ECLI:NL:OGHACMB:2021:376
- Instantie
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Datum
- 2021-10-13
- Procedure
- Hoger beroep
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asielverzoek. Beroep tegen een fictieve afwijzende beschikking op bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken procesbelang. Vernietiging en opdracht om alsnog te beslissen op het gemaakte bezwaar.
Materiële kern
AUA2021H00097 Datum uitspraak: 13 oktober 2021 gemeenschappelijk hof van jusTitie van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], verblijvend in Venezuela, appellant, tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 12 april 2021 in zaak nr. AUA202002428, in het geding tussen: appellant, en de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie (hierna: de minister). Procesverloop Bij beschikking van 30 juni 2020 heeft de minister het verzoek van [appellant] om internationale bescherming afgewezen. Op 22 juli 2020 heeft [appellant] daartegen bezwaar gemaakt. Op 1 oktober 2020 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het door hem gemaakte bezwaar (hierna: fictieve afwijzende beschikking op bezwaar). Bij uitspraak van 12 april 2021 heeft het Gerecht het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. [Appellant] heeft nadere stukken ingediend. Met toestemming van partijen is een behandeling ter zitting achterwege gelaten. Overwegingen Op 12 juni 2020 heeft [appellant] de minister verzocht om internationale bescherming. Dat verzoek heeft de minister bij beschikking van 30 juni 2020 afgewezen. Daartegen heeft [appellant] op 22 juli 2020 bezwaar gemaakt. Tegen de fictieve afwijzende beschikking op bezwaar heeft de gemachtigde van [appellant] beroep ingesteld. Het Gerecht heeft dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft het Gerecht overwogen dat [appellant] geen belang meer heeft bij de procedure omdat hij niet meer in Aruba verblijft. Uit de reactie van de gemachtigde op de vraag of [appellant] nog op het eiland is, en nu de gemachtigde niet ter zitting is verschenen, is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij nog in contact is met [appellant], aldus het Gerecht. In hoger beroep voert [appellant] aan dat uit de vraagstelling van het Gerecht niet kon worden afgeleid dat zijn gemachtigde moest onderbouwen dat hij nog in contact is met [appellant]. Hij stelt nog steeds een procesbelang te hebben omdat hij nog altijd wenst dat de minister een beslissing neemt op zijn gemaakte bezwaar. 2.1. Bij e-mailbericht van 3 december 2020 heeft het Gerecht aan de gemachtigde van [appellant] gevraagd of [appellant] nog op het eiland is. Daarop heeft zijn gemachtigde het volgende geantwoord: "Nee, maar appellant is met de sterke arm uitgezet en stelt nog altijd internationale bescherming op prijs. Hij zal mij gisteren nog bericht de volledige administratieve procedure te willen doorlopen en thans ondergedoken te zijn in Venezuela". Later dezelfde dag heeft de gemachtigde het Gerecht nog het volgende emailbericht gestuurd: "Uit de gedragingen van appellant kan worden afgeleid dat hij nog internationale bescherming op prijs stelt. Het is niet zo dat hij vrijwillig is vertrokken en een vertrekverklaring heeft ondertekend. Nu geen vertrekverklaring voorhanden is en appellant nog altijd het contact met ondergetekende niet is onderbroken, dient vastgesteld te worden dat met het trachten bevorderen van een spoedige besluitvorming van de zijde van verweerder appellant in een gunstiger positie kan komen te behandelen." 2.2. De gemachtigde van appellant heeft zich aldus op het standpunt gesteld dat hij weet waar [appellant] verblijft en dat hij nog contact met hem onderhoudt. Uit de overwegingen van het Gerecht blijkt niet waarom dit standpunt, zoals het Gerecht oordeelt, onvoldoende aannemelijk is. Het enkele feit dat de gemachtigde later niet ter zitting is verschenen is daarvoor onvoldoende. Het Hof volgt het Gerecht dan ook niet in zijn oordeel dat [appellant] geen procesbelang heeft. Het betoog slaagt. Het Gerecht heeft het beroep van [appellant] ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. 3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Gelet op artikel 53d, tweede en derde lid, van de Lar ziet het Hof aanleiding een terugverwijzing naar het Gerecht achterwege te laten. Daartoe overweegt het Hof als volgt. Ten tijde van het sluiten van het onderzoek van het Gerecht was nog geen reële beslissing op bezwaar genomen en daarnaast heeft de minister geen inhoudelijk verweer gevoerd. Die omstandigheden maken dat de, ongemotiveerde, fictieve afwijzende beschikking op bezwaar kennelijk niet in stand kan blijven. Het daartegen ingestelde beroep is kennelijk gegrond. Het Hof zal de fictieve afwijzende beschikking op bezwaar vernietigen en de minister opdragen alsnog op het gemaakte bezwaar te beslissen. 4. De minister moet de proceskosten van [appellant] in beroep en hoger beroep vergoeden. Daarbij wordt een wegingsfactor van 0,25 toegepast. Het Hof stelt de proceskosten vast op een bedrag van Afl. 350,- (voor het indienen van een beroep- en hogerberoepschrift). Beslissing Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba: I. verklaart het hoger beroep gegrond ; II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 12 april 2021 in zaak nr. AUA202002428; III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond ; IV. vernietigt de bestreden fictieve afwijzende beschikking op bezwaar; V. draagt de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie op om met in achtneming van wat in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen; VI. veroordeelt de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Afl. 350,-, geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand; VII. gelast dat de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 100,- vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier. w.g. Bel voorzitter w.g. Van der Heide griffier Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2021.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...