ECLI:NL:RVS:2025:3900
- Instantie
- Raad van State
- Datum
- 2025-08-20
- Procedure
- Hoger beroep
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluit van 25 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Deze uitspraak gaat over de vraag of uit artikel 24 van het EU Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3 en artikel 12 van het IVRK (het Kinderrechtenverdrag), een verplichting volgt voor de minister om begeleide minderjarige vreemdelingen binnen de Dublinprocedure te horen en zo ja, hoe ver die verplichting strekt. In deze uitspraak wordt alleen het beleid van de minister dat ziet op het horen van begeleide vreemdelingen tussen de twaalf en vijftien jaar binnen de Dublinprocedure getoetst. Deze uitspraak gaat ook over de vraag hoe de minister vervolgens in haar besluitvorming over een verzoek om toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de belangen van begeleide minderjarige vreemdelingen moet wegen.
Materiële kern
202403148/1/V3. Datum uitspraak: 20 augustus 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 13 mei 2024 in zaak nr. NL24.13368 in het geding tussen: [betrokkene 1] en [betrokkene 2], en de minister. Procesverloop Bij besluit van 25 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 13 mei 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M. Timmer, advocaat in Den Haag, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 september 2024, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. D.P.A. van Laarhoven, en betrokkene, vertegenwoordigd door haar gemachtigde, zijn verschenen. De zaak is gelijktijdig behandeld met zaak nr. 202404064/1/V3. Overwegingen Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over de vraag of uit artikel 24 van het EU Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3 en artikel 12 van het IVRK (hierna: het Kinderrechtenverdrag), een verplichting volgt voor de minister om begeleide minderjarige vreemdelingen binnen de Dublinprocedure te horen en zo ja, hoe ver die verplichting strekt. In deze uitspraak wordt alleen het beleid van de minister dat ziet op het horen van begeleide vreemdelingen tussen de twaalf en vijftien jaar binnen de Dublinprocedure getoetst. 1.1. Tot slot gaat deze uitspraak over de vraag hoe de minister vervolgens in haar besluitvorming over een verzoek om toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de belangen van begeleide minderjarige vreemdelingen moet wegen. Kern van deze uitspraak en leeswijzer 2. De Afdeling komt in deze uitspraak tot het oordeel dat uit artikel 24 van het EU Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3 en artikel 12 van het Kinderrechtenverdrag, geen absolute verplichting voor de minister volgt om begeleide minderjarige vreemdelingen die in staat zijn hun mening te vormen, binnen de Dublinprocedure in alle gevallen rechtstreeks te horen. Uit deze bepalingen volgt voor haar wel een verplichting om passende maatregelen te nemen om deze categorie vreemdelingen in de gelegenheid te stellen hun mening vrijelijk te uiten. De minister heeft haar werkwijze bij de behandeling van Dublinzaken waarbij kinderen zijn betrokken, neergelegd in Informatiebericht 2022/77 (hierna: IB 2022/77). De minister heeft in reactie op de door de Afdeling gestelde vragen toegelicht dat haar werkwijze in Dublinzaken aansluit op haar werkwijze voor begeleide minderjarige vreemdelingen die een inhoudelijke asielprocedure in Nederland doorlopen en zij verwijst hierbij naar paragraaf C1/2.11 van de Vc 2000. De Afdeling oordeelt dat deze werkwijze op onderdelen niet in overeenstemming is met de eisen die het EU Handvest en het Kinderrechtenverdrag daaraan stellen. De vraag welke eisen voortvloeien uit het EU Handvest en het Kinderrechtenverdrag voor de minister voor begeleide minderjarige vreemdelingen in de asielprocedure is beantwoord in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2025:3899. 2.1. Verder overweegt de Afdeling in deze uitspraak dat op grond van artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag en artikel 6, eerste lid, van de Dublinverordening, de belangen van de kinderen een eerste overweging moeten vormen. Maar het is uiteindelijk, gelet op het discretionaire karakter van artikel 17 van de Dublinverordening, aan de minister hoe zij van de in dit artikel neergelegde bevoegdheid gebruik maakt en hoe zij het belang van het kind meeweegt in het besluit om al dan niet gebruik te maken van haar bevoegdheid om het asielverzoek zelf te behandelen. 