ECLI:NL:RBDHA:2021:10504
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2021-03-12
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asielaanvraag Iraakse man/ herhaalde aanvraag / doopakte geen nieuw element of bevinding / beroep ongegrond
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL21.2621 (beroep) en NL21.2622 (voorlopige voorziening) proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser), [V-Nummer] (gemachtigde: mr. T. Thissen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Oba). Procesverloop Bij besluit van 17 februari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet- ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verder heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek op de zitting van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft plaatsgevonden op 8 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen F. Haloob. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank: In de zaak met nummer NL21.2621: - verklaart het beroep ongegrond. In de zaak met nummer NL21.2622: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Overwegingen 1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering. 2. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1997. 3. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren, omdat eiser geen relevante nieuwe elementen of bevindingen in de zin van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Eiser heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij is gedoopt. Volgens eiser is de doopakte die hij heeft overgelegd een nieuw element of een nieuwe bevinding. 4. De rechtbank is het niet met eiser eens. Eiser heeft zelf verklaard dat hij niet is bekeerd tot het christendom en dat hij de doopakte alleen heeft gebruikt om opnieuw asiel te kunnen krijgen. Daarmee valt weg wat eiser aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Eiser betoogt vervolgens dat niet uitgesloten is dat hij in het geval van terugkeer naar Irak te vrezen heeft voor vervolging omdat hem ten onrechte een bekering tot het christendom wordt toegedicht. Volgens de rechtbank is dat een aanname die niet nader is onderbouwd. Op de zitting heeft eiser naar voren gebracht dat zijn vader misschien aan de rest van eisers familie zal vertellen dat hij is gedoopt en dat hij om die reden vreest om terug te keren naar Irak. Eiser heeft de vrees in de zin van artikel 3 van het EVRM echter niet concreet gemaakt. Ook heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat hij niet te vrezen heeft voor zijn familie. Eiser heeft op de zitting ook naar voren gebracht dat hij een asielvergunning wil krijgen omdat hij in Irak geen ontwikkeling of verandering ziet en zich daar niet verder kan ontplooien. De rechtbank begrijpt dat maar dat is geen reden om een asielvergunning te krijgen. 5. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd die relevant kunnen zijn voor de beoordeling daarvan. Ook is niet gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 83.0a van de Vw die maken dat de rechtbank het bestreden besluit moet toetsen als ware het de afwijzing van een eerste aanvraag. Verweerder heeft eisers opvolgende asielaanvraag dan ook niet-ontvankelijk mogen verklaren. 6. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Dat verzoek wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2021 door mr. A.K. Mireku, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R.S.H.M. Hussien, griffier. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op 12 maart 2021 Mr. A.K. Mireku R.S.H.M. Hussien Rechter Griffier Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarbij is beslist op het beroep, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Vreemdelingenwet 2000. drag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...