Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2019:6498

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2019-06-13
Procedure
Bodemzaak
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
awb19/682
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
ja
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.522 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

intrekking, niet voldoen aan verblijfsdoel

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 19/682 V-nummer: [nummer] proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam 1], eiser (gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. A. Dijcks). Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 11 januari 2019 (het bestreden besluit), waarbij zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 2]’ is ingetrokken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. V.S. Nolet, als waarnemer van gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Overwegingen 1. De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak. De rechtbank overweegt het volgende. 2. Eiser heeft vanaf 2 augustus 2017 een verblijfsvergunning gehad voor verblijf bij referente [naam 2]. Het is niet in geschil dat eiser niet meer voldoet aan de voorwaarden van die verblijfsvergunning. Verweerder heeft de verblijfsvergunning daarom terecht ingetrokken en wel met ingang van 4 juni 2018. Dit is de datum waarop verweerder de melding van referente heeft ontvangen dat de relatie met eiser verbroken is. 3. Verweerder heeft in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven zien om van intrekking af te zien. Verweerder stelt daarover terecht dat eiser zijn gestelde problemen met referente en haar familie, noch zijn psychische klachten met bewijs heeft onderbouwd. Verweerder heeft om die reden ook geen reden hoeven zien om eiser te horen op het bezwaar. Het bezwaar is terecht afgedaan als kennelijk ongegrond. 4. Het beroep is ongegrond. 5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Loonstra, griffier, op 13 juni 2019. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...