2.2. Hierna legt de Afdeling uit hoe zij tot deze oordelen komt. Na de beoordeling van de vraag of de minister nog belang heeft bij beoordeling van haar hoger beroep (onder 3), een korte weergave van de feiten en besluitvorming in deze zaak (onder 4), de uitspraak van de rechtbank (onder 5), en de werkwijze en het hoger beroep van de minister (onder 6 en 7), geeft de Afdeling een uiteenzetting van het juridisch kader (onder 8). Vervolgens gaat de Afdeling bij de beoordeling van de eerste grief van de minister in op hoe de werkwijze van de minister zich verhoudt tot het onder 8 opgenomen kader (onder 9, 10 en 11). Tot slot bespreekt de Afdeling de tweede grief van de minister (onder 12) en komt zij tot een conclusie (onder 13). Belang van de minister bij de beoordeling van het hoger beroep 3. Ondanks dat de termijn om betrokkene en haar kinderen over te dragen aan Letland is verstreken, heeft de minister nog belang bij de beoordeling van het hoger beroep. Dat belang is gelegen in de precedentwerking die kan uitgaan van de vernietiging van het besluit door de rechtbank. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:896, onder 3, en 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4244, onder 4. Feiten en besluitvorming 4. Betrokkene heeft de Iraanse nationaliteit. Zij heeft mede namens haar twee minderjarige kinderen, geboren op [geboortedatum] 2009 en [geboortedatum] 2011, een asielaanvraag ingediend in Nederland. De minister heeft de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Letland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Daarnaast heeft de minister in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding gezien om met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen. Uitspraak van de rechtbank 5. De rechtbank heeft als eerste vastgesteld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Letland niet langer wordt betwist. Alleen de standpunten over artikel 17 van de Dublinverordening liggen nog ter beoordeling voor. 5.1. Naar het oordeel van de rechtbank is de besluitvorming van de minister over artikel 17 van de Dublinverordening over de minderjarige kinderen van betrokkene onzorgvuldig geweest. 5.2. De rechtbank heeft gewezen op het beleid van de minister bij de behandeling van Dublinzaken waarbij kinderen zijn betrokken, dat zij heeft neergelegd in IB 2022/77. De rechtbank heeft verder gewezen op artikel 3, eerste lid, en artikel 12 van het Kinderrechtenverdrag, artikel 24 van het EU Handvest en artikel 6, eerste en derde lid, van de Dublinverordening. Ook heeft de rechtbank verwezen naar "General comment no. 12: The right of the child to be heard" van 20 juli 2009, Aanbeveling nr. 74/2019 in Z.S. en A.S. tegen Zwitserland van 16 maart 2022, Aanbeveling nr. 12/2017 in Y.B. en N.S. tegen België van 5 november 2018, Aanbeveling nr. 56/2018 in V.A. tegen Zwitserland van 30 oktober 2020 van het VN Comité inzake de rechten van het kind. De rechtbank heeft verder verwezen naar punt 37 van het Joint General comment no. 3 van het VN Comité inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden en no. 22 van het VN Comité inzake de rechten van het kind van 16 november 2017. Naar het oordeel van de rechtbank verhoudt de handel- en zienswijze van de minister zich niet tot die regelgeving noch met haar eigen beleid. De minister heeft nergens onderzocht wat een overdracht naar Letland voor de kinderen betekent en wat anderszins de belangen van de kinderen zijn waar zij rekening mee moet houden in de besluitvorming, waardoor zij haar besluit onzorgvuldig heeft voorbereid. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de minister een nieuw besluit moet nemen. Daarbij heeft de rechtbank opgemerkt dat het de meest aangewezen weg lijkt om de kinderen de gelegenheid te bieden om te worden gehoord, al dan niet via - of in overleg met een instantie als de Raad voor de Kinderbescherming. 5.3. In het kader van finale geschilbeslechting heeft de rechtbank verder nog opgemerkt dat de wijze waarop de minister de belangen van de kinderen bij het verzoek om toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft gewogen, ook niet goed is gegaan. Zij verwijst hierbij naar artikel 3, eerste lid, van het Kinderrechtenverdrag, artikel 6, eerste lid, van de Dublinverordening en artikel 24 van het EU Handvest. Zij benadrukt dat daaruit volgt dat aan de specifieke belangen van het kind een zwaar gewicht toekomt. De minister moet niet alleen maar kijken naar zeer zwaarwegende redenen om de kinderen en betrokkene niet over te dragen. Zij moet daarnaast ook beoordelen of het in het belang van de kinderen is om samen met hun moeder in Nederland te verblijven of samen met hun moeder aan Letland te worden overgedragen. Werkwijze van de minister 6. De