen in het uitwisselingsprogramma, dat door verweerder keer op keer is goedgekeurd. Zoals hiervoor uiteengezet, rust op de erkend referent een zorgplicht tegenover de au pair, die behoort tot een kwetsbare groep. De erkend referent moet zich ervan op de hoogte stellen dat de au pair het goed maakt bij het gastgezin en er conform de regels en afspraken wordt gehandeld. Zoals ook hiervoor uiteengezet, betreft dit een inspanningsverplichting en is de zorgplicht niet tot in detail in de regelgeving uitgewerkt. De erkend referent wordt de ruimte gelaten om naar eigen inzicht nadere invulling aan de zorgplicht te geven. Van de erkend referent wordt de kennis en kunde en het inzicht verwacht dat hij hieraan vanuit zijn deskundigheid op deugdelijke wijze invulling kan geven. Mede gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat, ondanks dat de mogelijkheid van het afleggen van een huisbezoek niet was opgenomen in de verschillende versies van door eiseres opgestelde en door verweerder goedgekeurde uitwisselingsprogramma’s, specifieke situaties wel om een huisbezoek kunnen vragen om zich te vergwissen van het welzijn en welbevinden van de au pair en in zo’n geval dan van eiseres verwacht kan worden dat zij daartoe overgaat. Zo’n situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als er via andere middelen (telefoon, e-mail) langere tijd geen contact kan worden gelegd met de au pair of de au pair is geplaatst in een gezinssituatie die om verhoogde controle vraagt. Verweerder verwacht niet ten onrechte van eiseres dat zij de situaties die dit betreft kan herkennen, vanuit haar deskundigheid en kennis kan inschatten of dit middel nodig en/of doeltreffend is en dit middel daar waar nodig ook daadwerkelijk inzet. In een geval dat maanden geen contact kan worden gelegd met een au pair, vindt de rechtbank het dan ook geen onredelijke verwachting van verweerder, in het kader van de zorgplicht die op eiseres rust, dat zij zich nader inspant en een huisbezoek aflegt en dat het niet daartoe overgaan gevolgen kan hebben voor het oordeel over de wijze waarop eiseres haar zorgplicht nakomt. Bovendien is in de toelichting bij artikel 1.5 van het VV 2000 al in 2013 de mogelijkheid van het afleggen van huisbezoeken genoemd, zodat eiseres er ook niet onkundig van kon zijn dat deze mogelijkheid voorhanden was. 9.3.2 Verder werpt verweerder eiseres in verschillende casussen tegen dat zich in het dossier geen uittreksel uit de Basisadministratie Personen (Brp) bevindt ten aanzien van de au pair. Eiseres brengt hierover naar voren dat verweerder aanvankelijk genoegen nam met een Burgerservicenummer (BSN-nummer) en dat pas later, na een workshop bij de IND op 29 juni 2017, bleek dat verweerder ook voor de au pair een Brp-uittreksel verlangde. Op de zitting reageert verweerder hierop dat, hoewel uit de regelgeving niet expliciet volgt dat een Brp-uittreksel moet worden overgelegd, het duidelijk is en was dat verweerder een Brp-uittreksel verlangt omdat deze informatie alleen via een Brp-uittreksel kan worden gegarandeerd. In artikel 4.27 van het VV 2000 is vastgelegd dat de referent in het kader van de administratieplicht het woonadres van de vreemdeling wiens referent hij is in de administratie opneemt. Ook bestaat er op grond van artikel 4.28, aanhef en onder b, van het VV 2000 een administratieplicht voor wat betreft de naam en het adres van de hoofdpersonen van alle gastgezinnen waarbij de vreemdeling verblijft of heeft verbleven, de periode waarin de vreemdeling bij deze gezinnen heeft verbleven en de gezinssamenstelling van deze gastgezinnen. Uit deze twee artikelen volgt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat er (ook) voor wat betreft de au pair een uittreksel uit de Brp in de administratie van de erkend referent moet worden opgenomen. Niet is in geschil dat wat in artikel 4.28, eerste lid, aanhef en onder b, van het VV 2000 wordt gevraagd, enkel kan worden onderbouwd met een Brp-uittreksel. Dit ziet naar het oordeel van de