Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2020:13789

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2020-11-24
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL20.8200
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
70.658 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Tegenwerping 1(F) Vv aan een vreemdeling die verschillende functies heeft bekleed binnen het politieapparaat in Turkije. Betrokkene heeft over een langere periode informatie ingezameld en geanalyseerd voor de inlichtingendienst (IDB). Er is sprake van ‘knowing participation’. Uit diverse rapporten blijkt dat de Turkse politie zich op grote schaal tot zeker halverwege de jaren ’90 schuldig heeft gemaakt aan marteling/foltering en (zware) mishandeling van (politieke) gevangenen. Gelet op de omvang hiervan is de staatssecretaris niet ten onrechte van mening dat dit zelfs voordat betrokkene voor een carrière bij de politie koos algemeen bekend moet zijn geweest. Hierbij heeft de staatssecretaris niet ten onrechte nog in aanmerking genomen dat betrokkene heeft verklaard dat zijn werkzaamheden in de periode 1986-1997 in belangrijke mate en over een langere periode bestonden uit de analyse van (openbare) bronnen. Daarbij heeft de staatssecretaris aangetoond dat in de Turkse kranten werd bericht over marteling en foltering door de Turkse politie. Niet ten onrechte acht de staatssecretaris niet aannemelijk dat betrokkene tijdens zijn analyse nooit berichten is tegengekomen over de wandaden van de Turkse politie jegens arrestanten en gevangenen. In die periode was er veel aandacht voor het onderwerp, omdat Turkije in 1988 zowel het Europees Verdrag ter voorkoming van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing als het VN-antifolterverdrag ondertekende. Bovendien heeft de Turkse president Özal zich in die periode uitgesproken tegen het martelen en folteren. De staatssecretaris heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van ‘personal participation’, in de zin dat betrokkene de misdrijven heeft gefaciliteerd. Vanuit de functies die betrokkene in de periode van 1986 tot in ieder geval 1997 heeft vervuld, heeft hij informatie ingezameld en geanalyseerd dan wel hebben zijn ondergeschikten informatie verzameld en heeft hij deze informatie al dan niet via zijn meerdere doorgespeeld aan andere afdelingen, waaronder de anti-terreurafdeling. Door het doorspelen van de informatie heeft betrokkene mensen in een situatie gebracht waarin zij het aanmerkelijke risico liepen slachtoffer te worden van marteling, foltering en (zware) mishandeling. De stelling van betrokkene, dat die informatie geen directe informatie zou betreffen om als bewijs tegen een verdachte te kunnen dienen, heeft de staatssecretaris niet ten onrechte niet gevolgd. Uit de verklaringen van betrokkene volgt immers dat de geanalyseerde informatie direct tot actie van een operationele afdeling kon leiden. Dat niet alle informatie die betrokkene aanreikte direct geschikt was voor het oppakken en vervolgen van personen en dat de anti-terreurafdeling en andere operationele afdelingen ook ander informatie gebruikten, doet er niet aan af dat de informatie die betrokkene analyseerde of liet analyseren, een belangrijk beginpunt of schakel vormde in het voorkomen van aanslagen dan wel het later aanhouden van de (vermoedelijke) daders. In tegenstelling tot wat betrokkene betoogt, bestond er wel degelijk een causaal verband tussen het onderzoek van de inlichtingendienst en de uiteindelijke vervolging van verdachten.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL20.8200 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, [V-nummer] (gemachtigde: mr. J.E. Runhaar), en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder, (gemachtigde: mr. J.R. Toussaint). Procesverloop Bij besluit van 31 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, zoals bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw 2000. Daarbij heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Verder is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft hij voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek heeft als zaaknummer NL20.8201 . Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Het asielrelaas 1. Eiser is [eiser] , geboren op [geboortedag] 1963 en van Turkse nationaliteit. Hij heeft op 3 oktober 2018 een aanvraag gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ter onderbouwing van die aanvraag heeft hij, samengevat weergegeven, het volgende naar voren gebracht. 2. Eiser heeft van 1980 tot 1984 gestudeerd aan de universiteit van Izmir en heeft daar een studie bedrijfskunde gevolgd. Aansluitend daarop heeft hij een jaar op de politieacademie gezeten. De politieacademie trok hem aan. Hierbij heeft meegespeeld dat hij van jongs af aan sympathie had voor een lokale politieagent (brigadier) en dat hij het belangrijk vond om een bijdrage te leveren aan een goed functionerende rechtsstaat. Eiser meende dat hij vanwege zijn studie veel kon betekenen voor het democratische systeem binnen het politieapparaat. Na de militaire coup in 1980 was Turkije in 1983 namelijk weer overgegaan tot een democratie en werd [naam] gekozen tot minister president. 