minister heeft in reactie op de door de Afdeling gestelde vragen en op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat IB 2022/77 haar een handvat geeft hoe zij in het licht van de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1671, moet handelen wanneer binnen een Dublinprocedure de belangen van het minderjarige kind een rol spelen. In IB 2022/77 staat dat bij de beoordeling of toepassing moet worden gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, het belang van een betrokken kind relevant kan zijn. Het belang van het kind zal concreet en specifiek moeten worden getoetst, en daar zal al snel aanleiding toe zijn. In het besluit zal uitdrukkelijk gemotiveerd moeten worden ingegaan op de relevante aspecten genoemd in artikel 6, derde lid, van de Dublinverordening, voor zover deze zijn aangevoerd. Hieronder vallen onder andere de standpunten van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit. 6.1. De minister heeft verder in reactie op de door de Afdeling gestelde vragen toegelicht dat haar werkwijze in Dublinzaken aansluit op de werkwijze voor begeleide minderjarige vreemdelingen die een inhoudelijke asielprocedure in Nederland doorlopen en verwijst hierbij naar paragraaf C1/2.11 van de Vc 2000. Daaruit volgt dat de minister begeleide vreemdelingen tussen de twaalf en vijftien jaar in principe niet rechtstreeks hoort in het kader van door hun ouders mede voor hen ingediende asielaanvragen. Kinderen vanaf vijftien jaar krijgen een eigen aanmeldgehoor. Ditzelfde geldt dus voor begeleide minderjarige vreemdelingen binnen de Dublinprocedure. 6.2. Via het persoonlijk onderhoud, oftewel het aanmeldgehoor Dublin in de zin van artikel 5 van de Dublinverordening, stelt de minister via de ouders vast of sprake is van relevante omstandigheden met betrekking tot de begeleide minderjarige vreemdelingen die van belang kunnen zijn voor de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De minister heeft toegelicht dat ouders van begeleide minderjarige vreemdelingen daarin de gelegenheid krijgen alle factoren die zij van belang achten om de verantwoordelijke lidstaat te kunnen bepalen, naar voren te brengen. Het ligt op de weg van de ouders, als wettelijke vertegenwoordigers van een begeleide minderjarige vreemdeling, om tijdens het aanmeldgehoor ook de relevante factoren die betrekking hebben op hun minderjarige kinderen naar voren te brengen. 6.3. Deze relevante factoren kunnen ook later in de procedure naar voren worden gebracht door middel van de correcties en aanvullingen en/of het uitbrengen van de zienswijze. De minister benadrukt dat ouders vanaf het begin van de procedure worden bijgestaan door een professioneel rechtsbijstandverlener. Hoger beroep van de minister 7. De minister klaagt in haar eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de besluitvorming met betrekking tot de kinderen onzorgvuldig is geweest. Volgens de minister vloeit er uit het Kinderrechtenverdrag dan wel het EU Handvest geen verplichting dan wel noodzaak voort om over te gaan tot het horen van minderjarige vreemdelingen in een Dublinprocedure. De minister wijst op artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening, waarin volgens haar besloten ligt dat het aan de ouder is om de belangen van hun minderjarige kinderen te behartigen en dus hun standpunt naar voren te brengen. Dit volgt volgens de minister ook uit het arrest van het Hof van 23 januari 2019, M.A. e.a., ECLI:EU:C:2019:53, punt 88. De minister wijst verder op de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2022, waaruit volgt dat belangen van begeleide minderjarige vreemdelingen bij de besluitvorming moeten worden betrokken, voor zover deze zijn aangevoerd. Dit kan een ouder doen tijdens zijn of haar gehoor of - in samenspraak met het minderjarige kind - door middel van schriftelijke stukken die later kunnen worden ingediend. 7.1. Alhoewel de minister tijdens de zitting bij de rechtbank heeft bevestigd dat zij geen onderzoek heeft gedaan naar de belangen van de kinderen, is zij hier tijdens de zitting bij de Afdeling van teruggekomen. Zij heeft zich nu op het standpunt gesteld dat zij dit wel heeft gedaan door de kinderen via betrokkene te horen. De minister voert aan dat zij een beoordeling heeft kunnen maken van wat de kinderen van betrokkene hebben meegemaakt zonder hen daarbij te horen, door te objectiveren wat er heeft plaatsgevonden. Gedurende de procedure is daarvoor al voldoende naar voren gebracht. Dat deze ervaringen voor de kinderen subjectief indrukwekkend zijn, leidt binnen de context van de Dublinverordening volgens de minister niet tot een ander oordeel. De minister benadrukt dat het in de Dublinprocedure alleen maar gaat om de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Dat is volgens de minister anders dan in een inhoudelijke asielprocedure. Daarom vindt de minister het van minder groot belang om een minderjarig kind in de gelegenheid te stellen zijn standpunt naar voren te brengen. 