ECLI:NL:RVS:2025:49
- Instantie
- Raad van State
- Datum
- 2025-01-10
- Procedure
- Hoger beroep
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Materiële kern
202406110/1/V1. Datum uitspraak: 10 januari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 3 september 2024 in zaak nr. NL23.30925 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij uitspraak van 3 september 2024 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. K. Ross, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). De uitspraak gaat namelijk over het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit dat de vreemdeling heeft ingesteld op 28 september 2023 en niet over het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit dat zij heeft ingesteld op 10 april 2024. 2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier. w.g. Van Breda lid van de enkelvoudige kamer w.g. Hanrath griffier Uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2025 392
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...