ECLI:NL:RBAMS:2025:7646
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum
- 2025-06-20
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
verzoek om naturalisatie, gerede twijfel op grond van taalanalyse, paspoort en geboorteakte overgelegd, beroep gegrond.
Materiële kern
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AWB 23/6915 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser [V-Nummer] (gemachtigde: mr. F. Killic-Arslan) en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om naturalisatie van 11 januari 2021. 2. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 18 februari 2022 afgewezen (het primaire besluit). Hiertegen is eiser in bezwaar gegaan. Met het bestreden besluit van 26 oktober 2023 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Hiertegen is eiser in beroep gegaan. 3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2025. Daarbij waren eiser en de gemachtigde van eiser aanwezig. De staatssecretaris is met bericht van verhindering niet verschenen. Achtergrond 4. Eiser stelt van Sierra Leoonse nationaliteit te zijn. In de eerdere asielprocedure, in 2001, is twijfel ontstaan omtrent de identiteit en de nationaliteit van eiser omdat leeftijdsonderzoek aantoonde dat eiser 20 jaar of ouder was, terwijl hij aangaf geboren te zijn op [geboortedatum 1] 1984. Aan eiser is toen fictief de geboortedatum [geboortedatum 2] 1981 toegekend. Verder had eiser geen enkel document die de gestelde identiteit of nationaliteit kon onderbouwen. Tot slot wist eiser weinig over Sierra Leone en sprak hij de meest gangbare taal, Krio, van dat land niet, aldus de minister van Asiel en Migratie . 5. In het primaire besluit stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat deze twijfel niet wordt weggenomen door de door eiser overgelegde geboorteakte en het paspoort. Dit omdat zowel deze documenten als de verklaring van de ambassade van Sierra Leone in Brussel de fictief door de IND aan eiser toegekende geboortedatum vermelden als zijnde de werkelijke geboortedatum. Niet is aangetoond op grond van welke stukken eiser bij de autoriteiten van Sierra Leone aan heeft kunnen tonen dat hij werkelijk op [geboortedatum 2] 1981 is geboren en dat zijn werkelijk identiteit is zoals vermeld in de documenten. 6. Met het besluit op bezwaar is de staatssecretaris bij de afwijzing gebleven. Hierbij heeft het eerdere leeftijdsonderzoek geen rol meer gespeeld omdat een later leeftijdsonderzoek door het NFI van 30 augustus 2022 heeft uitgewezen dat eiser in 2001 wel degelijk minderjarig kon zijn. Toch bestaat er volgens de staatssecretaris nog altijd twijfel over de identiteit en nationaliteit. Hij verwijst in dit verband naar de op 14 december 2022 uitgevoerde taalanalyse, die uitwijst dat eiser niet te herleiden is tot de taalgemeenschap in Sierra Leone. Beoordeling door de rechtbank 7. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris het naturalisatieverzoek van eiser terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 7.1. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Gerede twijfel op grond van de taalanalyse? 8. Eiser voert aan dat de taalanalyse bezwaarlijk is afgenomen; eiser moest urenlang reizen in de vroege morgen en heeft vervolgens erg lang moeten wachten voordat er iemand oog voor hem had. Verder is op geen enkele manier aandacht besteed aan het feit dat eiser als minderjarige Sierra Leone heeft verlaten, ouders had die de plaatselijke dialecten thuis niet spraken en het gegeven dat eiser al ruim 20 jaar in Nederland woont in gezelschap van vele andere Afrikaanse mensen die onderling Engels spreken. Tot slot zijn de kosten van een contra-expertise voor eiser onbetaalbaar. Eiser verzoekt de rechtbank subsidiair om, voor zover er enige reden toe is om dit uit te laten voeren, te gelasten dat een contra-expertise plaatsvindt op kosten van de staatssecretaris. 9. De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris de gerede twijfel baseert op het rapport taalanalyse van 19 januari 2023, opgesteld door het TOELT. In dit rapport komt het TOELT tot de conclusie dat eiser eenduidig herleidbaar is tot de spraakgemeenschap binnen Nigeria omdat hij geen Krio spreekt, maar een vorm van Pidgin-Engels als tweede taal. Eiser moet een andere taal als eerste spreken, die hij bewust niet heeft laten horen tijdens het taalanalysegesprek. Naar aanleiding van de twijfels die de gemachtigde van eiser heeft geuit in een schriftelijke reactie op het rapport, is op 18 juli 2023 op basis van de opname van 14 december 2022 een tweede taalanalyse verricht. Geconcludeerd wordt dat eiser een vorm van Nigeriaans Pidgin-Engels spreekt en zo eenduidig te herleiden is tot Nigeria. 