7.2. De minister klaagt in haar tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de wijze waarop de minister de belangen van de kinderen van betrokkene bij het verzoek om toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft gewogen, niet goed is gegaan. De minister voert aan dat het door de rechtbank geschetste toetsingskader zich niet verhoudt tot de strekking en de reikwijdte van de belangenafweging die zij binnen de Dublinprocedure moet maken. De vraag die moet worden beantwoord is namelijk of de belangen van de minderjarige kinderen van dien aard zijn dat de minister moest afzien van overdracht aan Letland. Juridisch kader 8. Het wettelijk kader en het beleidskader zijn opgenomen in de bijlagen die deel uitmaken van deze uitspraak. Dublinverordening 8.1. De doelstelling van de Dublinverordening is het vaststellen van een duidelijke en hanteerbare methode om snel te kunnen bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Deze methode moet zijn gebaseerd op voor de lidstaten en de asielzoeker eerlijke en objectieve vereisten. De Afdeling verwijst naar het arrest van het Hof van 30 maart 2023, E.N., S.S. en J.Y., ECLI:EU:C:2023:272, punt 37. 8.2. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, is één lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag. Namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk drie van de Dublinverordening genoemde criteria verantwoordelijk is. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, elke lidstaat besluiten een bij haar ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is die lidstaat daartoe niet verplicht. Zoals volgt uit artikel 5 van de Dublinverordening, voert de lidstaat die is belast met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat, een persoonlijk onderhoud met de verzoeker om de verantwoordelijke lidstaat gemakkelijker te kunnen bepalen. 8.2.1. Het Hof heeft er in het arrest van 16 februari 2017, C.K., ECLI:EU:C:2017:127, punten 53 en 54, op gewezen dat de beslissing van een lidstaat om gebruik te maken van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening valt binnen de toepassing van het recht van de Unie in de zin van artikel 51, eerste lid, van het EU Handvest. Het Hof heeft in het arrest van 18 april 2024, A.H.Y., ECLI:EU:C:2024:334, punten 32 en 51, benadrukt dat artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden beschouwd als een integrerend deel van de bij de Dublinverordening vastgestelde instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming. Dit betekent dat ook de beslissing om géén gebruik te maken van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening binnen de werkingssfeer van het recht van de Unie valt en dus dat de artikelen uit het Handvest van toepassing zijn. Tegelijkertijd heeft het Hof in punt 40 van het arrest A.H.Y. benadrukt dat geen enkele omstandigheid, zelfs niet op het gebied van de grondrechten, een lidstaat ertoe kan verplichten gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening en om dus zelf een verzoek om internationale bescherming te behandelen waarvoor zij niet verantwoordelijk is. 8.3. Overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van de Dublinverordening moet een lidstaat het belang van het kind in Dublinprocedures vooropstellen. Uit het derde lid volgt dat om vast te stellen wat het belang van het kind is, de lidstaten in het bijzonder rekening houden met onder andere de standpunten van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit. Op grond van artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening, is de situatie van een minderjarige onlosmakelijk verbonden met de situatie van diens gezinslid. Die situatie valt onder verantwoordelijkheid van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van dat gezinslid, ook al is de minderjarige zelf geen individuele verzoeker, mits dit in het belang van de minderjarige is. 8.3.1. Het Hof heeft er in het arrest M.A., punt 72, op gewezen dat artikel 6, eerste lid, van de Dublinverordening de minister niet verplicht zelf een verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. In datzelfde arrest, punten 87 tot en met 90, heeft het Hof erop gewezen dat artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening zo moet worden uitgelegd