3. Eiser is vanaf 1986 tot 2013 werkzaam geweest voor de politie in Turkije. In die periode heeft hij verschillende functies en posities bekleed binnen het politieapparaat. In de periode 1986-1989 heeft hij als plaatsvervangend brigadier ( Komiser yardimici ) gewerkt voor de inlichtingendienst van het directoraat generaal van politie (Istihbarat Daire Baskanligi, hierna: IDB) te Ankara. Die organisatie is verantwoordelijk voor de veiligheid van de staat. Eiser had een bureaubaan bij de afdeling analyse. Hij kreeg informatie van verschillende instanties, zoals van de politie en het leger. Hij verzamelde en analyseerde die informatie. Na de analyse werd de informatie doorgestuurd naar zijn leidinggevenden. De leidinggevenden bepaalden waar de analyses naartoe gestuurd moesten worden. De informatie waar eiser bij betrokken was, betrof onder andere informatie over de fascistische beweging Grijze Wolven die toen heel krachtig was en inlichtingen over [naam] die een aanslag op de Paus wilde plegen. In de periode 1989-1993 heeft eiser als hoofdbrigadier ( Komiser ) gewerkt op de communicatieafdeling van IDB. Hij bemoeide zich niet inhoudelijk met de informatie die werd vergaard. 4. Vervolgens is eiser in de periode 1993-1995 inspecteur ( Baskomiser ) van de IDB geweest in Diyarbakir. Eiser heeft ook in Diyarbakir analyses gemaakt. Hij kreeg opdracht om een analyse-afdeling op te zetten omdat hij dat werk ook al in Ankara had gedaan. Daarnaast was eiser verantwoordelijk voor de technische unit, die zorg droeg voor de mogelijkheid om telefoontaps te plaatsen en die de camera’s beheerde die werden opgehangen bij bijvoorbeeld illegale demonstraties om daarmee later mensen te identificeren. Hij gaf aan vijf mensen leiding. De toestemming voor het afluisteren kwam van de officier van justitie. Eiser was niet verantwoordelijk voor het plaatsen van de taps zelf, maar moest ervoor zorgen dat de technische apparatuur werkte, het personeel zijn werk deed en opgenomen gesprekken niet verloren gingen. Verder was hij er verantwoordelijk voor dat camera’s geplaatst konden worden bij een operatie. Als men tijdens een demonstratie foto’s wilde maken dan kwam men bij hem een camera halen. Eiser wist niet om welke demonstraties het ging en hij kende de inhoud van de telefoontaps evenmin. Hij weet wel dat het niet om normale bijeenkomsten ging waar foto’s werden gemaakt, maar dat het zaken betrof waarbij de eenheid en stabiliteit van de Staat in gevaar was, zoals terreuraanslagen. Eiser wist niets van de behandeling van arrestanten. Hij heeft nooit gezien dat verdachten werden gemarteld. Hij weet wel dat er dorpen werden leeggehaald en dat het leger bepaalde dingen deed buiten de steden, maar hij was niet in staat om die misdragingen te beoordelen omdat hij alleen in de stad zelf bezig was. Hij heeft niet met eigen ogen gezien hoe de omstandigheden in de dorpen waren. Hij had ook niet de mogelijkheid te verifiëren of de dingen die hij hoorde wel klopten. Op zijn afdeling zat ook de afdeling terreurbestrijding, maar hij weet niet of daar cellen waren voor arrestanten. Hij is daar nooit binnen geweest. Men moet daar aanbellen om binnen te komen. Eiser weet niet dat het European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) in de jaren ‘90 verschillende keren op bezoek is geweest in het hoofdbureau van Diyarbakir om onderzoek te doen naar marteling en foltering. Eiser zelf heeft met niemand gesproken, maar heeft alleen in de media gelezen dat [naam] op bezoek is geweest. Wat haar onderzoek behelsde, weet hij niet. 5. Daarna is eiser bevorderd. In de periode 1995-1997 is hij werkzaam geweest als hoofdinspecteur ( Emniyet Amiri) van de IDB in Mardin (Oost-Turkije). Hier had eiser ongeveer 30 mensen onder zich. Zij waren belast het voorkomen van aanslagen en met onderzoek naar illegale activiteiten en organisaties die een gevaar voor de staatsveiligheid opleverden. Die gegevens werden vervolgens doorgespeeld aan de operationele en justitiële eenheden. Eiser deed daar meer veldwerk. In de stad Nusayibin in dat district zijn veel mensen van de PKK. De PKK vormde de grootste bedreiging. Verder was er ook religieus geïnspireerd geweld dat gepleegd werd door Hezbollah. Er waren aanslagen op gendarmeriebureaus die verijdeld moesten worden. Eiser was werkzaam bij de administratieve poot die zich bezighield met preventie. Wanneer er een aanslag was gepleegd probeerde eiser te analyseren wie dat had gedaan en daarvoor verantwoordelijk was. Als die informatie bekend was, werd dat doorgestuurd aan de directeur van de veiligheidsdienst. Eiser en zijn ondergeschikten waren niet belast met aanhoudingen en arrestaties, dat was een andere afdeling. Dat deed de juridisch (operatieve) poot in samenwerking met het Openbaar Ministerie. 6. In de periode 1997-2005 was eiser het eerste jaar hoofdinspecteur van de afdeling administratieve en financiële zaken van de IDB in Ankara. Hij had ongeveer 60 à 70 mensen onder zich. Eiser hield zich bezig met de jaarlijkse begroting en alles waar de hoofden van bureaus behoeften aan hadden wat betreft middelen en inventaris. Vervolgens werd hij in 1999 bevorderd tot commissaris 4e klasse, in 2002 tot commissaris 3e klasse, in 2005 tot commissaris 2e klasse en in 2009 tot commissaris 1e klasse. 