ECLI:NL:RBDHA:2021:3950
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2021-03-25
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Intrekking verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde en onbepaalde tijd. Meerdere familieleden. Verstrekken onjuiste gegevens. Vertrouwensbeginsel. Beoordeling actuele vrees voor vervolging/actueel reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Irak. Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Uitstel van vertrek. Artikel 8 van het EVRM. De rechtbank concludeert dat verweerder in de zaken van de vader en de moeder (eisers) bevoegd was tot intrekking van de verblijfsvergunningen voor bepaalde en voor onbepaalde tijd. De verblijfsvergunningen zouden niet als zodanig op die namen zijn verleend als verweerder vooraf had geweten dat dit onjuiste identiteiten waren. Het vertrouwensbeginsel verzet zich evenmin tegen intrekking van de verblijfsvergunningen. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. De geloofwaardig geachte elementen leiden op zichzelf bezien, maar ook in onderlinge samenhang bezien en in het licht van de aangehaalde landeninformatie over de situatie in Irak, niet tot de conclusie dat eisers aannemelijk hebben gemaakt dat zij verdragsvluchteling zijn of gegronde redenen hebben om aan te nemen dat zij bij uitzetting een reëel risico lopen op ernstige schade. Ook heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien voor een Unierechtelijke evenredigheidstoets aangezien de intrekking van de verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd in de zaken van de vader en de moeder niet tevens de intrekking van de vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus inhoudt. Verweerder heeft de bestreden besluiten evenwel onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd voor wat betreft de beoordeling of aan eisers uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 moet worden verleend. Zo heeft verweerder zich onvoldoende ervan vergewist dat de BMA-adviezen van 16 september 2019 en 17 juni 2020 zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zijn, nu hierin niet is ingegaan op de vraag of de zorg die in Nederland door de trombosedienst aan eiser wordt verleend ook aanwezig is in Irak. Daarnaast ontbeert het standpunt van verweerder dat in beide zaken aanvullend onderzoek van het BMA niet zou zijn aangewezen een deugdelijke motivering. Onder verwijzing naar onderzoeken van specialist ouderengeneeskunde Beckers hebben eisers in beroep betoogd dat bij hen sprake is van frailty, een geriatrisch syndroom dat, naar de rechtbank begrijpt, meer behelst dan uitsluitend klachten die passen bij het ouder worden. Gelet op het bepaalde in artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000 moet de rechtbank ook rekening houden met feiten en omstandigheden die na de bestreden besluiten zijn aangevoerd en die relevant kunnen zijn voor het achterwege laten van de uitzetting op grond van artikel 64 van de Vw 2000. De bestreden besluiten zijn daarnaast ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd voor wat betreft de beoordeling of aan eisers een reguliere verblijfsvergunning wegens strijd met artikel 8 van het EVRM moet worden verleend. Nu nog niet vaststaat dat eisers Nederland daadwerkelijk zullen verlaten is op dit moment nog onduidelijk of sprake is van een gezamenlijke ontzegging van verblijf in Nederland. Bij deze stand van zaken is dat standpunt van verweerder dan ook niet houdbaar. Gelet hierop zijn de beroepen gegrond. Verweerder zal nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummers: NL19.28872 en NL19.31941 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] , eiser, alias: [eiser] , geboren op [geboortedatum] en van Iraakse nationaliteit, V-nummer: [nummer 1] , en [eiseres] , geboren op [geboortedatum] , eiseres, alias: [eiseres] , geboren op [geboortedatum] en van Iraakse nationaliteit, V-nummer: [nummer 2] , beiden van Iraakse nationaliteit, gezamenlijk te noemen: eisers, (gemachtigde: mr. E.L. Garnett), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te Den Haag, verweerder, (gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman). Procesverloop Bij afzonderlijke besluiten van 1 november 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aan eisers verleende verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum, 17 september 2012. Daarnaast heeft verweerder de aan eisers verleende verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 17 september 2007. Tevens heeft verweerder geweigerd aan eisers een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen of uitstel van vertrek. Verder is aan eisers een terugkeerbesluit opgelegd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2020. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Benkrita. