Zaak

ECLI:NL:RVS:2025:4765

Instantie
Raad van State
Datum
2025-10-06
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202504498/1/V3
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.462 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 1 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

05Kern

Materiële kern

202504498/1/V3. Datum uitspraak: 6 oktober 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 31 juli 2025 in zaak nr. NL25.29072 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 1 juli 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 31 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E.G. Grigorjan, advocaat in ‘s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld. Appellant heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven. Overwegingen 1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Voor wat betreft de tweede grief heeft appellant ook met de in hoger beroep overgelegde informatie niet onderbouwd dat zich bijzondere medische omstandigheden voordoen die de minister aanleiding zouden moeten geven tot toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening. Hij heeft evenmin onderbouwd dat het risico op suïcide als gevolg van de overdracht aan Bulgarije door een medisch deskundige als reëel of hoog wordt ingeschat (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2845, onder 2.1 en 2.2). Om die reden slaagt de grief niet. 1.1.    Het overige aangevoerd in hoger beroep gaat over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 29 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:870, ov. 6.1 en recentelijk in uitspraak van 26 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2387). De grief biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. 2.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier. w.g. Essenburg lid van de enkelvoudige kamer w.g. Dallinga griffier Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2025 18-1137

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...