ECLI:NL:RVS:2026:891
- Instantie
- Raad van State
- Datum
- 2026-02-18
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluiten van 2 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Materiële kern
BRS.26.000640 ECLI:NL:RVS:2026:891 Datum uitspraak: 18 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van onder meer: [verzoeker 1], mede namens zijn minderjarige zoon, en [verzoeker 2], verzoekers, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 28 januari 2026 in zaken nrs. NL25.49345 en NL25.49349 in het geding tussen: verzoekers en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluiten van 2 oktober 2025 heeft de minister aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 28 januari 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd voor zover daarin aan verzoekers een terugkeerbesluit is opgelegd en bepaald dat de rechtsgevolgen voor het overige in stand blijven. Tegen deze uitspraak hebben de minister en verzoekers hoger beroep ingesteld. Ook hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgen. 2. Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457). 3. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekers niet worden uitgezet, totdat op het door hun ingestelde hoger beroep is beslist; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier. w.g. Wissels voorzieningenrechter w.g. Vos griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026 644
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...