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na de behandeling van de beroepen ter zitting is het onderzoek gesloten en is met partijen afgesproken dat in onderhavige zaken op dezelfde dag uitspraak zal worden gedaan als in de zaken van de andere familieleden van eisers, wiens verblijfsvergunningen eveneens zijn ingetrokken, en die eveneens worden bijgestaan door mr. E.L. Garnett. Overwegingen De voorgeschiedenis 1. Eisers zijn op 7 september 2007 Nederland binnengekomen en hebben op 17 september 2007 aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eisers hebben daarbij verklaard te zijn [eiser] , geboren op [geboortedatum] te [woonplaats 1] (Irak) en van Iraakse nationaliteit, respectievelijk [eiseres] , geboren op 1 [geboortedatum] te [woonplaats 1] (Irak) en van Iraakse nationaliteit. Eisers hebben verklaard nimmer een authentiek, op hun naam gesteld paspoort in hun bezit te hebben gehad en nimmer een authentiek op hun naam gesteld paspoort te hebben aangevraagd. Voorts hebben eisers verklaard op 22 augustus 2007 vanuit Bagdad te zijn vertrokken en Irak op die datum op illegale wijze te hebben verlaten vanwege de problemen in verband met de werkzaamheden van hun zoon [naam 1] voor een Amerikaans bedrijf. 2. Bij afzonderlijke besluiten van 17 juli 2008 is aan eisers een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van het destijds geldende artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), met ingang van 17 september 2007 en geldig tot 17 september 2012. Nadien – bij besluiten van 11 november 2014 – zijn eisers in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, met ingang van 17 september 2012. 3. Op 10 november 2016 heeft verweerder eisers geïnformeerd over het voornemen om hun verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd en bepaalde tijd met terugwerkende kracht in te trekken. Eisers hebben daarop op 19 december 2016 hun zienswijze op dit voornemen bekend gemaakt. Verweerder heeft eisers vervolgens uitgenodigd voor een gehoor op 7 juli 2017. Op 19 oktober 2018 heeft verweerder eisers opnieuw geïnformeerd over het voornemen de verblijfsvergunningen asiel van eisers voor onbepaalde en voor bepaalde tijd in te trekken. Dit voornemen van 19 oktober 2018 vervangt het voornemen van 10 november 2016. Eisers hebben op 27 november 2018 en 5 december 2018 hun zienswijze op dit voornemen kenbaar gemaakt. Vervolgens heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals hierboven onder ‘Procesverloop’ is vermeld. De bestreden besluiten 4. Verweerder heeft de verblijfsvergunningen ingetrokken omdat is gebleken dat eisers bij hun asielaanvragen onjuiste gegevens hebben verstrekt over: hun identiteit; de identiteitsgegevens van meegereisde gezinsleven; hun gezins-/familiesituatie in Irak; het al dan niet bestaan van familieleden in Irak en Nederland; eerder verblijf buiten Irak en Bagdad; het bezit van (reis)documenten; hun gebied van herkomst; hun verblijfplaats Bagdad voorafgaand aan hun vertrek uit Irak op 22 augustus 2007; de (directe) aanleiding voor hun vertrek en hun motieven voor hun komst naar Nederland; de omstandigheden waarin zij en hun familieleden zich op dat moment bevonden; hun vertrekdatum; hun reisroute; de situatie ten tijde van hun asielaanvraag hier te lande; Voorts is – aldus verweerder – sprake van het door eisers achterhouden van de juiste gegevens, waaronder documenten en motieven. 5. Omdat eisers bij hun asielaanvragen onjuiste gegevens hebben verstrekt als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, en artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, was verweerder naar eigen zeggen bevoegd om de verblijfsvergunningen in te trekken. Volgens verweerder kunnen eisers niet wegens actuele schending van het Vluchtelingenverdrag of een actueel reëel risico op het ontstaan van ernstige schade in het bezit blijven van een verblijfsvergunning dan wel een verblijfsvergunning worden verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. Verweerder heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en heeft om die reden aan eisers geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. Verweerder heeft daarbij (onder meer) de belangen van eisers afgewogen tegen het belang van de Nederlandse overheid en zich op het standpunt gesteld dat het laatste belang zwaarder weegt. Ook heeft verweerder bepaald dat aan eisers geen uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Tot slot heeft verweerder bepaald dat eisers na het uitbrengen van de bestreden besluiten Nederland onmiddellijk moeten verlaten en aan eisers een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, gerekend vanaf de datum dat eisers Nederland daadwerkelijk hebben verlaten. 6. Eisers kunnen zich niet verenigen met de bestreden besluiten. Op hetgeen zij hebben aangevoerd zal hierna – voor zover van belang – nader worden ingegaan. De beoordeling van de rechtbank De intrekking van de verblijfsvergunningen 7. Eisers betwisten niet dat zij bij hun asielaanvragen onjuiste gegevens hebben verstrekt over onder andere hun identiteit, asielmotieven, gezinssituatie, gebied van herkomst, verblijfplaats en omstandigheden van vertrek. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 en van een situatie als bedoeld in artikel 35, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Dit betekent dat verweerder bevoegd was om tot intrekking van eisers verblijfsvergunningen over te gaan. Voor zover eisers hebben betoogd dat bekendheid met de juiste gegevens ook tot verlening van de verblijfsvergunningen had geleid, zodat verweerder niet bevoegd was tot intrekking van de verblijfsvergunningen, volgt de rechtbank dit betoog niet. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de verblijfsvergunningen zijn verleend op naam van de door eisers opgegeven (valse) identiteiten [eiser] , geboren op [geboortedatum] , van Iraakse nationaliteit, respectievelijk [eiseres] , geboren op [geboortedatum] , van Iraakse nationaliteit, terwijl dit niet hun echte identiteiten zijn. Anders dan eisers stellen zouden de verblijfsvergunningen niet als zodanig op die namen zijn verleend als verweerder vooraf had geweten dat dit onjuiste identiteiten waren en eisers, naar zij thans stellen, [eiser] , geboren op [geboortedatum] van Iraakse nationaliteit, respectievelijk [eiseres] , geboren op [geboortedatum] , van Iraakse nationaliteit zijn. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:66). De verwijzing van eisers naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 21 september 2020 (NL19.29648) gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op omdat deze uitspraak de strekking van voornoemde uitspraak van de Afdeling miskent. Daarbij merkt de rechtbank op dat verweerder tegen deze uitspraak op 23 oktober 2020 hoger beroep heeft ingesteld en dat de voorzieningenrechter van de Afdeling bij uitspraak van 2 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2590) bij wijze van voorlopige voorziening heeft bepaald dat verweerder geen nieuw besluit hoeft te nemen totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Het vertrouwensbeginsel 8. Eisers betogen dat zij zijn benadeeld door een jaren durende procedure over het rechtsherstel terwijl verweerder er al jarenlang van op de hoogte was dat zij onjuiste gegevens hebben verstrekt. De rechtbank begrijpt dit betoog van eisers aldus dat zij stellen dat zij er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat de aan hen verleende verblijfsvergunningen asiel niet zouden worden ingetrokken. Dit betoog van eisers faalt. Zoals verweerder in het verweerschrift terecht heeft overwogen is er aan eisers nimmer een concrete en ondubbelzinnige toezegging gedaan door een bevoegd persoon dat er niet meer tot intrekking van de verblijfsvergunningen zou worden overgegaan. Voorts overweegt de rechtbank dat een vreemdeling die op basis van onjuiste of onvolledige informatie rechten verwerft, er steeds rekening mee moet houden dat op enig moment rechtsherstel kan plaatsvinden. Hoewel zich zodanige feiten en/of omstandigheden kunnen voordoen dat de desbetreffende vreemdeling er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat een verleende verblijfsvergunning niet zal worden ingetrokken, is de rechtbank van oordeel dat dergelijke feiten en/of omstandigheden zich in het onderhavige geval niet voordoen. De lange duur van de procedure – waarvoor verweerder deels verantwoordelijkheid heeft erkend en excuses heeft aangeboden – is in dit verband onvoldoende. De actuele schending van het Vluchtelingenverdrag / het actuele reële risico op ernstige schade - Het nieuwe asielrelaas 9. Eisers hebben verklaard dat hun oorspronkelijke asielrelaas niet juist is, maar dat er andere redenen waren om Irak te verlaten. Over de werkelijke reden van hun vertrek hebben zij verklaard dat zij behoren tot een welgestelde [naam 20] familie van Koerdische afkomst. Eiser is het stamhoofd van de [stam] in [woonplaats 1] . In de jaren ’70 steunde eiser [naam 2] in zijn wens voor een onafhankelijk Koerdistan, maar dit resulteerde in een vlucht naar Iran. In 1975 keerden eiser en zijn familie terug naar Irak en hebben zij besloten het regime van [naam 3] niet meer te bestrijden. Toen [naam 4] een partij wilde opstarten voor een vrij Koerdistan, heeft het gezin van eiser geweigerd mee te vechten. De Koerden verwijten eisers dan ook te hebben samengewerkt met [naam 3] . Eisers familie had (sinds begin jaren ’80) contact met hooggeplaatste personen uit de kring van [naam 3] , waaronder [naam 5] , de persoonlijke beveiliger van [naam 3] . Eiser kreeg hierdoor veel opdrachten in de bouw, maar hierdoor was het gezin bij niemand populair. Niet bij de Koerden omdat zij vanwege hun steun aan [naam 3] werden gezien als verraders, niet bij de shi’ieten omdat zij Koerden zijn en [naam 3] steunden, maar ook niet bij de soennieten omdat zij Koerdisch en shi’iet zijn. Omdat de familie rijk is lopen eisers bij terugkeer gevaar te worden ontvoerd om losgeld, zeker nu de familie in Nederland woont. In de zienswijze hebben eisers gesteld dat er in 2003 en 2004 – na de val van [naam 3] – diverse bedreigingen zijn geweest, waaronder een kogelbrief en telefonische en op de muur geschreven bedreigingen, en dat is getracht de meisjes uit het gezin te ontvoeren. Vanwege de bedreigingen hebben eisers het land verlaten in september 2005. Zij zijn via Damascus in Syrië met een visum naar Nederland gevlucht. Ook na hun vlucht naar Nederland zijn er bedreigingen geuit jegens het gezin en toen hun zoon [naam 6] in 2006, 2011 en 2013 terugkeerde naar Irak, werd hij eveneens bedreigd. - Het standpunt van verweerder 10. Verweerder heeft in de bestreden besluiten beoordeeld of eisers aannemelijk hebben gemaakt dat er bij terugkeer naar hun land van herkomst een actuele schending van het Vluchtelingenverdrag zal plaatsvinden of dat er een actueel reëel risico wordt gelopen op ernstige schade. Verweerder is daarbij uitgegaan van de identiteit zoals door hen in tweede instantie naar voren is gebracht, te weten: [eiser] , geboren op [geboortedatum] , van Iraakse nationaliteit, respectievelijk [eiser] , geboren op [geboortedatum] , van Iraakse nationaliteit. 