rechtbank echter op het gastgezin en de samenstelling daarvan. De rechtbank ziet niet in waarom eiseres uit het bepaalde in artikel 4.27 van het VV 2000 dan wel artikel 4.28, eerste lid, aanhef en onder b, van het VV 2000 had moeten afleiden dat ook voor de au pair een uittreksel uit de Brp was vereist. Eiseres had hier vóór 29 juni 2017 in het kader van de administratieplicht dan ook niet op bedacht hoeven zijn. Au pair [au pair 1] 10. In de casus [au pair 1] gaat het om een bemiddeling door eiseres tussen [au pair 1] en, in eerste instantie, gastgezin [naam gastgezin 1] . Het betrof een zogeheten ‘self-match’ waarbij het gastgezin zelf een au pair had gevonden. Eiseres heeft met [au pair 1] op 29 april 2016 een kennismakingsgesprek gehouden, waarbij [au pair 1] informatie is verstrekt over het au pair-programma en haar verschillende vragen zijn gesteld, waaronder hoe zij in contact is gekomen met het gastgezin. Op de voor plaatsing bij gastgezin [gastgezin 1] ten behoeve van [au pair 1] aangevraagde mvv, is op 16 juni 2016 positief beslist. Op 21 juni 2016 ontving eiseres een e-mailbericht van gastgezin [gastgezin 1] met de mededeling dat zij afzagen van de komst van [au pair 1] . Niet in geschil is dat eiseres, zonder op dat moment hierover met verweerder in contact te treden, de overkomst van [au pair 1] naar Nederland desondanks heeft doorgezet. Gastgezin [gastgezin 1] had aangegeven dat [au pair 1] na aankomst in Nederland tijdelijk bij hen kon verblijven, totdat zij in een ander gastgezin kon worden geplaatst. Eiseres heeft vervolgens bemiddeld tussen [au pair 1] en een nieuw gastgezin, gastgezin [naam gastgezin 2] . Gastgezin [gastgezin 2] voldeed op het moment van de overkomst van [au pair 1] niet aan de voorwaarden om als gastgezin te dienen en zou daaraan pas vanaf 1 oktober 2016 gaan voldoen. [au pair 1] is Nederland eind augustus 2016 ingereisd. 10.1. Verweerder werpt eiseres tegen dat zij willens en wetens informatie voor hem heeft achtergehouden die tot afwijzing van de aanvraag voor de verblijfsvergunning van [au pair 1] zou hebben geleid als verweerder daarmee bekend zou zijn geweest. Hierbij doelt verweerder op het feit dat er ten tijde van de komst van [au pair 1] naar Nederland geen gastgezin was dat aan de voorwaarden voldeed voor plaatsing van [au pair 1] , en eiseres, die daarvan op de hoogte was, de ten behoeve van [au pair 1] ingediende mvv-aanvraag niet heeft ingetrokken, maar eraan heeft meegewerkt dat [au pair 1] toch kon inreizen. Hiermee heeft eiseres, zo overweegt verweerder, het vertrouwen dat de IND in de erkend referent en diens verklaringen heeft en moet kunnen hebben, ernstig geschonden. Ook heeft eiseres zich volgens verweerder in de casus [au pair 1] niet gehouden aan de op haar rustende zorg-, informatie- en administratieplicht. Deze overtredingen merkt verweerder aan als ernstig en van maximale verwijtbaarheid. Uit de gehouden hoorzitting in bezwaar leidt verweerder bovendien af dat van enig besef bij eiseres op welke punten zij haar plichten als erkend referent heeft verzaakt, niet is gebleken en dit er niet op duidt dat eiseres op de hoogte was van de voor haar geldende verplichtingen en bijbehorende procedures. Over het niet voldoen door eiseres aan de op haar als referent van [au pair 1] rustende plichten overweegt verweerder het volgende. Zorgplicht Verweerder overweegt dat eiseres zich niet heeft gehouden aan de zorgplicht uit artikel 1.5, aanhef onder a en b, van het VV 2000. Eiseres heeft niet op zorgvuldige wijze bemiddeld tussen [au pair 1] en gastgezin [gastgezin 1] en hen niet op zorgvuldige wijze geselecteerd. Verder heeft eiseres de bemiddeling tussen [au pair 1] en gastgezin [gastgezin 1] voortgezet en de overkomst van [au pair 1] gefaciliteerd, terwijl zowel [au pair 1] als gastgezin [gastgezin 1] onwaarheden hadden verteld dan wel informatie hadden achtergehouden die relevant was voor het verblijfsrecht van [au pair 1] . Dit betreft informatie over het kennen van mensen in