7. In 2005 werd eiser als commissaris 2e klasse aangesteld als adjunct-hoofd van de IDB te Ankara. Er waren drie adjunct-hoofden. Het eerste adjunct-hoofd was verantwoordelijk voor het verzamelen van informatie over terroristische organisaties. Het tweede was adjunct-hoofd techniek en verantwoordelijk voor de apparatuur en dataverwerking. Eiser was als adjunct-hoofd verantwoordelijk voor administratieve en ondersteunende werkzaamheden. Hij had niets te maken met analyse en technisch onderzoek dat door de inlichtingendienst werd gedaan. 8. In 2009 stopte eisers werk bij de inlichtingendienst. Hij werd in Ankara hoofdonderzoeker van de raad van inspectie van de politie, wat te vergelijken is met de Nederlandse Rijksrecherche. In die hoedanigheid deed eiser onderzoek naar onregelmatigheden binnen het politieapparaat, zoals verwijtbaar handelen van politiefunctionarissen. In juli 2010 werd hij benoemd tot hoofdcommissaris ( Emniyet Müdürü) voor de regio Van. Hij was daar verantwoordelijk voor de orde en veiligheid in de provincie, onder de onder-gouverneur en de gouverneur. Eiser voerde onder meer operaties uit om smokkel in het gebied te voorkomen. 9. In januari 2011 onderging eiser in Ankara een openhartoperatie. Hij kreeg een pacemaker. De artsen zeiden hem dat het voor de controle beter zou zijn als hij in Ankara geplaatst zou worden. Eiser heeft toen het verzoek gedaan om in Ankara aangesteld te worden. In april 2011 is eiser teruggekeerd naar Ankara. Hij bekleedde daar vanaf mei 2011 tot december 2011 de functie van hoofd van het bureau dataverwerking bij de IBD. In december 2011 werd hij bij hetzelfde directoraat aangesteld als hoofd van het bureau administratieve en financiële zaken. Hij heeft dat werk gedaan tot 2013. 10. In de periode 2011-2013 heeft [naam] persoonlijke instructies uit doen gaan. [naam] kon niet goed opschieten met [naam] van de [naam] -groep, een firma die voertuigen produceert van de merken Fiat en Ford. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en het directoraat van politie kregen de opdracht om geen auto’s meer af te nemen van de [naam] -groep, maar in plaats daarvan zaken te doen met een bedrijf dat in handen was van een parlementariër van de AKP. Eiser heeft toen tegen de directeur generaal van de politie gezegd dat hij het daar niet mee eens was. Op 19 december 2013 is eiser uit zijn functie gezet vanwege de acties die bekend staan als de operaties 17 tot 25 december. Die operaties waren gericht tegen corruptie. Die operaties vonden weliswaar plaats in de provincie Istanbul, maar omdat eiser kritiek had geuit zag men dit als een kans om hem – zonder ook maar enige beschuldiging te uiten - uit zijn functie te zetten. 11. Vlak daarna is een artikel in de krant Saba verschenen waarin stond dat er zeventig directeuren van politie waren ontslagen, omdat zij deel uitmaakten van wat toen de Parallelle Staat werd genoemd, die tegenwoordig FETÖ wordt genoemd. Er werd een lijst gepubliceerd met zeventig namen waarop ook de naam van eiser op stond, terwijl hij geen Gülenist is. Eiser heeft een rechtszaak aanhangig gemaakt tegen deze publicatie en heeft die rechtszaak gewonnen. De krant moest het bericht rectificeren. Toen de krant dit niet deed, is eiser een procedure gestart voor schadevergoeding die hij ook heeft gewonnen. Maar omdat er in Turkije geen recht meer is, heeft hij die vergoeding nooit gekregen. 12. Eiser heeft nadat hij uit zijn functie was gezet anderhalve maand als hoofdinspecteur gewerkt bij de raad van inspectie in de provincie Konja. Hierna ging hij aan de slag als directeur van politie bij het directoraat generaal van politie op het bureau van ontwikkeling en strategie. Maar eiser voelde zich onrechtvaardig behandeld en heeft bij de rechtbank bezwaar aangetekend tegen het feit dat hij op 19 december 2013 uit zijn vorige functie was gezet. Ook die zaak heeft eiser gewonnen. De rechtbank had besloten dat eiser moest worden teruggeplaatst in zijn functie. Die uitspraak is niet uitgevoerd. Het directoraat generaal van politie is, uiteindelijk zonder succes, in hoger beroep gegaan. Toen eiser zijn zaak had gewonnen, is in 2014 een onderzoek tegen hem ingesteld in verband met de functie die hij had uitgeoefend gedurende jaren 2008-2009, toen hij adjunct-hoofd was bij IDB. Dat onderzoek werd in 2015 omgezet in een strafrechtelijk onderzoek. In februari 2015 werd eiser geschorst. Eiser moest zijn identiteitsbewijs en zijn wapen inleveren en zijn salaris werd met een derde gekort. Op 7 mei 2015 werd de schorsing ongedaan gemaakt. Eiser kreeg zijn bevoegdheden weer terug. Hij zou ook weer terugkeren in zijn oude functie. Echter, op 11 mei 2015 werd eiser door vijftien politieagenten thuis opgepakt en in verzekering gesteld. Hij werd gekwalificeerd als bestuurder van een terroristische organisatie en beschuldigd van schending van de vertrouwelijkheid van communicatie, lasterpraktijken en het verstrekken van persoonlijke gegevens en deze in strijd met de procedure registreren. 