dat deze bepaling, behoudens bewijs van het tegendeel, het vermoeden creëert dat het in het belang van het kind is om bij de behandeling van zijn situatie tot uitgangspunt te nemen dat deze onlosmakelijk verbonden is met die van zijn ouders. Alleen wanneer vaststaat dat het niet in het belang van het kind is dat zijn situatie en die van zijn ouders gezamenlijk worden onderzocht, moet de situatie van het kind los van die van zijn ouders worden behandeld. EU Handvest en Kinderrechtenverdrag 8.4. Op grond van artikel 24, tweede lid, van het EU Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, van het Kinderrechtenverdrag, vormen de belangen van het kind een eerste overweging bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen. Op grond van artikel 24, eerste lid, van het EU Handvest, gelezen in samenhang met artikel 12, eerste lid, van het Kinderrechtenverdrag, hebben kinderen die in staat zijn hun mening te vormen het recht om hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid. Het kind wordt hiertoe op grond van artikel 12, tweede lid, van het Kinderrechtenverdrag met name in de gelegenheid gesteld door te worden gehoord in iedere gerechtelijke en bestuurlijke procedure die het kind betreft, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een vertegenwoordiger of een daarvoor geschikte instelling, op een wijze die verenigbaar is met de procedureregels van het nationale recht. De Afdeling merkt voor de volledigheid op dat in deze uitspraak de termen rijpheid en maturiteit dezelfde betekenis hebben. 8.5. Volgens artikel 14, eerste lid, van de Procedurerichtlijn kunnen lidstaten in hun nationale wetgeving voorschrijven in welke gevallen een minderjarige, in het licht van een verzoek om internationale bescherming, de gelegenheid moet krijgen voor een persoonlijk onderhoud. 8.6. Het Hof heeft verschillende arresten gewezen over de interpretatie van artikel 24 van het EU Handvest, dat mede is gebaseerd op artikel 3 en artikel 12 van het Kinderrechtenverdrag. 8.6.1. Het Hof heeft er in het arrest van 11 juni 2024, K en L, ECLI:EU:C:2024:487, punten 72 tot en met 74, op gewezen dat artikel 24 van het EU Handvest bepaalt dat de belangen van het kind een essentiële overweging vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, en dat kinderen het recht hebben om hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid. Volgens het Hof moet het belang van het kind niet alleen in aanmerking worden genomen bij de inhoudelijke verzoeken met betrekking tot kinderen, maar moet dit belang ook, door middel van specifieke procedurele waarborgen, van invloed zijn op de besluitvormingsprocedure die tot die beoordeling leidt. Het Hof heeft er, in punten 79 en 80, daarnaast op gewezen dat lidstaten overeenkomstig artikel 14, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, in hun nationale wetgeving kunnen voorschrijven in welke gevallen een minderjarige de gelegenheid moet krijgen voor een persoonlijk onderhoud. Als de minderjarige die gelegenheid wordt geboden, moet dit persoonlijk onderhoud worden afgenomen op een kindvriendelijke manier. Bij gebrek aan meer gedetailleerde bepalingen is het verder aan de lidstaten om nadere regels te stellen voor de beoordeling van het belang van het kind, mits daarbij artikel 24 van het EU Handvest en de in de punten 75 tot en met 79 van dit arrest genoemde bepalingen worden geëerbiedigd. Dit kan bijvoorbeeld gaan om het tijdstip waarop die beoordeling moet worden verricht en in welke vorm (punt 80). De beslisautoriteit moet bij de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming rekening houden met het belang van het kind (punt 78). 8.6.2. In het arrest van 12 september 2024, Sagrario, Joaquin en Prudencio, ECLI:EU:C:2024:739, punten 83 tot en met 88, heeft het Hof gewezen op vaste rechtspraak, waaruit volgt dat artikel 24 van het EU Handvest vereist dat de belangen van het kind een essentiële overweging vormen bij alle handelingen die door de lidstaten worden verricht. Het Hof heeft vervolgens overwogen dat de vraag of het nuttig is een minderjarige rechtstreeks te horen - wat de belangen van het kind volgens het Hof niet noodzakelijkerwijs vereisen - daarom in elk afzonderlijk geval, met het oog op de belangen van het kind, moet worden beoordeeld. Hieruit volgt volgens het Hof dat artikel 24 van het EU Handvest niet het horen van het kind op zich oplegt, maar het bieden van de mogelijkheid voor het kind om te worden gehoord. Het recht van het kind om te worden gehoord vereist dus niet dat het kind noodzakelijkerwijs wordt gehoord, maar impliceert wel dat de procedures en wettelijke vereisten aanwezig zijn om het kind in staat te stellen vrijelijk zijn mening te geven, alsook dat van deze mening kennis wordt genomen. Het is volgens het Hof aan de lidstaten om alle passende maatregelen te nemen om het kind een daadwerkelijke en effectieve mogelijkheid te bieden om te worden gehoord, in overeenstemming met zijn leeftijd of rijpheid. 