ECLI:NL:RBDHA:2020:7040
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2020-07-27
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Kwaliteit individuele ambtsberichten onder de maat – minnelijke regeling niet tot stand gekomen – procedure in eerste aanleg duurt inmiddels ruim vier en een half jaar – toerekenbare overschrijding van de redelijke termijn- – rechtbank wacht gereedkomen derde individueel ambtsbericht niet af. Eisers zijn een (inmiddels 87-jarige) moeder en zoon afkomstig uit Syrië en hebben op 12 november 2015 asiel aangevraagd. Eisers hebben de Syrische nationaliteit. De zus/dochter van eisers heeft in haar eerste asielgehoor in maart 1999 verklaard dat eiseres ook de Libanese nationaliteit heeft en eiser een verblijfsvergunning voor Libanon heeft gehad. Op grond van deze verklaring stelt verweerder zich op het standpunt dat sprake is van misleiding. Verweerder schakelt het Ministerie van Buitenlandse Zaken in om twee individuele ambtsberichten uit te brengen. De kwaliteit van het door Buiza verrichte onderzoek en de daarop gebaseerde conclusies is dermate onder de maat dat ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting - 4 jaar, 7 maanden en 11 dagen nadat eisers in Nederland bescherming hebben gevraagd vanwege hun situatie in Syrië - verweerder zijn standpunt dat eisers de Libanese nationaliteit dan wel een verblijfsrecht in Libanon hebben (gehad) op geen enkele wijze kan onderbouwen. De conclusies uit het eerste ambtsbericht zijn geheel weerlegd door de inhoud van het tweede ambtsbericht. Het tweede ambtsbericht is gebaseerd op een verblijfsdocument dat niet op naam van eiser is gesteld. Eiseres heeft bovendien concrete aanknopingspunten voor twijfel geleverd voor zover dit tweede ambtsbericht op haar ziet. Verweerder heeft inmiddels opdracht gegeven aan Buiza om een derde individueel ambtsbericht op te maken. De redelijke termijn voor de behandeling van deze zaken is reeds ruimschoots overschreden door de wijze waarop verweerder de zaken heeft behandeld. De rechtbank wacht de uitkomsten van dit derde ambtsbericht, waarvan in het geheel niet duidelijk is wanneer dit gereed zal zijn en waarvan de uitkomst ongewis is, niet af. Op grond van de thans beschikbare processtukken kan verweerder zijn besluiten niet repareren met een nadere motivering. De rechtbank heeft met partijen daarom de mogelijkheden om tot een minnelijke regeling te komen verkend en heeft ter zitting een voorlopig oordeel gegeven. Verweerder is hiertoe niet bereid en heeft de rechtbank verzocht uitspraak te doen. Verweerder krijgt een termijn van twee weken om opnieuw op de aanvragen te beslissen. Verweerder hoeft enkel te beslissen of een rechtsmiddel wordt ingesteld of dat aan eisers het voordeel van de twijfel wordt gegund en hun aanvragen op grond van de situatie in Syrië worden ingewilligd.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummers: AWB 17/7815 en AWB 17/7820 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2020 in de zaak tussen [eiseres] , geboren op [geboortedag] 1933, (V-nr. [V-nummer] , zaaknummer AWB 17/7815), eiseres, en [eiser] , geboren op [geboortedag] 1963, (V-nr. [V-nummer] , zaaknummer AWB 17/7820) eiser, tezamen: eisers, (gemachtigde: mr. P.H. Hillen) en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,, verweerder (gemachtigde: mr. J. R. Toussaint). Procesverloop Op 12 november 2015 hebben eisers een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Bij afzonderlijke besluiten van 7 april 2017 zijn deze aanvragen tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw 2000 juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw 2000. Tevens is bepaald dat eisers een vertrektermijn van 0 dagen krijgen en is aan hen een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Verweerder heeft zich bij deze besluiten gebaseerd op de inhoud van een door het Ministerie van Buitenlandse Zaken (hierna: Buiza) op 23 januari 2017 uitgebracht individueel ambtsbericht met kenmerk BEI160624.0027(hierna: “eerste IAB”) . Op 10 april 2017 hebben eisers beroep ingesteld tegen deze besluiten. De rechtbank heeft Buiza per brief van 1 mei 2017 verzocht de stukken die ten grondslag liggen aan het eerste IAB toe te sturen. Buiza heeft bij brief van 9 mei 2017 aan de rechtbank medegedeeld dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van de volledige inhoud, te weten een memorandum van 24 juni 2016 van Cluster Ambtsberichten en Terugkeer (CAT) aan de Chef de Poste van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden (AKN) te Beiroet en een onderzoeksverslag van 11 januari 2017 van AKN te Beiroet aan CAT, omdat er gewichtige redenen bestaan die rechtvaardigen dat kennisneming van bepaalde gedeelten in deze stukken tot de rechtbank beperkt blijft. Deze redenen betreffen de bescherming van geraadpleegde bronnen en de gebruikte onderzoeksmethoden- en technieken. Eisers hebben aangegeven er geen bezwaar tegen te hebben dat slechts de rechtbank kennis zal nemen van de onderliggende stukken voor zover de rechtbank beperkte kennisname gerechtvaardigd acht. Die beperkte kennisname kan echter niet zo ver gaan dat zij geen kennis mogen krijgen van het familieregistratienummer en de plaats van registratie. De rechtbank heeft vervolgens op 7 