13. Eiser heeft vier dagen in verzekering doorgebracht. Eiser moest voor een rechter verschijnen en heeft zijn verweer gevoerd. De rechter oordeelde dat eiser zijn berechting in vrijheid mocht afwachten. De rechter had wel een uitreisverbod naar het buitenland opgelegd en eiser moest zich ter controle twee keer per week melden op het bureau en een handtekening zetten. Die handtekeningplicht werd in oktober 2015 weer opgeheven. In de tussentijd was eiser in juni 2015 verplicht met pensioen gegaan. Eiser was bang dat de rechtbank hem alsnog in bewaring zou stellen. In december 2015 is hij daarom ondergedoken. Op 25 december 2015 is er een inval in zijn woning in Ankara gedaan, waarbij de Turkse autoriteiten eiser wilden aanhouden. Er is toen huiszoeking verricht. Toen de Turkse autoriteiten hem niet konden vinden is er proces-verbaal opgemaakt. In dat proces-verbaal stond dat eiser lid was van een ‘gewapende’ terroristische organisatie. Op 2 augustus 2016 is er weer een inval in zijn woning gedaan. Zijn woning en zijn auto zijn toen doorzocht en in beslag genomen. Bij decreetnummer 675 in oktober 2016 zijn al zijn rechten in verband met zijn pensionering afgenomen, zoals de vergunning om een wapen in bezit te hebben. Na de mislukte staatsgreep van 15 juli 2016 werd zijn pensioen gehalveerd. Na 15 juli 2016 zijn er ook allerlei lasterberichten over eiser verspreid. De advocaten die eiser had, hebben zich teruggetrokken en wilden hem niet meer verdedigen. In november 2016 werd eisers zoon op grond van decreet nummer 675 uit zijn functie gezet als hulpcommissaris van politie. Volgens eiser is zijn zoon vanwege hem uit zijn functie gezet. Ook de rechtszaken die eiser had gewonnen, bleken door decreet nummer 675 niet meer geldig te zijn. 14. Eiser heeft in de periode 2015-2018 op diverse plekken in Ankara ondergedoken gezeten. Hij kon toen ook niet naar het ziekenhuis in verband met zijn hartproblemen. Hij staat in Turkije op een grijze lijst. Dit is een lijst van het ministerie van Binnenlandse Zaken waarop gezochte terroristen staan. Er is een beloning uitgeloofd voor eiser. Nadat [naam] in juni 2018 werd herverkozen als president, heeft eiser de hoop opgegeven. Hij heeft Turkije op 19 augustus 2018 verlaten. Hij is door een mensensmokkelaar met een bootje naar Griekenland gebracht. Daar heeft hij op 23 augustus 2018 een verzoek om internationale bescherming ingediend. Hij heeft geen beslissing gehad op zijn asielverzoek. Met een valse Italiaanse identiteitskaart is eiser op 1 oktober 2018 vanuit Griekenland naar Nederland gevlogen. Het bestreden besluit 15. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vw 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eiser in zijn periode als brigadier in Ankara en later in zijn periode als inspecteur in Diyarbakir en als hoofdinspecteur in Mardin in de periode 1986-1997 middels het doorgeven van informatie heeft bijgedragen aan de door de Turkse politie gepleegde misdrijven. Uit openbare en gezaghebbende bronnen is bekend dat de Turkse politie niet alleen de mensenrechten van verdachten van ‘politieke’ misdrijven, maar ook die van verdachten van ‘gewone’ misdrijven, in langdurige periodes van de recente geschiedenis op wijdverbreide schaal en op systematische en ernstige wijze heeft geschonden. In genoemde periode was er sprake van ‘common practice’ daar waar het gaat om marteling/foltering en (zware) mishandeling door de Turkse politie. Deze mensenrechtenschendingen maakten derhalve onderdeel uit van een wijdverbreide en/of systematische aanval op de burgerbevolking. Verweerder acht de verklaringen van eiser over zijn werkzaamheden bij de politie in grote lijnen geloofwaardig. Verweerder acht de verklaringen van eiser over zijn werkzaamheden in Diyarbakir (1993-1995) niet geloofwaardig en eiser heeft deze werkzaamheden geprobeerd te bagatelliseren. Dit omdat eiser en een collega van eiser, die ook om internationale bescherming heeft gevraagd en thans ook de asielprocedure doorloopt, tegenstrijdig hebben verklaard over hun werkzaamheden in Diyarbakir, en verweerder de verklaringen van de collega van eiser wel geloofwaardig acht. 16. Verweerder meent dat eiser op grond van zijn verklaringen en de in de besluitvormingsfase genoemde informatie uit gezaghebbende bronnen over de werkwijze van de Turkse politie in de periode van 1986 tot in ieder geval 1997, alsmede bezien in het licht van de algemene mensenrechtensituatie in Turkije en dan in het bijzonder Zuidoost Turkije, in verband kan worden gebracht met het faciliteren van marteling/foltering en (zware) mishandeling. Dit geldt in ieder geval voor de periode van 1986 tot en met 1989 en van 1993 tot en met 1997 toen eiser achtereenvolgend brigadier in Ankara, inspecteur in Diyarbakir en hoofdinspecteur in Mardin was. Verweerder heeft de aan eiser tegengeworpen gedragingen aangemerkt als misdrijven als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder a, b, en c van het Vluchtelingenverdrag. Na toepassing van de zogenoemde ‘personal en knowing participation-test’ heeft verweerder geconcludeerd dat eiser individueel voor het faciliteren van deze misdrijven verantwoordelijk kan worden gehouden en als mededader moet worden aangemerkt. 