Nederland en de relatie tussen [au pair 1] en [familielid gastgezin 1] , een familielid van gastgezin [gastgezin 1] . Niet is gebleken dat eiseres, nadat zij in ieder geval op 21 juni 2016 van deze informatie – en dus van ongerijmdheden in de door de au pair en het gastgezin eerder verstrekte informatie – op de hoogte raakte, nader onderzoek heeft gedaan naar het verblijfsdoel van [au pair 1] of consequenties heeft verbonden aan het verstrekken van onjuiste informatie door de au pair en het gastgezin. Desondanks heeft eiseres er, in overeenstemming met gastgezin [gastgezin 1] , toen voor gekozen [au pair 1] toch naar Nederland te laten komen, waarbij [au pair 1] ongeveer twee weken bij gastgezin [gastgezin 1] kon verblijven totdat zij bij een ander gastgezin terecht zou kunnen. Ook gastgezin [gastgezin 2] , het tweede gastgezin, heeft eiseres niet op zorgvuldige wijze geselecteerd. Omdat eiseres wist dat gastgezin [gastgezin 2] op het moment dat [au pair 1] Nederland inreisde niet aan de voorwaarden voor het verblijf van [au pair 1] voldeed, heeft eiseres evenmin op zorgvuldige wijze bemiddeld tussen [au pair 1] en gastgezin [gastgezin 2] . Nadat eiseres werd geconfronteerd met een vergelijkbare zaak en tot het besef zou zijn gekomen dat zij in de casus [au pair 1] onjuist had gehandeld, heeft zij dit niet gemeld bij verweerder. Eiseres heeft pas (gedeeltelijk) openheid van zaken gegeven nadat in maart 2018 de administratie in de casus [au pair 1] bij eiseres is opgevraagd. Bovendien heeft eiseres haar verklaring voor het feit dat zij verweerder niet op de hoogte heeft gesteld van de gemaakte fout in de casus [au pair 1] meerdere keren gewijzigd. Dit roept bij verweerder des te meer vragen op over de betrouwbaarheid van eiseres. Ook lijkt sprake te zijn van willekeur in de handelwijze in twee vergelijkbare zaken, wat vragen oproept over de rol van eiseres als erkend referent, aldus verweerder Verder heeft eiseres zich volgens verweerder niet gehouden aan haar zorgplicht uit artikel 1.5, aanhef en onder e, van het VV 2000. Eiseres heeft zich er onvoldoende van vergewist dat [au pair 1] en de twee gastgezinnen zich aan de verplichtingen hielden. Bij aankomst van [au pair 1] in Nederland was er geen gastgezin dat aan de voorwaarden voldeed, waarvan eiseres op de hoogte was. Gebleken is dat [au pair 1] woonachtig is geweest bij [familielid gastgezin 1] en niet heeft verbleven bij gastgezin [gastgezin 1] . Dat eiseres dit niet wist kan haar worden verweten omdat zij zich er voldoende (actief) van had moeten vergewissen waar [au pair 1] verbleef en of de verplichtingen werden nageleefd. Eiseres is hier tekortgeschoten. Ook was eiseres er van op de hoogte dat [au pair 1] al vóór 1 oktober 2016 bij gastgezin [gastgezin 2] is gaan verblijven, terwijl dit gezin op dat moment niet voldeed aan de voorwaarden om [au pair 1] te ontvangen. Dit heeft eiseres niet tijdig bij verweerder gemeld, wat ook een overtreding oplevert van de op eiseres rustende informatieplicht. Van aantoonbare inspanningen van eiseres naar de vraag of [au pair 1] en gastgezin [gastgezin 2] zich vóór 1 oktober 2016 aan de verplichtingen hielden, is niet gebleken. Dat [au pair 1] en/of de gastgezinnen eiseres niet (volledig) op de hoogte hebben gesteld van bepaalde zaken, ontslaat eiseres niet van haar zorgplicht als erkend referent, aldus verweerder. Eiseres moet zich er actief van vergewissen of de au pair en de gastgezinnen zich aan de verplichtingen houden en informatie die haar door de au pair of het gastgezin wordt verstrekt, juist is. Eiseres heeft niet voldaan aan haar zorgplicht uit artikel 1.5, aanhef en onder f, van het VV 2000, zo overweegt verweerder verder. Ondanks de omstandigheden die zich in het geval van [au pair 1] voordeden, heeft eiseres onvoldoende actief en adequaat onderzocht hoe het [au pair 1] verging bij gastgezinnen [gastgezin 1] en [gastgezin 2] . Zo is niet gebleken dat eiseres bij de twe

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...