september 2017 uitspraak gedaan op het verzoek ex artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en daarbij bepaald dat de beperking van de kennisneming van de vertrouwelijke gedeelten in het onderzoeksverslag van 11 januari 2017, voor zover betreffende het nummer van registratie en de plaats van registratie niet gerechtvaardigd is en dat de beperking van de kennisneming van de vertrouwelijke gedeelten van het memorandum van 24 juni 2016 en de overige gedeelten in het onderzoeksverslag van 11 januari 2017 gerechtvaardigd is. Bij brief van 10 oktober 2017 heeft verweerder vervolgens aangegeven de rechtbank geen toestemming te geven om de stukken te gebruiken bij de beoordeling van het beroep. Bij brief van 16 oktober 2017 heeft verweerder aangegeven dat zijn standpunt is gewijzigd ten aanzien van de kennisname van de stukken en heeft hij wel toestemming gegeven tot het gebruik van de stukken zoals bedoeld in de uitspraak van 7 september 2017 van de rechtbank. Bij brief van 18 december 2017 heeft verweerder aan eisers het registratienummer en de plaats van registratie verstrekt en daarmee uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 7 september 2017. Vervolgens hebben eisers bij brief van 8 maart 2018 een afschrift van het aanhangsel bij de Libanese Staatscourant overgelegd waaruit volgens eisers blijkt dat niet alle leden van de familie [naam] bij het decreet van 30 juni 1994 genaturaliseerd zijn. Ook hebben eisers in voornoemde brief aangegeven met dit uittreksel een bezoek aan de Libanese ambassade in Nederland te hebben gebracht met het verzoek uitsluitsel te geven of zij de Libanese nationaliteit bezitten. Bij brief van 14 september 2018 heeft verweerder de rechtbank bericht dat in overleg met Buiza is besloten een extra individueel ambtsbericht op te laten stellen en dat dit naar verwachting enkele maanden in beslag kan nemen. Bij brief van 1 november 2018 heeft verweerder de rechtbank bericht ter zitting te verschijnen en zijn standpunt in de besluiten te handhaven. Op 8 november 2018 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting in beide zaken aangevangen. Eiseres is niet verschenen. Zij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Eiser is wel verschenen en heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft na de aanvankelijke behandeling het onderzoek ter zitting op verzoek van beide partijen geschorst totdat alle onderzoeksresultaten waaronder een tweede individueel ambtsbericht en een contra-expertise gereed zouden zijn. De partijen zouden de rechtbank op de hoogte houden van eventuele ontwikkelingen in de zaken en op de hoogte brengen van de onderzoeksresultaten. Partijen hebben hierbij de verwachting uitgesproken dat de voortzetting van de behandeling ter zitting zou kunnen plaatsvinden in maart 2019. Op 15 april 2019 heeft verweerder de rechtbank geïnformeerd dat Buiza verweerder heeft bericht dat het onderzoek nog loopt en naar verwachting voor 20 juni 2019 zal zijn afgerond. Op 23 juli 2019 heeft verweerder de rechtbank geïnformeerd dat voornoemd onderzoek nog niet is afgerond, maar dat dit naar verwachting wel het geval zal zijn voor 20 september 2019. Op 23 september 2019 heeft verweerder de rechtbank geïnformeerd dat het onderzoek door Buiza tot op dat moment nog niet afgerond is maar naar verwachting spoedig gereed zal komen. Op 4 november 2019 heeft verweerder de rechtbank het tweede individuele ambtsbericht (hierna: “tweede IAB”) van 15 oktober 2019 met de onderliggende stukken als bijlagen gestuurd en de rechtbank bericht dat verweerder de inhoud van het individuele ambtsbericht gaat bestuderen en dat hij zich zal beraden over de vraag in hoeverre het individuele ambtsbericht van 15 oktober 2019 consequenties dient te hebben voor de bestreden besluiten. Op 5 november 2019 heeft gemachtigde van eisers de rechtbank bericht dat eisers ook bij intrekking van de bestreden besluiten verder willen procederen voor schadevergoeding. Op 29 november 2019 heeft gemachtigde van eisers het faxbericht van de ambassade van de Republiek Libanon in Den Haag van 12 november 2018 en pagina 798 van de bijlage bij het decreet van 30 juni 1994 inclusief beëdigde vertaling overgelegd. Tevens is namens eisers een vordering tot schadevergoeding ingesteld en is deze vordering nader onderbouwd. Op 20 december 2019 heeft de gemachtigde van eisers de rechtbank verzocht de zaak zo spoedig mogelijk op zitting te plaatsen omdat verweerder – blijkens de brief aan de rechtbank van 4 november 2019 – zich buigt over de herbeoordeling van de zaak maar er reeds anderhalve maand is verstreken waarin gemachtigde van eisers niets van verweerder heeft vernomen. Op 10 januari 2020 heeft gemachtigde van eisers de rechtbank bericht dat hij op 9 januari 2020 contact heeft gehad met gemachtigde van verweerder en dat die aangaf dat er door verweerder wederom een verzoek is neergelegd bij Buiza om (wederom) een individueel ambtsbericht uit te brengen en dat niet duidelijk is wanneer de uitkomsten van dit onderzoek bekend gemaakt zullen worden. Gelet op de duur van de beroepsprocedure verzoekt gemachtigde van eisers de rechtbank de zaken op zitting te plaatsen. Op 20 januari 2020 heeft verweerder de rechtbank op de hoogte gesteld van het volgende. Eerst bij