11. Verweerder volgt eisers in hun verklaringen dat zij behoren tot de [stam] (een [naam 20] Koerdische stam), dat eiser de stamleider is en dat de familie van eiser welgesteld is. Verweerder volgt eisers ook in hun verklaringen dat de familie oorspronkelijk afkomstig is uit [woonplaats 2] in de provincie [plaats] (tegen de Iraanse grens) en heeft verbleven in Bagdad, waar de familie onroerend goed bezit. Tevens volgt verweerder eisers in hun verklaringen dat hun familie op enig moment in Irak contact onderhield met hooggeplaatste personen binnen het vroegere regime van [naam 3] . De door eisers en zijn familie gestelde gebeurtenissen – te weten de (vanaf 2003) ondervonden bedreigingen omdat zij werden gezien als collaborateurs – acht verweerder niet geloofwaardig. Aan dit standpunt heeft verweerder meerdere argumenten ten grondslag gelegd. Volgens verweerder doet de omstandigheid dat eisers in de vorige procedure onjuiste gegevens hebben verstrekt ernstig afbreuk aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van eisers. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat van eisers – zeker gelet op de eerder verstrekte onjuiste gegevens – wordt verwacht dat zij hun verklaringen over hun ‘nieuwe’ asielrelaas (de bedreigingen) onderbouwen met documenten, maar dat deze documenten ontbreken. Tevens heeft verweerder gemotiveerd uiteengezet dat de wel overgelegde documenten, welke documenten wijzen op verblijf en bezit van onroerend goed in Bagdad, alsmede op contact met hooggeplaatste personen binnen het vroegere regime van [naam 3] , de verklaringen van eisers over de gestelde bedreigingen (vanaf 2003) geenszins onderbouwen. Gelet hierop wordt er geen geloof gehecht aan de enkele verklaringen van eisers hierover. 12. De wél geloofwaardig geachte elementen kwalificeren volgens verweerder niet tot vluchtelingschap of ernstige schade omdat de daaraan ontleende vermoedens over wat hen bij terugkeer te wachten staat niet aannemelijk zijn te achten. Om die reden bestaat er volgens verweerder geen grond eisers wegens een actuele schending van het Vluchtelingenverdrag of een actueel reëel risico op ernstige schade in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. - Het oordeel van de rechtbank a. a) De geloofwaardigheid van de relevante elementen van het asielrelaas 13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich met het vorenstaande niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door eisers (vanaf 2003) ondervonden bedreigingen, omdat zij werden gezien als collaborateurs, niet geloofwaardig zijn te achten. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat in de beroepsgronden een gemotiveerde betwisting van verweerders standpunt aangaande de (on)geloofwaardigheid van de door eisers gestelde bedreigingen ontbreekt. Eisers hebben in hun beroepsgronden wel betoogd dat hun verklaringen consistent zijn en overeenkomen met hetgeen bekend was over de destijds geldende veiligheidssituatie in Irak, maar dit betoog kan niet worden aangemerkt als een gemotiveerde betwisting van verweerders standpunt. De stelling van eisers dat de verklaringen over de positie van de familie en over de bedreigingen dienen te worden betrokken bij de beoordeling van het risico op vervolging en ernstige schade nu, ziet ook niet op dit standpunt maar gaat juist uit van de geloofwaardigheid van de bedreigingen. Deze stelling kan daarom evenmin worden gezien als een gemotiveerde betwisting van verweerder standpunt over de (on)geloofwaardigheid van de door eisers gestelde bedreigingen. 14. Dat het volgens eisers bevreemding wekt dat verweerder hun verklaringen niet geloofwaardig acht aangezien verweerder het relaas van hun zoon [naam 6] over de positie van de familie onder [naam 3] wel geloofwaardig heeft geacht, kan eisers evenmin baten. Immers, zoals verweerder heeft aangegeven is [naam 6] destijds uitsluitend gevolgd in zijn verklaring dat er sprake is van een goede maatschappelijke positie, niet in zijn verklaring dat de Koerden hem en zijn familie zien als verraders. Bovendien stelt de rechtbank vast dat de asielaanvraag van [naam 6] , welke aanvraag destijds ook is afgewezen, dateert uit 1997, zodat hetgeen daaraan ten grondslag is gelegd niet kan dienen ter onderbouwing van de gestelde bedreigingen die eisers zouden hebben ondervonden vanaf 2003. 15. Eisers hebben voorts gesteld dat zij door verweerder zijn benadeeld in hun bewijsmogelijkheden. Immers, de informatie die zij al in 2013 hebben ingebracht met betrekking tot de door hen ondervonden bedreigingen, bestaande uit een verwijzing naar een YouTube-filmpje waaruit volgens eisers blijkt dat hun landgoed in brand werd gestoken en de familie werd bedreigd, was anno 2019 niet meer te bekijken. Dit dient voor rekening en risico van verweerder te komen, aldus eisers. De rechtbank volgt dit betoog van eisers niet. Hoewel aan eisers kan worden toegegeven dat het aan verweerder is om gesteld bewijsmateriaal zo spoedig mogelijk te bekijken, is het ook aan eisers om dergelijk bewijsmateriaal direct veilig te stellen. Gesteld noch gebleken is dat dit niet mogelijk was bij het hier bedoelde YouTube-filmpje. Nu dit YouTube-filmpje niet (meer) kan worden bekeken, kan het voorts niet