Zaak

ECLI:NL:RVS:2026:1103

Instantie
Raad van State
Datum
2026-02-26
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202504933/1/V2
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.708 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 9 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

05Kern

Materiële kern

202504933/1/V2. Datum uitspraak: 26 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 september 2025 in zaak nr. NL25.21532 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 9 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 1 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.A. Krikke, advocaat in Bussum, hoger beroep ingesteld. Appellant heeft nadere stukken ingediend. De minister heeft op verzoek van de Afdeling een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De minister heeft een nader stuk ingediend, waarop de gemachtigde van appellant heeft gereageerd. Overwegingen 1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overdracht aan Frankrijk onomkeerbare gevolgen zal hebben voor zijn gezondheidstoestand. De minister heeft toegezegd dat hij, als appellant daar toestemming voor verleent, de Franse autoriteiten zal informeren over zijn bijzondere medische behoeften en omstandigheden en dat zijn overdracht zal worden opgeschort als duidelijk is dat Frankrijk daar niet aan kan voldoen. Verder heeft hij toegezegd dat de Dienst Terugkeer en Vertrek voorafgaand aan het vertrek zal bezien of appellant medisch gezien kan worden overgedragen aan Frankrijk. 1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. van Kesteren, griffier. w.g. Schipper-Spanninga lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Kesteren griffier Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026 897-1065

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...