faxbericht van 29 november 2019 is door de gemachtigde van eisers aan verweerder de brief van de Libanese autoriteiten van 12 november 2018 (met de volledige tekst) verzonden. Hierdoor heeft verweerder, die zich toen aan het beraden was over de duiding van het tweede IAB en de vraag of de inhoud hiervan eventueel consequenties zou moeten hebben voor de bestreden besluiten, zich vervolgens eerst informeel tot het Buiza moeten wenden met de vraag of deze brief aanleiding zou moeten zijn om opnieuw onderzoek in te stellen. Op 13 januari 2020 heeft gemachtigde van verweerder van zijn contactpersoon, die over deze zaken in contact is met Buiza bericht gekregen dat de zaken opnieuw aan dit Ministerie zullen worden voorgelegd voor het verrichten van onderzoek. Op 17 januari 2020 zijn de zaken opnieuw voorgelegd. Op 13 februari 2020 heeft verweerder de rechtbank een afschrift van zijn brief van deze datum aan gemachtigde van eisers doen toekomen. In deze brief vraagt verweerder aan gemachtigde van eisers om de correspondentie die is voorafgegaan aan de brief van de Libanese ambassade van 12 november 2018 en de daarin genoemde brief van 7 september 2018 aan verweerder te overleggen in het kader van een vlotte en voortvarende voortgang van het onderzoek. Op 12 maart 2020 heeft gemachtigde van eisers de rechtbank een brief gestuurd. Daarin heeft hij aangegeven dat verweerder wat betreft het individuele ambtsbericht van 15 oktober 2019 en de daarbij behorende bijlagen geen verzoek om geheimhouding heeft gedaan maar evenwel heeft nagelaten de in de tweede brief van Buiza genoemde bijlage, waarvan gemachtigde van eisers meent dat er in totaal drie moeten zijn, aan de rechtbank toe te zenden. Aangezien er geen verzoek ex artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht is gedaan heeft verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank heeft toegezonden. Op 17 maart 2020 heeft gemachtigde van verweerder ter voorbereiding op de zitting per brief aan de rechtbank zijn standpunt ten aanzien van de bestreden besluiten en ten aanzien van de door eisers verzochte schadevergoeding naar voren gebracht. Op 20 maart 2020 was de voortzetting van de behandeling ter zitting geagendeerd. Deze zitting heeft vanwege “corona-maatregelen” geen doorgang kunnen vinden. De rechtbank heeft in deze procedure een zitting waarbij beide partijen fysiek aanwezig konden zijn noodzakelijk geacht om de voortzetting van de behandeling op een kwalitatief voldoende goede wijze te kunnen vormgeven en hierbij de mogelijkheid om tot een minnelijke regeling te kunnen komen te verkennen. Zodra dit met inachtneming van de getroffen maatregelen ter voorkoming van verdere verspreiding van het coronavirus weer mogelijk was, heeft de rechtbank -in overleg met partijen- de nieuwe zittingsdatum bepaald op 2 juli 2020. Op 23 maart 2020 heeft gemachtigde van verweerder in reactie op de brief van gemachtigde van eisers van 12 maart 2020 bericht dat aan de rechtbank en aan eisers alle relevante stukken behorend bij het tweede IAB van oktober 2019 zijn toegezonden. Op 25 maart 2020 heeft gemachtigde van eisers de rechtbank een brief gestuurd. Daarin heeft hij aangegeven dat eisers kennis hebben genomen van de Engelstalige informatie over de “Courtesy Residence” van 25 maart 2019, de derde bijlage bij de brief van 4 november 2019 en dat eisers vaststellen dat de regeling met betrekking tot de “Courtesy Residence” ziet op verlenging van een verblijfsvergunning. Uit het stuk van 25 maart 2019 valt volgesn eisers niet af te leiden of, indien iemand in aanmerking zou kunnen komen voor een “Courtesy Residence”, ook toegang tot Libanon zou krijgen. De informatie ziet op verlening van een verblijfsvergunning aan een persoon van de niet-Libanese nationaliteit die reeds in Libanon verblijft. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder ook aannemelijk moet maken dat in het geval van eiser, ervan uitgaande dat eiseres inderdaad de Libanese nationaliteit bezit, eiser dan ook in Libanon zou worden toegelaten. Op 2 juli 2020 heeft de voortzetting van het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Beide eisers zijn ditmaal verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting heeft de rechtbank met partijen de mogelijkheden om tot een minnelijke regeling te komen verkend. De rechtbank heeft in dit kader een voorlopig oordeel gegeven over afdoening van de beroepen als partijen geen overeenstemming zouden weten te bereiken. Verweerder heeft verzocht om een nadere termijn voor beraad na de behandeling ter zitting. Met partijen is afgesproken dat zodra verweerder tot een standpunt over een minnelijke regeling zou zijn gekomen, hij eerst gemachtigde van eisers en daarna de rechtbank zou informeren. De rechtbank heeft aangegeven dat als partijen er niet in zouden slagen overeenstemming te bereiken, de rechtbank het onderzoek in de zaak zonder nadere behandeling ter zitting zou sluiten en onverwijld uitspraak zou doen. Partijen hebben hiermee ingestemd zodat de behandeling van het beroep –enkel- is aangehouden totdat duidelijk zou zijn of een onderlinge regeling kon worden bereikt. De griffier heeft zich op 23 juli 2020 op verzoek van de voorzitter telefonisch tot verweerder gewend met de vraag of er een indicatie