9.1. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat een rapport taalanalyse van het TOELT als deskundigenadvies aangemerkt kan worden. De staatssecretaris mag afgaan op dit advies indien dit op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. 9.2. In hetgeen door eiser is aangevoerd ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van het TOELT. De enkele stelling dat er met bepaalde omstandigheden geen rekening is gehouden leidt er zonder verdere onderbouwing niet toe dat voorbij gegaan moet worden aan de in het rapport taalanalyse verwoorde bevindingen. 9.3. Hier komt bij dat eiser reeds in de bezwaarfase in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het rapport van het TOELT. Zoals eerder vermeld, heeft eiser hiervan gebruik gemaakt en op 13 april 2023 bezwaren geuit tegen de getrokken conclusie dat eiser niet te herleiden is tot de taalgemeenschap in Sierra Leone. Eiser heeft hierbij met geen woord gerept over de lange reis- en wachttijd. Het TOELT heeft op 18 juli 2023 schriftelijk gereageerd, waarbij inhoudelijk is ingegaan op de door eiser geuite bezwaren. Tot een andere conclusie heeft dit echter niet geleid. Gezien deze omstandigheden ziet de rechtbank geen reden om een contra-expertise te gelasten, temeer nu eiser op de zitting heeft bevestigd dat hij het Krio niet goed beheerst waardoor niet in te zien is hoe een contra-expertise tot onderbouwing van zijn gestelde Sierra Leoons nationaliteit kan leiden. 10. Nu de rechtbank geen reden ziet om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het advies en de nadere reactie van TOELT, de redenering kan volgen en de conclusie daarop aansluit, is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris op basis van de taalanalyse heeft mogen aannemen dat er sprake is van gerede twijfel aan eisers nationaliteit en identiteit. Wordt de gerede twijfel weggenomen met de overgelegde documenten? 11. Eiser voert aan dat, in het geval de rechtbank van oordeel is dat er wel sprake is van gerede twijfel over zijn identiteit en nationaliteit, hij deze weggenomen heeft met de overgelegde documenten. De staatssecretaris heeft volgens hem onvoldoende gemotiveerd waarom het authentiek bevonden paspoort en de geboorteakte de gerede twijfel niet weg hebben genomen. Volgens eiser gaat verweerder voorbij aan de jurisprudentie omtrent de bewijskracht van een authentiek bevonden paspoort. 12. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat er een deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de afgifte van de geboorteakte en het paspoort. Immers, aan eiser is in de asielprocedure fictief de geboortedatum [geboortedatum 2] 1981 toegekend. Zowel in de geboorteakte als het paspoort en in de verklaring van de ambassade van Sierra Leone in Brussel, staat deze door de IND aan eiser toegekende geboortedatum vermeld als zijnde de werkelijke geboortedatum. Eiser heeft volgens de IND niet aangetoond op grond van welke stukken hij bij de autoriteiten van Sierra Leone aan heeft kunnen tonen dat hij werkelijk op [geboortedatum 2] 1981 is geboren en werkelijk de identiteit heeft zoals vermeld in de documenten. Ook heeft eiser niet aangetoond dat hij in de periode voor de afgifte van de geboorteakte en het paspoort in Sierra Leone heeft verbleven. Hierdoor is volgens de staatssecretaris niet aangetoond dat er een deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de afgifte van de geboorteakte en het paspoort, zodat deze documenten de gerezen twijfel niet wegnemen. 13. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geding is dat het paspoort en de geboorteakte van eiser echt zijn. Dit volgt ook uit het documentonderzoek. Zoals de Afdeling heeft overwogen, wordt aan een paspoort een belangrijke bewijsfunctie toegekend. Dat betekent dat de staatssecretaris in beginsel van de juistheid van de gegevens in een door een bevoegde autoriteit afgegeven paspoort moet uitgaan. Dat laat onverlet dat de staatssecretaris bij de beoordeling van de juistheid van de gegevens van het paspoort mag betrekken of er een deugdelijk identificatieproces aan de afgifte van het paspoort voorafgegaan is. Maar niet elke daadwerkelijke of veronderstelde administratieve tekortkoming in het afgifteproces van de afgevende vreemde staat volstaat om in het geval van een echt bevonden paspoort te concluderen dat geen sprake is van een deugdelijk identificatieproces voorafgaand aan de afgifte van een paspoort. Als de staatssecretaris stelt dat er geen deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden, moet hij dit concreet onderbouwen. Het in algemene zin uiten van twijfels over de afgiftepraktijk van het desbetreffende brondocument in de afgevende staat is hiervoor onvoldoende. 