17. Omdat eiser onder de toepassing van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag valt, kan hij volgens verweerder niet worden aangemerkt als verdragsvluchteling. Evenmin wordt hem op grond van artikel 3.107 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden van artikel 29 van de Vw 2000. Verweerder heeft aannemelijk geacht dat terugkeer van eiser naar Turkije gelet op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) niet tot de mogelijkheden behoort. Om die reden is in het bestreden besluit opgenomen dat verweerder geen gebruik zal maken van de bevoegdheid om hem uit te zetten naar het land van herkomst. 18. Verder heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten en dat tegen hem een inreisverbod wordt uitgevaardigd voor de duur van tien jaar. Verweerder acht het onthouden van enige vertrektermijn en het opleggen van een inreisverbod gerechtvaardigd om redenen van openbare orde ter bescherming van de fundamentele waarden van de samenleving en de internationale rechtsorde, voorkomen van schade aan internationale betrekkingen, het behoud van de sociale samenhang, het publieke vertrouwen in het rechtsbedeling- en immigratiesysteem en de geloofwaardigheid van de inzet van Nederland voor de bescherming van de fundamentele waarden in de artikelen 2 en 3 van het EVRM. Voorts vormt eiser een actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Het gaat om zeer ernstige misdrijven, te weten martelen/folteren en (zware) mishandeling, waarmee eiser in verband wordt gebracht. Verweerder beschouwt eiser als mededader, nu eiser die misdrijven heeft gefaciliteerd. Er is geen sprake van omstandigheden die strafrechtelijke verantwoordelijkheid van eiser zouden kunnen uitsluiten. De (enkele) omstandigheid dat eiser niet strafrechtelijk is veroordeeld voor de misdrijven waarvoor hij verantwoordelijk wordt gehouden, speelt geen rol. Er heeft nooit strafrechtelijke vervolging plaatsgevonden in Turkije. Eiser heeft de misdrijven gepleegd tijdens de uitoefenen van zijn functie, in een periode dat deze misdrijven wijdverbreid en/of systematisch werden gepleegd in Turkije. Verder zijn de misdrijven waarvoor eiser verantwoordelijk wordt gehouden weliswaar relatief lang geleden gepleegd, maar hebben zij zich wel afgespeeld gedurende een lange periode (1986-1997). In dit geval bestaat de actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving niet zo zeer uit de angst voor mogelijke recidive, maar uit de aanwezigheid van eiser op het grondgebied van Nederland. Tijdsverloop maakt die bedreiging niet minder actueel. Daarnaast merkt verweerder op dat eiser heeft ontkend verantwoordelijk te zijn voor de misdrijven waarvoor hij verantwoordelijk wordt gehouden, alsmede zijn eigen handelen heeft gebagatelliseerd en het structurele, systematische en wijdverbreide karakter van bedoelde misdrijven tegen de burgerbevolking heeft ontkend. Volgens verweerder blijkt uit deze houding niet dat eiser beseft welk verdriet hij door zijn misdrijven heeft aangericht en zijn verantwoordelijkheid heeft genomen. Bij het opleggen van een inreisverbod weegt verweerder voorts mee dat niet is gebleken dat eiser zich niet elders zou kunnen vestigen. In het kader van de evenredigheidstoets stelt verweerder zich op het standpunt dat de belangen van de Nederlandse Staat bij een onmiddellijk vertrek en bij het opleggen van een inreisverbod veel groter zijn dan de belangen van eiser om in Nederland te verblijven. Het standpunt van eiser 19. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij wijst erop dat de inlichtingendienst van de politie diensten levert aan alle eenheden van de politie. De inlichtingen die werden verzameld, werden nooit rechtstreeks door de medewerkers van de inlichtingendienst doorgegeven aan medewerkers van de eenheden die zich bezighielden met opsporing en vervolging van individuele verdachten. Het delen van de informatie verliep langs de hiërarchische lijn (via de meerdere). De operationele eenheden die zich bezighielden met opsporing van individuele verdachten verzamelden uiteraard ook zelf informatie. Knowing participation 20. Over de ‘knowing participation’ merkt eiser op dat de situatie van burgers (en verdachten) ten tijde van de regering [naam] verbeterde ten opzichte van de situatie onder het militaire regime. Het systeem werd democratisch en er kwam vrijheid van meningsuiting, geloof en cultuur. Toen hij bij de inlichtingendienst van de politie in dienst trad, was er sprake van een andere situatie. Dit blijkt ook uit het ambtsbericht van 9 maart 1990, waarin is vermeld dat er zich een aantal nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan met betrekking tot de mensenrechtensituatie, onder andere in de strafwetgeving en gevangenisreglementen die een aanzienlijke verbetering van de positie van gevangenen inhielden. Bovendien had [naam] een parlementscommissie in het leven geroepen die moest toezien op de eerbiediging van de mensenrechten. 