Zaak

ECLI:NL:RVS:2026:58

Instantie
Raad van State
Datum
2026-01-05
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202504814/1/V2
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.073 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluiten van 31 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

05Kern

Materiële kern

202504814/1/V2. Datum uitspraak: 5 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant 1], [appellant 2], mede voor hun minderjarige kinderen, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 21 augustus 2025 in zaken nrs. NL25.16169 en NL24.50910 in het geding tussen: appellanten en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluiten van 31 maart 2025 heeft de minister aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 21 augustus 2025 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. F.W. Verweij, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 7 van de uitspraak van de rechtbank over. 1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2.       Het hoger beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier. w.g. Essenburg lid van de enkelvoudige kamer w.g. Prins griffier Uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2026 363-1170

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...