ECLI:NL:RVS:2025:5560
- Instantie
- Raad van State
- Datum
- 2025-11-17
- Procedure
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluit van 21 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Materiële kern
BRS.25.001958 ECLI:NL:RVS:2025:5560 Datum uitspraak: 17 november 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [verzoeker], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 3 november 2025 in zaak nr. NL25.40060 in het geding tussen: [verzoeker] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 21 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 3 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zijn voorgenomen overdracht aan Duitsland op 18 november 2025 achterwege blijft, dat hij niet wordt overgedragen voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt. 2. Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Gelet op de belangen die de minister en verzoeker naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening. De overdracht van verzoeker aan Duitsland heeft verder geen onomkeerbare gevolgen. Mocht uiteindelijk blijken dat Nederland verantwoordelijk moet worden geacht voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, dan kan verzoeker vanuit Duitsland worden teruggeleid naar Nederland. 3. Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier. w.g. Kuijer voorzieningenrechter w.g. Huizer griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2025 987
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...