kon worden gegeven over wanneer verweerder een beslissing zou nemen of een schikking een aanvaardbare afdoening van de huidige procedures zou zijn. Gemachtigde van verweerder heeft aangegeven dat verweerder op 21 juli 2020 heeft besloten niet bereid te zijn om tot een minnelijke regeling te komen. Gemachtigde van verweerder heeft hieraan toegevoegd dat hij vooralsnog geen kans heeft gezien om gemachtigde van eisers en de rechtbank hierover te informeren. De griffier heeft vervolgens op verzoek van de voorzitter telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van eisers om hem te informeren over deze stand van zaken. De gemachtigde van eisers heeft aangegeven dat hij voornemens is een fax te sturen met als inhoud een verzoek om separaat uitspraak te doen op het beroep van –kort gezegd- moeder en zoon. De rechtbank heeft gewacht met het sluiten van het onderzoek totdat de aangekondigde fax, enkele uren later die dag, is ontvangen. De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoek van gemachtigde, maar zal hieraan geen gevolg geven omdat het dictum in de beroepen van moeder en zoon gelijkluidend zal zijn en overigens met de proceskostenveroordeling tot uitdrukking zal worden gebracht dat geen sprake (meer) is van samenhangende zaken. Voor de Raad voor de Rechtsbijstand zal dan aanstonds duidelijk zijn dat terecht twee toevoegingen zijn verstrekt. De rechtbank heeft verweerder niet om een reactie gevraagd omdat de betreffende fax enkel een verzoek aan de rechtbank betreft en heeft daarom het onderzoek in deze zaken na ontvangst van bovengenoemde fax op 23 juli 2020 gesloten. Overwegingen Asielaanvragen 1. Eisers hebben aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd dat zij vanwege de oorlog en de algemene onveilige situatie uit Syrië zijn weggegaan. Eiser heeft verder aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat er regelmatig rekruteringsacties van de Koerden bij hem in de wijk plaatsvonden. Koerdische strijders hebben twee of drie keer geprobeerd eiser voor hun strijd te rekruteren en eiser wil niet deelnemen aan de (gewapende) strijd. Ze zijn niet direct na het uitbreken van de oorlog vertrokken uit Syrië omdat hun financiële situatie dat niet toeliet. 2. De asielrelazen van eisers bevatten volgens verweerder de volgende relevante elementen: de identiteit en Syrische nationaliteit van eisers; eisers zijn samen op 14 oktober 2015 uit Syrië vertrokken; twee of drie keer hebben Koerdische strijders geprobeerd eiser te rekruteren voor hun strijd. Standpunten van partijen 3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, en met name in het voornemen, op het standpunt gesteld dat eisers weliswaar hun gestelde Syrische identiteit en nationaliteit hebben onderbouwd met documenten die echt zijn bevonden door de Koninklijke Marechaussee en Bureau Documenten, maar dat zij daarnaast hebben verzwegen tevens de Libanese nationaliteit te bezitten. Verweerder baseert zich daarbij op het eerste IAB waaruit –volgens verweerder- blijkt dat eisers tevens in het bezit zijn van de Libanese nationaliteit. Verweerder heeft aangegeven dat de aanleiding om een IAB te doen uitbrengen een verklaring van de zus/dochter van eisers is geweest die zij hieromtrent in maart 1999 heeft afgelegd in het eerste gehoor ten behoeve van haar eigen asielaanvraag. Verweerder heeft geconstateerd dat de verklaringen van eiser niet stroken met de verklaringen van de zus/dochter van eisers. Zij heeft in die verklaring in 1999 aangegeven dat eisers geruime tijd in Libanon wonen, dat eiseres de Libanese nationaliteit bezit en dat eiser in het bezit is van een Libanese identiteitskaart. In het bestreden besluit stelt verweerder dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij de Libanese nationaliteit niet/niet meer bezit omdat het IAB een deskundigenbericht is. Gelet hierop stelt verweerder zich op het standpunt dat eisers onjuiste gegevens aan de Nederlandse autoriteiten hebben verstrekt dan wel de juiste gegevens hebben verzwegen teneinde te bewerkstellingen dat zij in een gunstiger positie komen te verkeren dan waarin zij zonder deze (misleiding door middel van) onjuiste gegevens zouden verkeren. Ook hebben eisers hierdoor geenszins aannemelijk gemaakt dat zij de door hen gestelde tijdsperiode daadwerkelijk in Syrië hebben verbleven, van daaruit zijn vertrokken en dat eiser daar de door hem gestelde problemen heeft ondervonden en heeft te vrezen voor een oproep voor militaire dienst in Syrië. Verweerder verwacht niet dat eisers terugkeren naar Syrië gelet op het beleid aangaande de algemene situatie in Syrië, maar wel dat zij terugkeren naar Libanon. Gelet op de voornoemde misleiding heeft verweerder de asielaanvragen van eisers afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Verweerder heeft zijn bestreden besluiten nader gemotiveerd met het tweede IAB. In het tweede IAB is –onder meer- het navolgende opgenomen: “Uit onderzoek (verricht in Libanon) is gebleken dat een persoon met de naam [naam] , geboren op [geboortedag] 1963 te [plaats] , Syrië, niet de Libanese nationaliteit heeft. Uit onderzoek is voorts gebleken dat in het individueel ambtsbericht van 23 januari 2017 een onjuiste conclusie is getrokken uit het onderzoeksverslag. In het onderzoeksverslag