dienen als gemotiveerde betwisting van verweerders standpunt over de (on)geloofwaardigheid van de door eisers gestelde bedreigingen. b) De aannemelijkheid van de vermoedens bij terugkeer 16. Ten aanzien van de geloofwaardig geachte elementen heeft verweerder beoordeeld of de daaraan ontleende vermoedens over wat eisers bij terugkeer staat te wachten, aannemelijk zijn te achten. Verweerder heeft die vraag ontkennend beantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op dit standpunt gesteld. Dat eisers behoren tot de [naam 20] Koerdische [stam] , is op zichzelf ontoereikend nu niet blijkt dat om die reden sprake is (geweest) van op de persoon van eisers gerichte negatieve aandacht in Irak. De aanwezigheid van sektarisch geweld in Irak laat voorts onverlet dat eisers onvoldoende hebben geïndividualiseerd dat juist zij vanwege het behoren tot de [naam 20] Koerdische [stam] persoonlijk iets te vrezen hebben bij terugkeer. 17. Ook is onvoldoende geïndividualiseerd dat eisers bij terugkeer te vrezen hebben voor problemen, waaronder ontvoering, omdat zij behoren tot een welgestelde familie en veel landgoed bezitten. De enkele stelling van eisers dat zij die vrees hebben is onvoldoende in dit verband. Dat het in Irak voorkomt dat personen die behoren tot een welgestelde familie worden ontvoerd, is eveneens onvoldoende omdat daaruit niet volgt dat juist eisers hiervoor persoonlijk hebben te vrezen. 18. Bovendien heeft als contra-indicatie voor de gestelde vrees te gelden dat eisers zonen [naam 6] en [naam 7] vanuit Nederland meerdere keren weloverwogen zijn teruggekeerd naar Irak en daarbij kennelijk geen problemen hebben ondervonden. Zo is eisers zoon [naam 6] in 2011 en 2013 teruggekeerd naar Irak terwijl hun zoon [naam 7] in ieder geval in 2012 is teruggekeerd naar Irak en in 2019 heeft geprobeerd om via Duitsland terug te keren naar Irak. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze reisbewegingen niet zijn te rijmen met eisers gestelde vrees voor vervolging en/of ernstige schade bij terugkeer. Hieraan doet niet af dat zoon [naam 7] heeft gesteld vermomd en niet onder zijn eigen naam naar Irak te zijn gereisd. Ook de stelling dat [naam 7] naar Irak is gegaan om te proberen zijn huizen te verkopen zodat hij met het geld in Nederland een eigen bedrijf kon opzetten omdat hij in Nederland geen werk kon vinden, doet aan het vorenstaande niet af. Indien immers daadwerkelijk sprake zou zijn van een objectieve vrees voor vervolging en/of ernstige schade bij terugkeer valt geenszins in te zien dat [naam 7] om deze reden een dergelijk groot risico zou nemen door terug te keren naar het land waar hij stelt voor vervolging en/of ernstige schade te vrezen. Het komt de rechtbank daarbij niet aannemelijk voor dat met de gestelde vermomming deze objectieve vrees zou zijn weggenomen, te meer niet nu het gestelde doel van deze reizen, namelijk de verkoop van onroerend goed in Irak, een direct verband legt met de daadwerkelijke identiteit van zoon [naam 7] . De stelling dat [naam 7] uitsluitend in Koerdistan is gebleven waar het gevaar minder groot was dan in Bagdad, kan eisers evenmin baten, nu dit betoog juist niet valt te rijmen met het betoog van eisers dat zij bij terugkeer naar Irak, ook in Koerdistan, een objectieve vrees voor vervolging en/of ernstige schade hebben. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de stelling van eisers dat [naam 7] in Koerdistan is herkend door een kennis uit Bagdad waarna hij is bedreigd, op geen enkele wijze nader is onderbouwd, zodat dit betoog niet zonder meer kan worden gevolgd. 19. Verder heeft in dit verband nog te gelden dat eisers zoon [naam 7] over zijn reisbewegingen naar Irak informatie heeft achtergehouden en geen volledige openheid van zaken heeft gegeven. Zo heeft [naam 7] bij zijn poging om op 12 januari 2019 via de luchthaven van Düsseldorf naar Irak te reizen tegenover de Bundespolizei in strijd met de waarheid verklaard dat hij toestemming heeft van de Nederlandse autoriteiten om wegens vakantie naar Irak te reizen. Daarnaast heeft [naam 7] op zijn Nederlandse reisdocument vier Nederlandse postzegels geplakt om (andere) Iraakse stempels te verbloemen. De verklaringen van [naam 7] hieromtrent, namelijk dat hij toestemming had van zijn uitkeringsinstantie om wegens vakantie naar Irak te reizen en dat hij de postzegels op zijn Nederlandse reisdocument heeft geplakt omdat de pagina was gescheurd en hij wilde voorkomen dat het paspoort verder beschadigd werd, kunnen niet zonder meer worden gevolgd. Hierbij acht de rechtbank van belang dat in [naam 7] reisdocument expliciet staat vermeld dat dit reisdocument niet geldt voor Irak, zodat verwarring op dit punt niet aannemelijk is. Daarnaast heeft verweerder [naam 7] verklaringen over de postzegels niet aannemelijk kunnen achten, nu deze gang van zaken de rechtbank zeer onwaarschijnlijk voorkomt. Met betrekking tot eisers betoog dat [naam 7] uitreis in 2019 een niet gerichte wanhoopsdaad betrof en de stelling dat [naam 7] lijdt aan vermijdingsgedrag en daarom dingen zegt die niet kloppen, constateert de rechtbank dat deze stellingen niet zijn onderbouwd met medische stukken. Dat [naam 7] in zijn procedure wel heeft onderbouwd dat hij psychische klachten heeft in het kader van een posttraumatische stressstoornis bij een persoonlijkheidsstoornis, onderbouwt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat [naam 7] als gevolg hiervan onjuiste verklaringen zou afleggen. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder in zijn besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met de (gestelde) persoonlijke omstandigheden van [naam 7] . 20. De overgelegde documenten die wijzen op verblijf en bezit van onroerend goed van eisers in Irak, leiden naar het oordeel van de rechtbank evenmin tot de conclusie dat eisers bij terugkeer naar Irak in de negatieve belangstelling staan. Deze documenten bevatten daarover immers geen informatie. 21. Tot slot kan ook de omstandigheid dat eisers familie op enig moment in Irak contact onderhield met hooggeplaatste personen binnen het vroegere regime van [naam 3] niet leiden tot de conclusie dat eisers op dit moment als verdragsvluchteling moeten worden aangemerkt of dat er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat eisers bij uitzetting een reëel risico lopen op ernstige schade. Eisers hebben weliswaar foto’s en (originele) wapenvergunningen overgelegd waarmee zij hun bijzondere positie in Irak ten tijde van het regime van [naam 3] willen onderbouwen, maar deze documenten leiden om de navolgende redenen niet tot een ander oordeel. Voor zover van de juistheid en echtheid van deze documenten moet worden uitgegaan onderbouwen deze documenten uitsluitend het contact dat er op enig moment is geweest tussen de familie van eiser en hooggeplaatste personen binnen het vroegere regime van [naam 3] en dat eisers destijds bepaalde privileges hadden. Eisers hebben hiermee echter niet aannemelijk gemaakt dat zij op dit moment met het voormalige regime van [naam 3] worden geassocieerd en dat zij om die reden bij terugkeer persoonlijk gevaar lopen. Daarbij is tevens van belang dat eisers niet hebben onderbouwd en geconcretiseerd op welke wijze en door wie de familie thans wordt geassocieerd met het voormalige regime van [naam 3] en dat de familie van eisers daarom in de bijzondere negatieve belangstelling staat. Daarnaast is van belang dat eisers slechts in algemene bewoordingen hebben verklaard over milities die huizen in Bagdad hebben afgepakt, maar eisers hebben niet geconcretiseerd welke milities dat zijn en waarom juist hun huizen zijn afgepakt. 22. De geloofwaardig geachte elementen leiden daarom op zichzelf bezien, maar ook in onderlinge samenhang bezien en in het licht van de aangehaalde landeninformatie over de situatie in Irak, niet tot de conclusie dat eisers aannemelijk hebben gemaakt dat zij verdragsvluchteling zijn of gegronde redenen hebben om aan te nemen dat zij bij uitzetting een reëel risico lopen op ernstige schade. Artikel 8 van het EVRM - Het standpunt van verweerder 23. Verweerder stelt zich in zijn besluitvorming op het standpunt dat er geen sprake is van strijd met artikel 8 van het EVRM. Verweerder stelt daartoe dat wordt aangenomen dat er sprake is van gezinsleven tussen eisers onderling, maar dat de gezinsleden niet zullen worden gescheiden. Reden hiervoor is dat zowel de vergunning van eiser als de vergunning van eiseres wordt ingetrokken en de intrekking voor allebei een terugkeerplicht behelst. Ten aanzien van zoon [naam 7] neemt verweerder geen familie- en gezinsleven aan. Om familieleven aan te nemen tussen meerderjarige kinderen en hun ouders moet sprake zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Eisers hebben volgens verweerder onvoldoende onderbouwd dat daarvan sprake is. De enkele stelling dat eisers en [naam 7] sinds 2005 samen veel hebben meegemaakt acht verweerder onvoldoende. Bovendien wordt ook de verblijfsvergunning van [naam 7] ingetrokken, zodat ook met betrekking tot [naam 7] sprake is van een gezamenlijke ontzegging van verblijf hier te lande, aldus verweerder. 24. Met betrekking tot de overige familieleden van eisers die woonachtig zijn in Nederland, zoals zoon [naam 6] en de dochters van [naam 6] , neemt verweerder evenmin familie- en gezinsleven aan. Volgens verweerder is gesteld noch gebleken dat er met betrekking tot hen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. De enkele betwisting hiervan, zonder nadere onderbouwing, acht verweerder onvoldoende om alsnog familie- en gezinsleven aan te nemen. 25. Voor wat betreft het privéleven van eisers stelt verweerder zich op het standpunt dat het aannemelijk is dat eisers de afgelopen twaalf jaar privéleven in Nederland hebben opgebouwd. Van een inmenging in dit privéleven is volgens verweerder echter geen sprake. De vergunningen worden immers ingetrokken omdat er door eisers onjuiste gegevens over (onder andere) de identiteit zijn verstrekt. Er is daarom sprake van rechtsherstel, wat betekent dat ervan uit wordt gegaan dat eisers tijdens hun verblijf in Nederland niet in het bezit waren van een vergunning die hen in staat stelde tot het opbouwen van privéleven. Dit weegt bij de belangenafweging sterk in het nadeel van eisers. Ook als er geen sprake is van inmenging kan er echter op verweerder een verplichting rusten om een reguliere verblijfsvergunning aan eisers te verstrekken. Dit is het geval wanneer de belangenafweging in het voordeel van eisers dient uit te vallen. Daarvan is volgens verweerder geen sprake. Verweerder stelt in dit kader dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan dat van eisers. Hierbij weegt verweerder mee dat eisers er bewust voor hebben gekozen de Nederlandse overheid te misleiden. Eisers wisten of behoorden te weten dat het leven op basis van die vergunning een wankele basis had en dat op elk moment rechtsherstel zou kunnen plaatsvinden. Verder is niet gebleken dat in het geval van eisers sprake is van banden met Nederland die de normale banden die ontstaan door een verblijf van twaalf jaar in Nederland overstijgen. Om die reden zijn deze banden niet doorslaggevend bij de belangenafweging. Tot slot stelt verweerder dat eisers geacht worden in Irak opnieuw een privéleven op te kunnen bouwen. Dat eisers een respectabele leeftijd hebben bereikt betekent niet dat dit niet van eisers verwacht mag of kan worden. Hierbij is van belang dat eisers het grootste deel van hun leven in Irak hebben gewoond en dat er op dit moment nog familie in Irak woonachtig is. Verder kunnen vriendschappen en familierelaties met behulp van moderne communicatiemiddelen ook op afstand worden onderhouden en kunnen eisers buiten Nederland voor kortere of langere tijd worden bezocht door vrienden en familie. Van objectieve belemmeringen om het privéleven elders op te bouwen is verweerder niet gebleken. 26. Met betrekking tot het tijdsverloop stelt verweerder zich op het standpunt dat, voor zover eisers menen dat verweerder niet voldoende voortvarend heeft gehandeld in de intrekkingsprocedure, het enkele tijdsverloop onvoldoende is om te spreken van zodanig bijzondere feiten en/of omstandigheden dat eisers er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat een verleende vergunning niet wordt ingetrokken. Er zijn aan eisers nimmer concrete toezeggingen gedaan dat de onjuiste gegevensverstrekking niet zal leiden tot het intrekken van de verblijfsvergunningen. De rechtbank begrijpt dit standpunt aldus dat het tijdsverloop niet dusdanig zwaar weegt dat dit moet opwegen tegen het hiervoor uiteengezette belang van verweerder en dat reeds hierin aanleiding zou moeten worden gezien om aan eisers een reguliere verblijfsvergunning te verlenen. - Het standpunt van eisers 27. Naar de rechtbank begrijpt voeren eisers in beroep aan dat de terugkeer naar Irak in strijd is met hun recht op privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM, zodat verweerder ten onrechte heeft nagelaten aan hen een reguliere verblijfsvergunning te verstrekken. Onder verwijzing naar het arrest van het EHRM van 6 februari 2001 in de zaak [naam 13] tegen het Verenigd Koninkrijk (ECLI:CE:ECHR:2001:0206JUD004459998) stellen eisers in dit verband dat een terugkeer naar Irak hun geestelijke en lichamelijke gezondheid ernstig zou verstoren en verslechteren. Verweerder heeft hiermee in het kader van de toets aan artikel 8 van het EVRM onvoldoende rekening gehouden. Daarnaast hebben eisers erop gewezen dat zij inmiddels twaalf jaar in Nederland verblijven en dat verweerder ruim vier jaar heeft gewacht voordat een beslissing tot intrekking werd genomen. Dat verweerder zeer lang heeft gedaan over de behandeling van hun zaak, ligt in de risicosfeer van verweerder en kan niet aan eisers worden tegengeworpen. Bovendien zijn door hun slechte gezondheid banden in Nederland opgebouwd en zijn de banden in Irak verzwakt. Met betrekking tot het stilzitten van de autoriteiten verwijzen eisers naar de arresten [naam 8] tegen Noorwegen van 4 december 2012, (ECLI:CE:ECHR:2012:1204JUD004701709), [naam 9] tegen Frankrijk van 10 juli 2014 (ECLI:CE:ECHR:2014:0710JUD005270109), [naam 10] tegen Noorwegen van 24 juli 2014 (ECLI:CE:ECHR:2014:0724JUD003250411), [naam 11] tegen Nederland van 3 oktober 2014 (ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810) en [naam 12] tegen Noorwegen van 28 juni 2011 (ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD005559709). Uit al deze arresten blijkt dat het stilzitten van de autoriteiten een rol speelt in de belangenafweging en in het voordeel van de vreemdeling werkt, aldus eisers. - Het oordeel van de rechtbank 28. Nu uit de hiernavolgende overwegingen volgt dat de bestreden besluiten worden vernietigd vanwege een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek in verweerders beoordeling van het uitstel van vertrek, staat thans nog niet vast dat eisers daadwerkelijk Nederland zullen verlaten. Dit betekent dat op dit moment evenmin kan worden vastgesteld dat sprake is van een gezamenlijke ontzegging van het verblijf van eisers hier te lande. Verweerders standpunt dat vanwege een gezamenlijke ontzegging van verblijf in Nederland er geen sprake zal zijn van een scheiding van de gezinsleden, is bij deze stand van zaken dan ook niet houdbaar. Reeds om die reden ontberen de bestreden besluiten ook met betrekking tot de beoordeling van artikel 8 van het EVRM een deugdelijke motivering, zodat de bestreden besluiten ook om die reden moeten worden vernietigd. Onder deze omstandigheden komt de rechtbank niet toe aan hetgeen eisers overigens hebben aangevoerd met betrekking tot deze beoordeling door verweerder. 