ECLI:NL:RVS:2025:4877
- Instantie
- Raad van State
- Datum
- 2025-10-13
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluit van 8 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoekster om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Materiële kern
202505057/2/V2. Datum uitspraak: 13 oktober 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [verzoekster], verzoekster, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 4 september 2025 in zaak nr. NL25.22323 in het geding tussen: verzoekster en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 8 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoekster om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 4 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoekster ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoekster hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster heeft een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgt. 2. Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457). 3. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekster niet wordt uitgezet, totdat op het door haar ingestelde hoger beroep is beslist; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Koelman, griffier. w.g. Ristra-Peeters voorzieningenrechter w.g. Koelman griffier Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2025 1021
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...