8.6.3. Het Hof heeft er in het arrest van 22 december 2010, Aguirre Zarraga, ECLI:EU:C:2010:828, punten 62 tot en met 66, op gewezen dat artikel 24 van het EU Handvest niet het horen van het kind op zich oplegt, maar het bieden van de mogelijkheid voor het kind om te worden gehoord. Of het nuttig is het kind te horen moet, in het licht van de belangen van het kind, concreet worden beoordeeld. Het Hof heeft overwogen dat het belang van het kind kan rechtvaardigen dat een kind niet wordt gehoord. Het rechtstreeks horen van een kind is volgens het Hof namelijk niet altijd raadzaam of soms zelfs schadelijk voor de psychische gezondheid van het kind. Het kind heeft daarom wel het recht om te worden gehoord, maar kan daartoe nooit worden verplicht. Oordeel van de Afdeling over de werkwijze van de minister Eerste grief Is er een verplichting om altijd rechtstreeks te horen? 9. De minister klaagt tevergeefs dat de rechtbank is uitgegaan van een verplichting dan wel noodzaak om begeleide minderjarige vreemdelingen binnen de Dublinprocedure altijd rechtstreeks te horen. Zo leest de Afdeling de uitspraak van de rechtbank niet, aangezien de rechtbank alleen heeft overwogen dat het haar op dat moment de meest aangewezen weg lijkt om de kinderen aan te bieden hen te horen. Dit neemt niet weg dat de minister terecht betoogt dat een absolute verplichting om begeleide minderjarige vreemdelingen in alle gevallen rechtstreeks te horen niet volgt uit artikel 24, tweede lid, van het EU Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en artikel 12 van het Kinderrechtenverdrag. De Afdeling wijst ter onderbouwing op het door haar onder 8.2.1 en vanaf 8.4 geschetste kader. Meer specifiek wijst zij op de tekst van artikel 12, tweede lid, van het Kinderrechtenverdrag, waarin de mogelijkheid om door tussenkomst van een vertegenwoordiger te horen expliciet staat genoemd. Zie ook punten 85 tot en met 87 van het arrest Sagrario, en punten 62, 64 en 65 van het arrest Aguirre Zarraga. Daaruit volgt namelijk dat artikel 24 van het Handvest, gelezen in samenhang met het Kinderrechtenverdrag, geen verplichting oplegt om een kind rechtstreeks te horen. Wel een verplichting om in de gelegenheid te stellen 10. De Afdeling leidt uit het onder 8.2.1 en vanaf 8.4 geschetste kader af dat uit artikel 24, tweede lid, van het EU Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en artikel 12 van het Kinderrechtenverdrag, wel een verplichting volgt voor de minister om begeleide minderjarige vreemdelingen die in staat zijn hun mening te vormen binnen de Dublinprocedure in de gelegenheid te stellen hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die hen betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn leeftijd en rijpheid. Zoals weergegeven onder 8.6.2, is het daarbij aan de lidstaten om door middel van procedures en wettelijke vereisten mogelijk te maken dat het kind in staat is zijn mening vrijelijk te geven en dat van deze mening kennis wordt genomen, en om alle passende maatregelen te nemen om dat kind een daadwerkelijke en effectieve mogelijkheid te bieden om te worden gehoord, in overeenstemming met zijn leeftijd of rijpheid. 10.1. De Afdeling benadrukt hierbij dat lidstaten in hun nationale wetgeving kunnen voorschrijven in welke gevallen een minderjarige de gelegenheid moet krijgen voor een persoonlijk onderhoud, zoals weergegeven onder 8.6.1. Het is verder in de eerste plaats aan de minister om te bepalen of zij een begeleide minderjarige vreemdeling in staat acht om zijn of haar mening te vormen en zo ja, om vervolgens deze vreemdeling in de gelegenheid te stellen om zijn of haar mening vrijelijk te uiten. Hoe verhoudt de werkwijze van de minister zich hiertoe? 11. De minister heeft toegelicht dat zij haar werkwijze uit paragraaf C1/2.11 van de Vc 2000 binnen de asielprocedure ook hanteert binnen de Dublinprocedure. Daaruit volgt dat binnen de Dublinprocedure begeleide vreemdelingen tussen de twaalf en vijftien jaar in principe niet rechtstreeks worden gehoord. De minister kan hierop onder meer een uitzondering maken wanneer de begeleide vreemdeling of de ouder of wettelijk vertegenwoordiger haar hierom verzoekt. Begeleide vreemdelingen van vijftien jaar of ouder krijgen wel de mogelijkheid aangeboden tot een eigen Dublingehoor. In zoverre zijn er dus procedures aanwezig om begeleide vreemdelingen tussen de twaalf en vijftien jaar binnen de Dublinprocedure in staat te stellen vrijelijk hun mening te uiten over het verzoek om toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. 