29. Gelet op het voorgaande zal verweerder bij de nieuw te nemen besluiten opnieuw moeten beoordelen of er aan eisers ambtshalve reguliere vergunningen moeten worden verleend wegens strijd met artikel 8 van het EVRM. Daarbij zal verweerder tevens dienen in te gaan op de stelling van eisers dat verweerder, gelet op het arrest [naam 13] , bij de toets aan artikel 8 van het EVRM onvoldoende rekening heeft gehouden met de gezondheidssituatie van eisers. Uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 30. Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder in de medische situatie van eisers aanleiding had moeten zien om aan eisers uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vw 2000. - De BMA-adviezen van 16 september 2019 31. Op verzoek van verweerder heeft het Bureau Medische Advisering (BMA) op 16 september 2019 adviezen uitgebracht. 32. Met betrekking tot eiser heeft het BMA in het advies aangegeven dat uit informatie van de behandelaars is gebleken dat bij eiser sprake is van een status na een aortaklepvervanging met op dat moment geen cardiale klachten of bijzonderheden. Daarnaast is bij eiser sprake van suikerziekte, hoge bloeddruk en hoog cholesterol, obstipatie en een wankele balans dan wel minder goed ter been zijn. Eiser ontvangt een behandeling in verband met deze klachten. Zo staat eiser onder jaarlijkse controle van de cardioloog en wordt hij voor zijn overige klachten door de huisarts behandeld. Omdat betrokkene een kunstklep heeft, gebruikt hij antistolling. In totaal gebruikt eiser zes soorten medicatie. Naar verwachting is de behandeling die eiser ontvangt van blijvende aard. De BMA-arts verwacht bij het uitblijven van behandeling een medische noodsituatie op korte termijn omdat in dat geval de bloeddruk zal stijgen en de bloedsamenstelling zal wijzigen, wat de kans op ‘stolsels’ rondom de vervangen klep sterk zal verhogen. Dit kan leiden tot een CVA (beroerte) met mogelijk dodelijke afloop. Ook zal het hart sowieso zwaarder belast worden en dat kan, al dan niet in combinatie met het voorgaande, leiden tot een hartinfarct. Verder verwacht de BMA-arts een beperkte stijging van de bloedsuikerwaarde, hetgeen op korte termijn geen ernstige gevolgen heeft maar op langere termijn wel de kans op complicaties verhoogt. Tot slot vermeldt het advies dat bij het uitblijven van een behandeling eiser meer last zal krijgen van obstipatie en mogelijk ook maagklachten zal krijgen. Uit het advies blijkt verder dat behandeling in Irak aanwezig is, zodat een medische noodsituatie op korte termijn kan worden voorkomen. In dat kader noemt de BMA-arts dat voor de hartklachten in Bagdad behandeling van een cardioloog mogelijk is en dat eiser voor zijn andere klachten in Bagdad kan worden behandeld door een internist. Ook zijn de door eiser gebruikte medicijnen of alternatieven daarvoor in Bagdad verkrijgbaar. Volgens de BMA-arts is eiser in staat om met een rolstoel te reizen. Verder wordt aanbevolen dat eiser een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt, om de medicatie te continueren tijdens de reis en om voldoende medicatie mee te nemen ter overbrugging van de reis. 33. Met betrekking tot eiseres heeft het BMA in het advies aangegeven dat uit informatie van de huisarts is gebleken dat eiseres bekend is met een aantal kleinere kwalen. Het gaat daarbij om schouderklachten rechts, vitamine D tekort, droge ogen, maagklachten en door haar omgeving is gemeld dat ze vaak vergeetachtig/verward zou zijn. Eiseres staat in verband met deze klachten onder behandeling van de huisarts en is voor haar schouderklachten verwezen naar een orthopedisch chirurg. Eiseres gebruikt in totaal vier soorten medicatie en naar verwachting zal eiseres blijvend huisartsgeneeskundige zorg behoeven. De BMA-arts verwacht bij het uitblijven van behandeling geen medische noodsituatie op korte termijn omdat de te verwachten gevolgen beperkt zijn. Zo zal eiseres naar verwachting nog meer pijnklachten krijgen van haar rechterschouder. Verder zal ze last krijgen van droge ogen en mogelijk ook wat meer maagklachten krijgen. Verder geeft een vitamine D tekort op afzienbare termijn, behoudens mogelijk vermoeidheid, geen klachten. Volgens de BMA-arts is eiseres in staat om te reizen en zijn daarbij geen medische voorzieningen aangewezen. Wel wordt aanbevolen dat eiseres een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt, om de medicatie te continueren tijdens de reis en om voldoende medicatie mee te nemen ter overbrugging van de reis. - Het standpunt van verweerder in de bestreden besluiten 34. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder aan eisers geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 verleend. Daarbij heeft verweerder verwezen naar de BMA-adviezen van 16 september 2019. Verder heeft verweerder overwogen dat het aan eisers is om aannemelijk te maken dat de noodzakelijke zorg in Irak voor hen niet toegankelijk is. Hierin zijn eisers volgens verweerder niet geslaagd. Met betrekking tot het beroep van eisers op het arrest C.K. tegen Slovenië van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 16 februari 2017 (ECLI:EU:C:2017:127) (het arrest CK), stelt verweerder dat de beoordeling of de uitzetting van eisers kan leiden tot een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM dient plaats te vinden in het kader van de te stellen reisvoorwaarden. In het geval van eiser zijn er reisvoorwaarden gesteld, zodat de beoordeling die voortvloeit uit het a
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...