Zaak

ECLI:NL:RVS:2025:5147

Instantie
Raad van State
Datum
2025-10-27
Procedure
Voorlopige voorziening
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202403299/2/V3
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.674 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 20 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

05Kern

Materiële kern

202403299/2/V3. Datum uitspraak: 27 oktober 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, van: [verzoeker, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 21 mei 2024 in zaak nr. NL23.18001 in het geding tussen: verzoeker en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 20 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 21 mei 2024 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Verzoeker heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 8 mei 2025 heeft de minister de aanvraag van verzoeker opnieuw niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoeker beroepsgronden ingediend. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1.       Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat is beslist op zijn beroep tegen het besluit van 8 mei 2025, dat ingevolge artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, bij de beoordeling van de door partijen ingestelde hoger beroepen wordt betrokken. 2.       Gelet op wat is aangevoerd, is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat uiteindelijk zal blijken dat het besluit van 8 mei 2025 niet in stand zal blijven. Gelet hierop en in aanmerking genomen de belangen die verzoeker naar voren heeft gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening. 3.       Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier. w.g. Van Breda voorzieningenrechter w.g. Nederhoff griffier Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2025 918-1102

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...