13.1. De rechtbank stelt verder vast dat de onderbouwing van de stelling van de staatssecretaris dat er geen deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden bestaat uit het feit dat een door de IND aan eiser gegeven geboortedatum op het paspoort prijkt en niet is aangetoond dat eiser in Sierra Leone is geweest teneinde de documenten aan te vragen. Zoals eiser heeft verklaard tijdens het gehoor in de bezwaarfase, en herhaald heeft ter terechtzitting, heeft hij zich in het kader van de aanvraag van het paspoort en de geboorteakte gelegitimeerd met zijn Nederlands verblijfsdocument. Hierop staat de geboortedatum [geboortedatum 2] 1981. Nu is deze datum weliswaar door de IND aan eiser toegekend, maar eiser kon in de ogen van de rechtbank weinig anders dan zich met dit document legitimeren. Eiser was immers niet in het bezit van identiteitsdocumenten toen hij voor het eerst aankwam in Nederland. Verder heeft eiser bevestigd dat hij niet in Sierra Leone is geweest om de documenten aan te vragen, maar bij de ambassade van Sierra Leone in Brussel. Eiser heeft ter onderbouwing een ingevuld aanvraagformulier van de ambassade in Brussel overlegd. Niet valt in te zien dat van eiser verwacht moest worden dat hij vanuit Nederland naar Sierra Leone zou reizen om de documenten aan te vragen, als hij dat kennelijk ook in Brussel kon doen. 14. Dit maakt dat de twijfel van de staatssecretaris in de ogen van de rechtbank feitelijk ziet op de afgiftepraktijk van de desbetreffende documenten door de Sierra Leoonse autoriteiten, waarbij kennelijk wordt uitgegaan van de juistheid van de geboortedatum op een Nederlands verblijfsdocument en het voor een aanvraag niet nodig is om in persoon naar Sierra Leone te gaan. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris hiermee niet concreet heeft onderbouwd dat er in dit geval geen deugdelijk identificatieproces heeft plaatsgevonden bij de aanvraag en afgifte van de geboorteakte en het paspoort. Het had op de weg van de staatssecretaris gelegen om nader onderzoek te doen naar de bewijswaarde van de geboorteakte en het paspoort en de wijze waarop eiser stelt deze documenten te hebben verkregen. Conclusie 15. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3:2 (zorgvuldigheidsvereiste) en 7:12 (motiveringsvereiste) van de Awb. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank zal de staatssecretaris opdragen om binnen een termijn van zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Het ligt nu namelijk allereerst op de weg van de staatssecretaris om een beter onderbouwd standpunt in te nemen over het identificatieproces dat aan de afgifte van het paspoort van eiser is voorafgegaan, dan wel om aan eiser alsnog het Nederlanderschap te verlenen. 16. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten en om te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 184 moet vergoeden. De proceskosten worden vastgesteld op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet geen aanleiding voor het toekennen van schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb nu daartoe geen gronden zijn aangevoerd. De rechtbank ziet evenmin reden om een dwangsom op te leggen. Een dwangsom is in de regel bedoeld als (financiële) prikkel om een weigerachtig bestuursorgaan te bewegen alsnog een besluit te nemen. Daar lijkt in dit geval geen sprake van. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat de staatssecretaris binnen zes weken een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J.M. Kruizinga, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.W. Kwakman, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Voorheen de staatssecretaris van Justitie. Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) Nederlands Forensisch Instituut. Team Onderzoek en Expertise Land en Taal. Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2023:4302, rechtsoverweging 4.1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2023:4302, rechtsoverwegingen 5.5 en 5.6. ECLI:NL:RVS:2023:4302, rechtsoverweging 6.7. Algemene wet bestuursrecht.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...