11.1. De minister heeft in reactie op de door de Afdeling gestelde vragen en op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat zij een begeleide minderjarige vreemdeling tussen de twaalf en vijftien jaar binnen de Dublinprocedure niet wijst op de mogelijkheid om haar te verzoeken om rechtstreeks te worden gehoord. De minister heeft aangevoerd dat uit artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening, volgt dat het aan de ouder is om de belangen van hun minderjarige kinderen te behartigen waardoor de minister ook rekening kan houden met de standpunten van het minderjarige kind. Volgens de minister hoort zij met deze werkwijze de kinderen via de ouders. Voor zover dit niet tijdens het aanmeldgehoor kan, kan bij het indienen van correcties en aanvullingen en/of het uitbrengen van een zienswijze, later in de procedure naar voren worden gebracht wat de ouders in dit verband relevant achten. In dit kader heeft de minister benadrukt dat Dublinclaimanten vanaf het begin van de procedure worden bijgestaan door een professioneel rechtsbijstandverlener, die hen daarbij ondersteunt. Deze werkwijze van de minister is naar het oordeel van de Afdeling om een aantal redenen niet op alle punten in overeenstemming met artikel 24, tweede lid, van het EU Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en artikel 12 van het Kinderrechtenverdrag, en de daaruit volgende verplichting om passende maatregelen te nemen om begeleide minderjarige vreemdelingen die in staat zijn hun mening te vormen binnen de Dublinprocedure een daadwerkelijke en effectieve mogelijkheid te bieden om te worden gehoord. De Afdeling acht hiervoor het volgende van belang. 11.1.1. De minister heeft in paragraaf C1/2.11 van de Vc 2000 opgenomen en nader toegelicht dat begeleide vreemdelingen tussen de twaalf en vijftien jaar haar kunnen verzoeken om rechtstreeks te worden gehoord. Zij heeft toegelicht dat ook een ouder of een wettelijk vertegenwoordiger haar kan verzoeken om een begeleide minderjarige vreemdeling rechtstreeks te horen. Maar om hun een daadwerkelijke en effectieve mogelijkheid te bieden om te worden gehoord, is het essentieel dat de minderjarigen zelf op de hoogte raken van die mogelijkheid. Naar het oordeel van de Afdeling is binnen de werkwijze van de minister onvoldoende gewaarborgd dat begeleide minderjarige vreemdelingen op de hoogte zijn van de mogelijkheid om de minister te verzoeken om al dan niet rechtstreeks te worden gehoord. De minister heeft namelijk toegelicht dat het op de weg van de ouders ligt om tijdens het aanmeldgehoor relevante factoren aan te brengen die betrekking hebben op hun minderjarige kinderen. 11.1.2. Dat uit het arrest M.A., punt 88, volgt dat artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening zo moet worden uitgelegd dat de situatie van het kind alleen los van die van zijn ouders moet worden behandeld wanneer vaststaat dat het niet in het belang van het kind is dat zijn situatie en die van zijn ouders gezamenlijk worden onderzocht, maakt dit oordeel niet anders. Dit legt de Afdeling hieronder uit. 11.1.3. Het standpunt van de minister dat uit artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening volgt dat het in eerste instantie aan de ouder is om de belangen van hun minderjarige kinderen te behartigen en dus hun standpunt naar voren te brengen, kan de Afdeling in zekere zin volgen. Maar de minister zal, zoals staat in IB 2022/77, het belang van het kind concreet en specifiek moeten toetsen en zal in het besluit uitdrukkelijk gemotiveerd moeten ingaan op de relevante aspecten zoals genoemd in artikel 6, derde lid, van de Dublinverordening, voor zover deze zijn aangevoerd. Hieronder vallen onder andere de standpunten van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit. Om dit relevante aspect concreet en specifiek te kunnen toetsen, moet de minister in ieder geval het kind de gelegenheid hebben geboden om zijn of haar mening vrijelijk te uiten. Artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening neemt daarom niet weg dat de minister op grond van artikel 24, tweede lid, van het EU Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en artikel 12 van het Kinderrechtenverdrag, wel een verplichting heeft om passende maatregelen te nemen om begeleide minderjarige vreemdelingen die in staat zijn hun mening te vormen binnen de Dublinprocedure een daadwerkelijke en effectieve mogelijkheid te bieden om te worden gehoord. Daarmee heeft de minister ook de mogelijkheid om vast te stellen of het in het belang van het kind is dat diens situatie valt onder de verantwoordelijkheid van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van de ouder(s), bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Dublinverordening. 