Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2019:11907

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2019-10-31
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
AWB 18/9265
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.871 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Proceskostenveroordeling na intrekking van het bestreden besluit

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 18/9265 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2019 in de zaak tussen [eiseres] , eiseres, V-nummer [v-nummer] (gemachtigde mr. A. Agayev), tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder Procesverloop Bij besluit van 7 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres van 23 mei 2018 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij brief van 4 oktober 2019 heeft verweerder medegedeeld dat het bestreden besluit is ingetrokken en dat op het bezwaar opnieuw zal worden beslist. Eiseres heeft op 6 oktober 2019 het beroep ingetrokken, voordat het beroep op zitting werd behandeld, en verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten van het beroep. Overwegingen De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting op het verzoek om proceskostenvergoeding. De rechtbank stelt vast dat eiseres het beroep heeft ingetrokken omdat verweerder aan eiseres is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder heeft de in verband met de intrekking van het beroep gemaakte aanspraak op proceskosten niet bestreden. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Als aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. Voor vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding omdat het verzoek van eiseres om vrijstelling van het griffierecht is toegewezen op grond van de door eiseres verstrekte gegevens over haar inkomsten en vermogen. Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 512,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2019. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat voor partijen binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet open bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij op grond van artikel 8:55, eerste lid van de Awb vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...