21. Eiser benadrukt voorts dat de inlichtingendienst van de politie geen opsporingstaken heeft en dus geen verdachten verhoort. Martelingen kwamen bij de inlichtingendienst van de politie daarom niet voor. Eiser ontkent niet dat er politiemensen zijn geweest die hun boekje te buiten zijn gegaan, maar voor zover hij weet gebeurde dat niet systematisch. De circulaires die de Turkse overheid deed uitgaan aan alle onderdelen van het veiligheidsapparaat over de juiste wijze om informatie te vergaren, te weten zonder te martelen, zijn verspreid onder ‘security forces’ en dus de afdelingen die gaan over de bejegening en het verhoren van verdachten. Eiser merkt op dat de Turkse overheid vele circulaires deed uitgaan die algemene bevelen en instructies bevatten. Hij begrijpt niet hoe verweerder in redelijkheid kan menen dat hij daaruit zou moeten begrijpen dat er systematisch werd gemarteld in de Turkse politiecellen. Ook het feit dat een politiecommissaris zich in 1992 openlijk uitspreekt tegen mensenrechtenhervormingen bewijst niet dat hij, eiser, daarvan noodzakelijkerwijs op de hoogte was en al helemaal niet dat hij door zo’n uitspraak had moeten begrijpen dat er stelselmatig werd gemarteld. 22. Verder wijst eiser erop dat hij in 1986 als brigadier (de laagste rang) aan de slag ging bij de inlichtingendienst van de politie te Ankara. Hier werkten geen operatieve diensten en er werden geen verdachten vastgehouden of gearresteerd. Toen hij in 1986 begon, wist hij niet wat er aan de hand was. Eiser had slechts toegang tot nationale bronnen waarin niet geschreven werd over mensenrechtenschendingen. Uit het onderzoek van Bahcekik, waarnaar verweerder heeft verwezen, blijkt ook dat de Turkse overheid vanaf 1980 tot ver in de jaren ‘90 op allerlei manieren informatie over mensenrechtenschendingen die door de politie werden begaan, ontkende. In Turkije werd er niet of nauwelijks over gesproken. Er was slechts één (staats)televisiezender en in het weekend las hij één krant. Meer informatie had eiser in die tijd niet. Bovendien werden mediaberichten over marteling sterk gewantrouwd. Het werd – ook in de media en de publieke opinie – vaak als propaganda tegen de overheid gezien. 23. Eiser voert verder aan dat de analyseafdeling van de inlichtingendienst, waar hij van 1986 tot 1989 kwam te werken, zich met name richtte op rechtsextremistische groeperingen. Het is niet juist zoals verweerder veronderstelt, dat hij door zijn werk onbeperkt toegang had tot nieuwsbronnen. Er waren in die tijd geen computers en al helemaal geen internet. De bronnen die hij moest analyseren werden aangeleverd door leidinggevenden. Het waren vooral kopieën van nieuwsberichten die hij kreeg om te analyseren en schriftelijke informatie uit de provincies van Turkije. De informatie die hij moest analyseren werd vervolgens via zijn meerderen doorgegeven aan afdelingen en eenheden waar hij geen zicht op had. Van 1989 tot 1983 heeft hij gewerkt op de afdeling communicatie waar hij zich niet heeft beziggehouden met de analyse van informatie. In Diyarbakir heeft hij van augustus 1993 tot december 1994 op de technische afdeling gewekt. Van december 1994 tot juni 1995 is hij bezig geweest om een afdeling analyse op te zetten in Diyarbakir. Ook op die afdeling werd alleen informatie geanalyseerd die door leidinggevenden werd aangeleverd. Eiser benadrukt dat op basis van die analyses geen operaties werden uitgevoerd door de inlichtingendienst. 24. Over de periode in Diyarbakir merkt eiser op dat verweerder het niet geloofwaardig vindt dat hij niets van martelingen bij de afdeling terreurbestrijding zou hebben geweten en dat ongeloofwaardig is dat er geen contact was tussen de inlichtingendienst van de politie en de afdeling terreurbestrijding mede omdat ze in één gebouw gehuisvest waren. Verweerder stelt dat uit het onderzoek van [naam] blijkt dat zij in de periode 1993-1995 nauw met elkaar hebben samengewerkt. Eiser bestrijdt dit. Het onderzoek van [naam] heeft betrekking op de aanslagen in 2003 in Istanbul. In dit onderzoek staat niets over Diyarbakir in de periode 1993-1995. Het onderzoek van [naam] levert wel informatie over de algemene werkwijze van de inlichtingendienst van de Turkse politie, maar ziet op de situatie in 2003. Dat is zes tot tien jaar later dan toen hij bij de inlichtingendienst werkte. Verder brengt eiser naar voren dat de verschillende afdelingen in het gebouw waar hij werkte letterlijk en figuurlijk strikt van elkaar waren gescheiden. De medewerkers van de verschillende afdelingen kenden elkaar niet eens. Hij heeft nooit geweten wat er verder in het gebouw gebeurde. Als hij ook maar het vermoeden had gehad dat door zijn werk uiteindelijk mensen gemarteld zouden worden, had hij daar onmiddellijk werk van gemaakt en zich daartegen verzet. Los daarvan verkeerde hij destijds niet in de positie, als er systematische misstanden zouden zijn geweest, om die te verhinderen. 25. Over het bezoek van de delegatie van CPT herhaalt eiser dat hij alleen wist dat de Europese Unie bezoeken aflegde aan Turkije. De CPT was hem volstrekt niet bekend, daar heeft hij eerst in Nederland van gehoord. Voorts legt eiser uit dat het politiebureau in Diyarbakir een groot gebouw was. Het gedeelte dat bij de inlichtingendienst in gebruik was, was met ijzeren deuren en hekken afgescheiden van het gedeelte dat door de terreurbestrijding in gebruik was. Hij was niet bevoegd om op die afdeling te komen. Eiser wijst erop dat hij later heeft gelezen dat de CPT de antiterreureenheden en gevangenissen heeft bezocht. Uit de rapportages blijkt niet dat de CPT ook de inlichtingendienst van de politie heeft bezocht. 