← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBAMS:2026:5114

Rechtbank Amsterdam · 2026-05-22 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
AMS 26/2744
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
4.419 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Verzoek voorlopige voorziening. Intrekking Nederlanderschap. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om het verzoek toe te wijzen in die zin, dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort en verzoeker wordt behandeld als Nederlander, in ieder geval tot zes weken nadat op het bezwaar, connex aan dit verzoek, is beslist.

Materiële kern

RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht Zaaknummer: AMS 26/2744 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2026 in de zaak tussen [verzoeker], geboren op [geboortedag] 1988, van Marokkaanse en Nederlandse nationaliteit, hierna: verzoeker (gemachtigde: mr. J.P.W. Temminck Tuinstra), en de Minister van Justitie en Veiligheid, hierna: de minister. (gemachtigde: mr. W.J. Poot) Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening die ertoe strekt om verzoeker te behandelen als ware hij in het bezit van de Nederlandse nationaliteit, totdat inhoudelijk op het beroep in de intrekkingsprocedure is beslist. 1.1. Bij het bestreden besluit van 28 april 2026 heeft de minister het Nederlanderschap van verzoeker ingetrokken. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 1.2. Omdat het verzoek kennelijk gegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is. Beoordeling door de voorzieningenrechter Ten aanzien van het griffierecht 2. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen wegens betalingsonmacht. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe, zodat verzoeker in deze zaak geen griffierecht hoeft te betalen. Ten aanzien van het verzoek 3. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevraagde voorziening omdat het Nederlanderschap van verzoeker per direct is ingetrokken en het bezwaar daartegen geen schorsende werking heeft. 5. Deze zaak gaat over het intrekken van het Nederlanderschap van verzoeker. Deze rechtbank heeft een soortgelijke zaak behandeld op een zitting van de meervoudige kamer. In die zaak is op 24 maart 2025 uitspraak gedaan. De rechtbank heeft overwogen dat artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap in strijd is met internationaal verdrags- en Unierecht. Dit artikel is daarom door de rechtbank onverbindend verklaard. Voor de volledige motivering wijst de voorzieningenrechter op de uitspraak van de meervoudige kamer en maakt de overwegingen daarin de hare. 6. De intrekking van het Nederlanderschap is in de zaak van verzoeker gebaseerd op de bevoegdheid die deze rechtbank onverbindend heeft verklaard. Een redelijke kans van slagen van het bezwaar kan dan ook niet worden ontzegd. Tegen de uitspraak van de meervoudige kamer van 24 maart 2025 is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op het hoger beroep is nog niet beslist. 7. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om het verzoek toe te wijzen in die zin, dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort en verzoeker wordt behandeld als Nederlander, in ieder geval tot zes weken nadat op het bezwaar, connex aan dit verzoek, is beslist. 8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoeker ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De minister moet dit betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,-, omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit worden opgeschort; bepaalt dat verzoeker wordt behandeld als Nederlander, in ieder geval tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist; veroordeelt de minister tot het betalen van de proceskosten tot een bedrag van € 934,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dat staat in artikel 8:81 van de Awb. ECLI:NL:RBAMS:2025:1849.