dat ten grondslag lag aan het individueel ambtsbericht van 23 januari 2017 was aangegeven dat “een persoon met de naam [naam] in 1994 bij Presidentieel Decreet de Libanese nationaliteit heeft verkregen”. Er lijkt sprake te zijn van iemand met dezelfde naam die is genaturaliseerd. Uit onderzoek is gebleken dat een persoon met de naam [naam] , geboren op [geboortedag] 1993 te [plaats] , Syrië, ongehuwd is. (…) Uit onderzoek is gebleken dat een persoon met de naam [naam] , geboren op [geboortedag] 1963 te [plaats] , Syrië, geen Libanese verblijfsvergunning heeft. Uit onderzoek is gebleken dat de bij UNHCR geregistreerde persoon met de naam [naam] , geboren op [geboortedag] 1963 te [plaats] , Syrië, in bezit was van een speciale courtesy verblijfsvergunning als kind van een Libanese moeder, geldig van eind 2012 tot december 2015. Hierdoor zou deze persoon te allen tijde opnieuw in aanmerking komen voor een courtesy verblijfsvergunning in Libanon.” 4. Eisers hebben in beroep de juistheid van de inhoud van het eerste en tweede IAB betwist en stellen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de inhoud van deze deskundigenberichten te hebben geleverd. Uit het overgelegde afschrift van het aanhangsel bij de Libanese Staatscourant blijkt volgens hen dat niet alle leden van de familie [naam] bij het decreet van 30 juni 1994 genaturaliseerd zijn omdat alleen de vader en drie kinderen worden genoemd. Eiser [eiser] wordt in dit uittreksel niet genoemd. Uit het overgelegde faxbericht van de ambassade van de Republiek Libanon in Den Haag van 12 november 2018 volgt dat eiseres niet de Libanese nationaliteit heeft. Gelet hierop stellen eisers zich op het standpunt dat de bestreden besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid, dienen te worden vernietigd en dat daarom de beroepen gegrond verklaard moeten worden. Verzoeken om schadevergoeding 5. Eisers hebben voorts bij brief van 29 november 2019 een vordering tot schadevergoeding ingesteld omdat zij schade hebben geleden ten gevolge van een door verweerder veroorzaakte extreem lange beroepsprocedure en anderzijds van een onrechtmatig besluit. 6. Eisers stellen zich onder verwijzing naar de conclusie van Advocaat-Generaal Widdershoven van 23 oktober 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1586) en de daarop volgende uitspraak van de Grote Kamer van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:188) op het standpunt dat de maximaal redelijke termijn voor een beroepsprocedure 18 maanden bedraagt. De beroepschriften werden ingediend op 10 april 2017. Dit betekent dat de termijn inmiddels met meer dan 12 maanden is overschreden zodat aan elk van eisers thans € 1,500,- aan schadevergoeding toekomt. 7. Daarnaast verzoeken eisers de rechtbank om hen ex artikel 8:88 van de Awb een schadevergoeding toe te kennen voor schade als gevolg van een onrechtmatig besluit. Primair stellen zij zich op het standpunt dat er recht bestaat op vergoeding van materiële schade. Als gevolg van een onrechtmatig besluit is aan hen langdurig toegang tot werk, toegang tot sociale voorzieningen en toegang tot huisvesting onthouden. Eisers stellen dat het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007 (ECLI:NL:HR:2007:AZ8751, voorheen LJN AZ8751) aan herijking toe is omdat de Hoge Raad bij de beoordeling van de vraag of een materiële schadevergoeding kon worden toegekend in verband met overheidsaansprakelijkheid slechts het Vluchtelingenverdrag in haar beoordeling heeft kunnen betrekken, terwijl met de invoering van de Kwalificatierichtlijn aan een vluchteling of een vreemdeling die in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming meer dan slechts bescherming tegen refoulement wordt toegekend. Eisers verwijzen in dit kader naar de artikelen 26 (toegang tot werk), 29 (sociale voorzieningen) en 32 (toegang tot huisvesting) van de Kwalificatierichtlijn en de artikelen 40, 41 en 45 bij de considerans van de Kwalificatierichtlijn. Verder stellen eisers vast dat het arrest van 13 april 2007 in de zaak nr. C06/0181HR van de Afdeling navolging heeft gekregen, zie de uitspraak van 20 juni 2007 (JV2007/348) en de uitspraak van 4 februari 2009 met kenmerk ECLI:NL:RVS:2009:BH1887 (met name onder punt 2.5). Eisers benadrukken dat de Afdeling met het gebruik van de woorden ‘in beginsel’ niet uitsluit dat er in specifieke gevallen wel recht op vergoeding van vermogensschade bestaat en dat het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007 van kritisch commentaar is voorzien. Eisers begroten de door hen geleden vermogensschade (ex aequo et bono) op € 200,- per maand dat aan hen ten onrechte een verblijfsvergunning is onthouden. Eiseres tekenen hierbij aan dat zij gedurende een reeks van jaren slechts € 58,- per week per persoon ontvangen hebben, welke vergoeding is gekoppeld aan de wekelijkse meldplicht. Het is eisers, nu de asielaanvragen zijn afgewezen door verweerder, niet toegestaan om arbeid te verrichten. Subsidiair verzoeken eisers de rechtbank om toewijzing van een vergoeding van de door hen geleden immateriële schade, welke het gevolg is van een ernstige inperking op het privéleven welke het gevolg is van het (door toedoen van verweerder) moeten verblijven op een asielzoekerscentrum als gevolg van een onrechtmatig besluit. Eisers begroten deze schade welke bestaat uit het (langdurig) niet kunnen beschikken over zelfstandige woonruimte, het gedurende meerdere jaren leven onder de armoedegrens en het onderworpen blijven aan beperkingen zoals een meldplicht op € 1.000,00 per jaar dat zij ten onrechte op een AZC hebben moeten verblijven, derhalve op € 2.500,00 per eiser. Zij merken daarbij op dat zij gedurende een reeks van jaren een kleine slaapkamer hebben moeten delen en (met anderen) gebruik dienen te maken van een keuken, douche en eet- en zitkamer. 8. Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding stelt verweerder zich op het volgende standpunt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014 met kenmerk ECLI:NL:RVS:2014:188 maakt verweerder op dat de duur van de beroepsprocedure indien geen sprake is van een bezwaarprocedure maximaal twee jaar mag duren en, indien tevens sprake is van een bezwaarprocedure binnen dit tijdvak van die twee jaar de bezwaarprocedure maximaal een half jaar mag duren. Verder heeft de Afdeling in rechtsoverweging 4.3.1 overwogen dat de vaste rechtspraak blijft gelden dat de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan is behandeld en het processuele gedrag van appellant gedurende de gehele procesgang onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van de als uitgangspunt gehanteerde termijnen gerechtvaardigd te achten. Verweerder stelt gelet op het voorgaande dat de maximale redelijke termijn voor een beroepsprocedure 24 maanden bedraagt met daarbij voornoemde kanttekening over de geldende vaste rechtspraak en de opmerking dat indien de gemachtigde van eisers reeds in november 2018 de brief van 12 november 2018 van de Libanese autoriteiten had overgelegd en niet in november 2019, dit zonder meer had geleid tot een aanmerkelijke verkorting van de totale duur van de onderhavige beroepsprocedures. In dit verband wordt mede verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2020 met kenmerk ECLI:NL:RVS:2020:639, welke ziet op een asielprocedure. Ook moet er volgens verweerder rekening mee worden gehouden dat de bevindingen van Buiza de door verweerder ingenomen standpunten bevestigen. In dat geval kan bezwaarlijk anders worden geconcludeerd dan dat eisers niet te goeder trouw in beroep hebben geprocedeerd. Dit is onverenigbaar met toekenning van enige schadevergoeding. Het verzocht bedrag van € 1.500,- voor ieder van eisers is om die reden niet gebaseerd op een juiste grondslag. 9. Voor wat betreft het beroep van eisers op schadevergoeding in het licht van artikel 8:88 van de Awb leest verweerder hierin dat ook hiermee een beroep wordt gedaan op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Verweerder ziet geen aanknopingspunten dat een beroep op dit artikel kan leiden tot en toekenning van schadevergoeding die gebaseerd is op een andere grondslag dan die hetwelk is geduid in de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014. Afgezien daarvan is een beroep op dit artikel door eisers niet nader onderbouwd. 10. Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding (voor het ten onrechte onthouden van een verblijfsvergunning) stelt verweerder dat geenszins vaststaat dat eisers in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel. Reeds hierom komt dit verzoek niet voor toewijzing in aanmerking. Verder verwijst verweerder onverkort naar de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2007 waarin onder meer wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007. Verweerder ziet niet in waarom de enkele verwijzing naar de kritische noot van advocaat Reurs daarop aanleiding zou moeten zijn om in deze zaak te komen tot een andere conclusie. Met betrekking tot het verzoek om immateriële schadevergoeding als gevolg van een ernstige inperking van het privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM stelt verweerder dat niet valt in te zien dat eisers hier separaat ook nog een beroep op zouden moeten kunnen doen, reeds nu er al een beroep bestaat op toekenning van immateriële schade op grond van overschrijding van de redelijke termijn, dat bovendien geenszins vaststaat dat eisers in aanmerking dienen te komen voor een verblijfsvergunning asiel en dat het hoe dan ook aan eisers is om te komen met een adequate onderbouwing van de geleden schade die in dit geval ontbreekt. Het beroep op vergoeding van de gestelde immateriële schade heeft volgens verweerder dan ook geen kans van slagen. Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van de afwijzing van de asielaanvragen 11. Verweerder heeft in de bestreden besluiten ter onderbouwing van de afwijzing van de gevraagde asielvergunningen verwezen naar het IAB van 23 januari 2017. Volgens dit ambtsbericht zou zijn gebleken dat eiseres de Libanese nationaliteit heeft, dat eiser in 1994 per presidentieel decreet de Libanese nationaliteit heeft verkregen en het presidentieel decreet waarbij aan vader [naam] en de kinderen de Libanese nationaliteit is toegekend, deel uitmaakt van een collectief naturalisatiebesluit waarbij vele tienduizenden en mogelijk meer (langdurig) in Libanon wonende personen (onder andere grote groepen uit Turkije en Syrië afkomstige christenen) zijn genaturaliseerd. 12. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling kan een dergelijk ambtsbericht worden aangemerkt als een deskundigenadvies dat op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie dient te verschaffen, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze informatie is ontleend. Verweerder mag bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van een ambtsbericht uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. 13. De rechtbank stelt vast dat uit het bij brief van 8 maart 2018 door eisers overgelegde beëdigd vertaald afschrift van het aanhangsel bij de Libanese Staatscourant blijkt dat [naam] en diens kinderen [namen] bij het decreet van 30 juni 1994 genaturaliseerd zijn. Hieruit blijkt echter niet dat eiser bij voornoemd decreet genaturaliseerd is omdat de naam [naam] ontbreekt. De informatie in het IAB van 23 januari 2017 dat bij het Presidentieel Besluit aan eiser de Libanese nationaliteit is toegekend komt dus niet overeen met hetgeen in het aanhangsel bij de Libanese Staatscourant staat. Dit levert op zichzelf naar het oordeel van de rechtbank voldoende concrete aanknopingspunten op om -minst genomen- te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de gehele inhoud van bedoeld ambtsbericht, dus ook voor zover het IAB betrekking heeft op eiseres. De conclusie die volgt uit het door Buitenlandse Zaken verrichte onderzoek met betrekking tot eiser volgt immers niet uit de door eisers overgelegde stukken, maar lijkt daarmee in strijd. Nu het gehele IAB is gebaseerd op hetzelfde onderzoek regardeert dit ook de conclusie ten aanzien van eiseres. Er is aanleiding om te twijfelen aan de deugdelijkheid van het verrichte onderzoek en daarmee aan alle daarop gebaseerde conclusies. Eisers hebben door overlegging van het aanhangsel bij de Libanese Staatscourant dus concrete aanknopingspunten voor twijfel aangeleverd aan het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het IAB en daarmee aan de conclusies in het IAB. Verweerder kan zich in zijn besluiten reeds hierom niet baseren op dit eerste IAB. Dat ten aanzien van dit IAB op 22 februari 2017 een zogenaamde “REK-check” heeft plaatsgevonden doet niet af aan deze conclusie van de rechtbank. 14. De rechtbank overweegt voorts dat uit het door eisers overgelegde faxbericht van de ambassade van de Republiek Libanon te Den Haag van 12 november 2018 blijkt dat [naam] (rechtbank: niet zijnde eiser ) wel de Libanese nationaliteit heeft sinds 1994 (rechtbank: en eiser dus niet ), maar ook dat de naam van eiseres niet wordt genoemd in decreet 5247 van 30 juni 1994 en dat mevrouw [naam] niet de Libanese nationaliteit heeft. 15. Verweerder wijst er op dat uit dit faxbericht van de Libanese ambassade van 12 november 2018, kan worden afgeleid dat de conclusie van de ambassade, ertoe strekkende dat eiseres niet de Libanese nationaliteit heeft, slechts gebaseerd is op de enkele omstandigheid dat haar naam niet is vermeld in decreet nummer 5247 van 30 juni 1994. Dat laat volgens verweerder de mogelijkheid open dat zij op andere grondslag in het bezit is of is geraakt van de Libanese nationaliteit. Hiermee is volgens verweerder dan ook ten hoogste een – zwak – aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van het ambtsbericht aangereikt. De rechtbank overweegt dat de conclusie van verweerder dat de mededeling van de ambassade uitsluitend is gebaseerd op het niet vermeld staan van de naam van eiseres op het decreet niet onomstotelijk blijkt uit de bewoordingen van de fax van de ambassade. Immers in die fax is vermeld dat het antwoord wordt gegeven op de vraag of eisers de Libanese nationaliteit hebben. Verwezen wordt naar het decreet en aangegeven wordt dat de naam van eiseres niet op het decreet staat en dat eiseres niet de Libanese nationaliteit heeft. Aan verweerder kan worden toegegeven dat het lijkt alsof de ambassade bij zijn onderzoek alleen het decreet heeft beoordeeld maar dat vermeldt de ambassade niet. Verweerder heeft niet betwist dat deze brief afkomstig is van de Libanese ambassade. Het had op de weg van verweerder gelegen om, indien hij twijfelt aan de inhoud en strekking van deze verklaring van de Libanese autoriteiten, zelf contact op te nemen met de ambassade om zich te vergwissen van de conclusie en van de feiten en omstandigheden waarop deze is gestoeld. Weliswaar hebben eisers een asielaanvraag ingediend maar omdat zij bescherming vragen gelet op de situatie in hun land van herkomst staat het verweerder vrij om wel contact op te nemen met de ambassade van Libanon. De rechtbank merkt op dat het zelf contact opnemen met de ambassade niet alleen tot de mogelijkheden van verweerder behoorde. Dit had ook het handelen van verweerder aanmerkelijk voortvarender gemaakt. Nu heeft verweerder gewacht totdat de gemachtigde van eisers deze fax heeft toegestuurd, hem hierbij verweten dit stuk geruime tijd achter te hebben gehouden, vervolgens opdracht gegeven voor een nieuw IAB en uiteindelijk namens Buiza de brieven van gemachtigde van eisers die aan deze verklaring van de ambassade ten grondslag liggen opgevraagd. Verweerder heeft nagelaten om zelf de ambassade om een nadere duiding van de verklaring van 8 november 2018 te vragen. Nu de Libanese autoriteiten, waartoe de Libanese ambassade gevestigd in Den Haag toe behoort, in antwoord op de vragen van eisers, hebben verklaard dat eiseres niet de Libanese nationaliteit bezit, ziet de rechtbank hierin dan ook –minst genomen- een zelfstandig concreet aanknopingspunt voor twijfel aan het IAB voor zover het de conclusie ten aanzien van eiseres betreft. De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van deze fax kennelijk ook twijfelt aan zijn ingenomen standpunt ten aanzien van eiseres. Deze brief is immers aanleiding geweest om een tweede IAB uit te laten brengen. 