26. Met betrekking tot de periode in Mardin wijst eiser erop dat hij daar coördinator van het bureau was. Eiser besliste niet welke informatie verder gebruikt zou worden. Hij was ook in deze periode er niet van op de hoogte dat er bij de operatieve afdelingen van de politie systematisch zou zijn gemarteld. Ook bestrijdt hij de nauwe samenwerking tussen de inlichtingendienst en de afdeling terreurbestrijding. Het was uiteraard de bedoeling dat het werk van de inlichtingendienst de operationele afdeling hielp en ondersteunde in hun werk, maar dat is geen vorm van nauwe samenwerking zoals verweerder stelt. Personal participation 27. Met betrekking tot ‘personal participation’ bestrijdt eiser dat hij misdrijven heeft gefaciliteerd. Verweerder heeft niet aangetoond dat hij door zijn handelen of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan de martelingen die door de Turkse politie zijn begaan in de periode 1986-1997 in Oost-Turkije. Zoals hij heeft verklaard verzamelt de inlichtingendienst informatie die schriftelijk en via de hiërarchische lijn wordt doorgegeven aan verschillende afdelingen van de politie. Mede op basis van deze informatie verzamelden eenheden van de afdeling terreurbestrijding verder informatie over individuele personen. Op basis van de informatie die de anti-terreurafdeling van de politie verzamelde, werd overgegaan tot opsporing en vervolging. De afdeling terreurbestrijding heeft zijn eigen onderzoekseenheden die informatie verzamelen. Daarnaast zijn er ook andere diensten die inlichtingen verzamelen, zoals de gendarmerie. De analyses van de inlichtingendienst betreffen dus geen directe informatie die kan dienen als bewijs tegen een verdachte. Hij moest als analist de mogelijk serieuze informatie scheiden van de ‘ruis’. De informatie en de analyses van eiser waren niet specifiek gericht op het verzamelen van strafrechtelijk bewijs. Op basis van zijn analyses werden geen aanhoudingen verricht. Zoals ook [naam] uitlegt, moet er een onderscheid worden gemaakt tussen strategische en tactische informatie. De geanalyseerde informatie werd aan de besluitvormers doorgegeven. Zij besloten welk informatiespoor nader bekeken moest worden en met welke politieafdeling de informatie gedeeld moest worden. De betreffende politieafdeling ging dan verder met het rechercheren van informatie en eventueel over tot opsporing en vervolging. 28. Eiser brengt verder naar voren dat verweerders standpunt, dat hij ongeloofwaardig zou hebben verklaard over zijn werkzaamheden op de technische afdeling te Diyarbakir, is gebaseerd op een onjuiste voorstelling van de feiten. Verweerder stelt dat eisers verklaringen strijdig zijn met de verklaringen van een collega, die hier te lande ook in de asielprocedure zit. Dat is echter onjuist. Eiser wijst erop dat dat hij en zijn collega in de periode 1993-1995 beiden in Diyarbakir hebben gewerkt bij de inlichtingendienst van de politie. Toen eiser in 1993 bij de technische afdeling van de inlichtingendienst werd gestationeerd, werkte zijn collega bij de afdeling informatie binnen de technische afdeling van de inlichtingendienst. Eiser en zijn collega hebben dus niet samen op dezelfde afdeling gewerkt. Die collega heeft overigens in zijn procedure (zijn zienswijze) uitgelegd waarom hij niet heeft verklaard dat eiser op de technische afdeling heeft gewerkt. Eiser wijst er nog op dat binnen de inlichtingendienst de ene medewerker niet per se weet waar de andere medewerker mee bezig is als dat niet nodig is voor het goed uitvoeren van de werkzaamheden. Voorts vindt eiser het vreemd dat het feit dat hij en zijn collega tegelijkertijd de asielprocedure doorlopen, kort na elkaar een 1(F)-gehoor hebben gehad, samen op hetzelfde AZC verblijven en dezelfde gemachtigde hebben, voor verweerder reden is om zijn verklaringen te wantrouwen. Eiser meent dat het feit dat de verklaringen over de werkzaamheden op de technische afdeling met elkaar overeenstemmen een reden is om de verklaringen juist wel geloofwaardig te achten. 29. Eiser is daarnaast van mening dat er door verweerder geen goed onderscheid wordt gemaakt tussen de verantwoordelijkheden en werkzaamheden van de diverse politieafdelingen. Verweerder lijkt ervan uit te gaan dat de relatie tussen de inlichtingendienst en de afdeling terreurbestrijding nauw is verweven. Er is echter een grote afstand tussen beide afdelingen. Ook uit het onderzoek van [naam] kan niet geconcludeerd worden dat er een nauwe relatie is. 30. Voorts benadrukt eiser dat hij nooit misdaden tegen de menselijkheid heeft begaan. Hij heeft niet gemarteld en ook geen bijdrage geleverd aan martelingen. Hij heeft zijn ogen niet gesloten voor foltering of getracht die onder het matje te schuiven. Als hij op enig moment een opdracht had ontvangen van zijn bevelhebbers om foltering toe te passen of te faciliteren, zou hij die opdracht niet hebben uitgevoerd en zijn ontslag hebben ingediend. Er is geen rechtstreeks verband tussen het analyseren van informatie en het opsporen/arresteren van individuele verdachten. Als dat rechtstreeks verband zou worden losgelaten, betekent dat dat elke politieman in Turkije verantwoordelijk kan worden gesteld voor de misdrijven die door de politie zijn begaan. Dit strookt niet met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU, waaruit blijkt dat de verantwoordelijkheid voor misdrijven moet worden vastgesteld aan de hand van objectieve en subjectieve