Zaak

ECLI:NL:RVS:2026:555

Instantie
Raad van State
Datum
2026-02-02
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202500947/1/V1
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
5.859 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

05Kern

Materiële kern

202500947/1/V1. Datum uitspraak: 2 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 20 januari 2025 in zaak nr. NL24.51287 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij uitspraak van 20 januari 2025 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Pals, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 24 december 2025 heeft de minister de aanvraag van appellant afgewezen. Appellant, inmiddels vertegenwoordigd door mr. A.A. van Harmelen, advocaat in Den Haag, heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend. Overwegingen Het hoger beroep 1.       Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op zijn aanvraag. Dat heeft de minister bij het besluit van 24 december 2025 wel gedaan. Wat appellant aanvoert, schept geen belang voor het beoordelen van zijn hoger beroep. Dat wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. 2.       De Afdeling heeft in haar uitspraken van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, en 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie om te kunnen bepalen of de minister de beslistermijn, met WBV 2022/22 en WBV 2023/3, heeft mogen verlengen. Het Hof heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in haar uitspraak van 8 november 2023, die gaan over WBV 2022/22. De Afdeling moet hierover nog einduitspraak doen. Het Hof heeft nog geen antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in de verwijzingsuitspraak van 10 juli 2024. Na de einduitspraak in de verwijzingszaak die gaat over WBV 2022/22 zal de Afdeling bezien of verdere aanhouding van zaken die vallen onder WBV 2023/3 nodig is, vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2219, onder 1 en 2. 3.       Het voorgaande heeft geen invloed op de vraag of appellant zijn proceskosten vergoed moet krijgen. In dit geval heeft de minister bij het besluit van 24 december 2025 de aanvraag van appellant om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5543, onder 3.3, volgt dat de beslistermijn aanvangt op het moment dat een vreemdeling ten overstaan van de autoriteiten in persoon zijn asielwens kenbaar maakt, waarvan de loopbrief doorgaans het bewijs is. De minister kan de beslistermijn opschorten. In dit geval maakt het niet uit of de minister de beslistermijn heeft opgeschort of niet, omdat er na de ondertekening van het formulier model M35-H op 3 november 2023 meer dan vijftien maanden zijn verstreken voordat de minister een besluit heeft genomen op de asielaanvraag. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen. 4.       De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden. Het gaat om een punt voor het hogerberoepschrift. Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe. Het besluit van 24 december 2025 5.       In het besluit van 24 december 2025 heeft de minister de asielaanvraag van appellant afgewezen. Appellant heeft bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, beroep ingesteld tegen dat besluit. Bij de Afdeling is echter, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, al van rechtswege een beroep tegen dat besluit ontstaan. 6.       De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 24 december 2025, krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam. De Afdeling acht het uit een oogpunt van rechtsbescherming passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. Op die manier heeft appellant twee instanties om de inhoudelijke beoordeling ter discussie te stellen. Daarbij is de rechtbank erop ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter. 7. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; II.       verwijst het beroep tegen het besluit van 24 december 2025, [V-…], naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam; III.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier. w.g. De Moor-van Vugt lid van de enkelvoudige kamer w.g. Hanrath griffier Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2026 392

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...