16. In tweede IAB van 15 oktober 2019 is onder meer opgenomen dat is gebleken dat in het IAB van 23 januari 2017 een onjuiste conclusie is getrokken uit het onderzoeksverslag en dat een persoon met de naam Jacob [naam] , geboren op [geboortedag] 1963 te [plaats] , Syrië, niet de Libanese nationaliteit heeft. De rechtbank overweegt dat gelet op deze passage in dit tweede IAB niet slechts concrete aanknopingspunten voor twijfel zijn geleverd, maar dat dit tweede IAB op zichzelf al het eerste IAB weerlegt. De onjuiste conclusie met betrekking tot eiser is dermate fors en is, zoals eerder overwogen, gebaseerd op hetzelfde onderzoek dat ten grondslag ligt aan de conclusies ten aanzien van eiseres, dat de rechtbank overweegt dat dit het gehele eerste IAB raakt. Het IAB van 23 januari 2017 is hiermee dus weerlegd. De bestreden besluiten zijn volledig gebaseerd op dit eerste IAB zodat de besluiten reeds hierom wegens motiveringsgebreken geen stand kunnen houden en zullen worden vernietigd. Verweerder heeft immers ter zitting op 8 november 2018 en op 2 juli 2020 desgevraagd en bij herhaling expliciet aangegeven dat de verklaring van de zus/dochter van eisers niet ter onderbouwing van de afwijzing dient, maar enkel de aanleiding is geweest voor nader onderzoek. Verweerder heeft er bovendien voor gekozen om het bestreden besluit niet te wijzigen of een aanvullend besluit te nemen, maar heeft volstaan met het op meerdere momenten in deze procedures aanvullende argumenten voor zijn besluiten te geven. De rechtbank zal in het kader van finale geschillenbeslechting evenwel onderzoeken of de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven. 17. Verweerder heeft zich in het aanvullend verweerschrift van 17 maart 2020 en ter zitting op het standpunt gesteld dat de afdoeningsgrond van eisers in de bestreden besluiten overeind blijft gelet op de uitkomsten van de eerste en tweede IAB in onderlinge samenhang bezien. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat het eerste IAB volledig is weerlegd door het tweede IAB en concludeert voorts dat de tegenwerping van verweerder in het bestreden besluit dat eiser ook de Libanese nationaliteit heeft in het geheel niet is onderbouwd. Verweerder stelt zich inmiddels –kennelijk- ook niet langer op het standpunt dat eiser de Libanese nationaliteit heeft. Verweerder stelt zich thans enkel op het standpunt - onder verwijzing naar het tweede IAB met de daarbij gevoegde “Courtesy Residence” - dat eiser in ieder geval een soort speciale verblijfsvergunning voor Libanon heeft gehad die geldig zou zijn geweest van eind 2012 tot december 2015. Verweerder neemt hierbij aan, zonder dit overigens te onderbouwen, dat eiser daarom bij vertrek naar Libanon niet alleen zal worden toegelaten tot Libanon maar tevens in aanmerking komt voor (voortgezet) verblijf als hij aangeeft hiervoor in aanmerking te willen komen. 18. De rechtbank acht deze tegenwerping van verweerder onbegrijpelijk. In het tweede IAB van 15 oktober 2019 is vermeld dat de bij UNHCR geregistreerde persoon met de naam [naam] , geboren op [geboortedag] 1963 te [plaats] , Syrië, in bezit was van een speciale courtesy verblijfsvergunning als kind van een Libanese moeder, geldig van eind 2012 tot december 2015. Verweerder motiveert zijn standpunt dus door te verwijzen naar een IAB, waarin de conclusie ten aanzien van eiser is gebaseerd op een Courtesy Residence die is gesteld op een naam die niet (geheel) overeenkomt met de naam van eiser. Op het als bijlage bij het IAB gevoegde en door verweerder overgelegde document valt te lezen dat dit betrekking heeft op een persoon met de naam [naam] , terwijl eiser [naam] heet. Gelet op het eerste IAB waarvan zowel Buiza en verweerder, ondanks de verrichte REK-check, erkennen dat verkeerde conclusies zijn getrokken ten aanzien van eiser terwijl het in dat IAB in ieder geval ging om een persoon met een identieke naam als eiser en dezelfde geboortedatum en geboorteplaats, zal verweerder indien hij zijn stelling met een Courtesy Residence wil onderbouwen een document moeten overleggen waarop in ieder geval de naam van eiser correct is weergegeven. Verweerder kan zijn standpunt dat eiser een verblijfsvergunning voor Libanon heeft gehad eenvoudigweg niet onderbouwen met een document dat niet op naam van eiser is gesteld. 19. Anders dan verweerder ter zitting heeft aangegeven treedt de rechtbank hiermee niet buiten de omvang het geding en is dit geen ambtshalve beoordeling door de rechtbank. De rechtbank zal om het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden te kunnen toetsen allereerst moeten bezien of en hoe partijen hun standpunten hebben onderbouwd om die standpunten vervolgens te kunnen beo
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...