criteria en nagegaan dient te worden welke rol de betrokken persoon daadwerkelijk heeft gespeeld bij de betrokken daden. Verweerder moet daarom nagaan welke positie hij, eiser, had binnen de organisatie en welke kennis hij had of had moeten hebben van de activiteiten van de organisatie. Er dient een individueel onderzoek te worden gedaan ten aanzien van alle feiten en omstandigheden alvorens tot uitsluiting op grond van artikel 1(F) te komen. Deze manier van beoordelen is ook terug te zijn in de uitspraak van het Supreme Court of Canada (SCC) in de zaak Ezokola: “ To exclude a claimant from the definition of refugee by virtue of art. 1F (a), there must be serious reasons for considering that the claimant has voluntary made a significant and knowing contribution to the organization’s crime or criminal purpose.” 31. Eiser wijst erop dat het SCC vindt dat een aantal – niet limitatief opgesomde – factoren bij dit individuele onderzoek zouden moeten worden betrokken: a) de omvang en aard van de organisatie, b) het onderdeel van de organisatie waarbinnen de betrokken het meest (direct) werkzaam was, c) de plichten en activiteiten van de betrokken persoon binnen de organisatie, d) de positie of rang van de betrokken persoon binnen de organisatie, e) hoe lang de betrokken persoon tot deze organisatie behoorde en f) hoe de betrokken persoon werd gerekruteerd en de mogelijkheden die hij had om de organisatie te verlaten. Eiser is van mening dat door verweerder in ieder geval geen rekening is gehouden met de eerste drie genoemde factoren. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder er rekening mee heeft gehouden dat de Turkse politieorganisatie primair de taak en verantwoordelijkheid heeft om de veiligheid van de burgers van de Staat te waarborgen. Dat betekent dat de politie indien mogelijk aanslagen moet voorkomen en daarvoor is een inlichtingendienst noodzakelijk. Daarnaast heeft verweerder geen rekening gehouden met zijn plichten en werkzaamheden binnen de inlichtingendienst. 32. Eiser erkent dat uit de door verweerder aangehaalde publicaties blijkt dat de Turkse politie in bedoelde periode verdachten heeft gemarteld in de politiecellen, maar uit die publicaties blijkt niet dat elke politieofficier in het Turkse politiecorps, van wel onderdeel dan ook, per definitie betrokken moet zijn geweest bij al deze misdrijven. Het verwijt dat hem wordt gemaakt is dat hij door zijn werk misdrijven heeft gefaciliteerd, maar het staat niet vast dat zijn werkzaamheden rechtstreeks tot arrestatie van verdachten hebben kunnen leiden. Verweerder baseert zich op het onderzoek van [naam] terwijl dat onderzoek slechts zijdelings ingaat op de rol van de inlichtingendienst binnen de politieorganisatie en al helemaal niet is toegesneden op de rol van de inlichtingendienst in de periode 1986-1997. Terugkeerbesluit en inreisverbod 33. Eiser meent dat er geen sprake is van een actuele bedreiging. De feiten die hem worden tegengeworpen zijn jaren geleden gebeurd. Ze hebben 23 tot 34 jaar geleden plaatsgevonden. Het lange tijdsverloop is een belangrijke omstandigheid, die veel zwaarder had moeten wegen. Bovendien heeft hij nooit misdrijven gepleegd, zodat niet gesteld kan worden dat de actualiteit van de dreiging gelegen is in het feit dat hij geen berouw toont. Dat hij ontkent dat hij misdrijven heeft begaan, betekent niet dat hij het bagatelliseert. Verder is ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat hij zich altijd heeft ingezet voor een eerlijke en betrouwbare politieorganisatie door ervoor te zorgen dat de politiemedewerkers die onder zijn verantwoordelijkheid vielen, zich altijd aan de geldende wetten en regels hielden. Hij heeft zich altijd ingespannen voor een integere politieorganisatie. Daarnaast is eiser van mening dat verweerder in het kader van de evenredigheidstoets onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat hij niet uitzetbaar is naar zijn land van herkomst. Daarbij komt dat hij onder voortdurende medische controle staat voor zijn hartaandoening. Om de twee à drie weken moet zijn bloed onderzocht worden om de medicatie, die hij tot het eind van zijn leven zal moeten gebruiken, goed te doseren. Eiser kan de medische onderzoeken en ingrepen, evenals zijn medicatie niet uit eigen middelen betalen. De beoordeling van de rechtbank 34. Ten aanzien van de vraag of verweerder zich op grond van de inhoud van eisers dossier terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij eiser sprake is van “personal” en “knowing participation” en zodoende het bepaalde in artikel 1(F) aanhef en onder a, b en c, van het Vluchtelingenverdrag terecht aan eiser heeft tegengeworpen, overweegt de rechtbank als volgt. Het juridisch kader 35. Ingevolge artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van het Verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat: a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen; b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten; c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties. 36. Ingevolge artikel 3.17, eerste lid, van het Vb 2000 wordt onder een persoon als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag mede versta

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...