11.1.4. De Afdeling stelt vast dat het oordeel dat er geen absolute verplichting bestaat om een begeleide minderjarige vreemdeling altijd rechtstreeks te horen en het oordeel dat er wel een verplichting bestaat om passende maatregelen te nemen om begeleide minderjarige vreemdelingen die in staat zijn hun mening te vormen in de gelegenheid te stellen hun mening vrijelijk te uiten, naast elkaar kunnen bestaan. Als een begeleide minderjarige vreemdeling na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld de minister niet verzoekt om een rechtstreeks gehoor, kan de minister volstaan met het horen van de ouders of een wettelijke vertegenwoordiger. 11.2. De Afdeling acht van belang om te benadrukken dat de Dublinprocedure wezenlijk verschilt van de asielprocedure. Gelet op het doel van de Dublinverordening, namelijk het snel vaststellen van de voor de behandeling van de asielaanvraag verantwoordelijke lidstaat, is het daarom van belang dat de begeleide minderjarige vreemdelingen al in een zo vroeg mogelijk stadium in de gelegenheid worden gesteld om te worden gehoord, om zo te voorkomen dat de overdracht kan worden vertraagd. Dit vergt een efficiënte inrichting van het proces. Daarvoor is de minister verantwoordelijk. Het staat de minister dan ook vrij om hierover beleid te maken dat specifiek geldt voor de Dublinprocedure. Door een begeleide minderjarige vreemdeling in een zo vroeg mogelijk stadium van de Dublinprocedure de gelegenheid te bieden om te worden gehoord, heeft de minister voldaan aan haar verplichting die is uiteengezet onder 10. 11.3. Het voorgaande betekent dat de Afdeling, net als de rechtbank, tot het oordeel komt dat de werkwijze van de minister op onderdelen niet in overeenstemming is met artikel 24, tweede lid, van het EU Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en artikel 12 van het Kinderrechtenverdrag. Omdat de minister in haar beleid heeft opgenomen dat een begeleide vreemdeling tussen de twaalf en vijftien jaar haar kan verzoeken om een rechtstreeks gehoor, moet ook voldoende gewaarborgd zijn dat die vreemdeling daarover is geïnformeerd. De Afdeling merkt op dat het in de gelegenheid stellen om te worden gehoord niet noodzakelijkerwijs ziet op fysiek horen. De minister moet haar werkwijze aanpassen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat de overdrachtstermijn al is verstreken, waardoor de minister betrokkene en haar kinderen heeft moeten opnemen in de nationale procedure en dus zelf de asielaanvraag moet behandelen, heeft dit oordeel geen verdere gevolgen voor betrokkene en haar kinderen. 11.4. De eerste grief slaagt niet. Tweede grief 12. De minister klaagt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de wijze waarop de minister de belangen van de kinderen van betrokkene heeft gewogen niet goed is gegaan. De minister voert namelijk terecht aan dat het door de rechtbank geschetste toetsingskader zich niet verhoudt tot de strekking en de reikwijdte van de belangenafweging die zij bij een verzoek om toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet maken. Dit legt de Afdeling hieronder uit. 12.1. Het Hof heeft in het arrest A.H.Y., punten 38 en 39, overwogen dat de bevoegdheid om gebruik te maken van artikel 17 van de Dublinverordening is voorbehouden aan de lidstaten en niet is onderworpen aan enige specifieke voorwaarde. De minister heeft dus een ruime discretionaire bevoegdheid om te besluiten of zij een asielaanvraag onverplicht aan zich trekt. De minister heeft hiervoor beleid gemaakt in paragraaf C2/5 van de Vc 2000. Daarin staat dat zij een asielaanvraag aan zich trekt, in ieder geval als bijzondere, individuele omstandigheden de overdracht onevenredig hard maken. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar eerdergenoemde uitspraak van 13 juni 2022, onder 4, kan in dat kader het belang van een betrokken kind relevant zijn en moet de rechter toetsen of de minister zich bij haar belangenafweging voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind, voor zover aangevoerd. 12.1.1. De rechtbank heeft in dit kader terecht overwogen dat op grond van artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag en artikel 6, eerste lid, van de Dublinverordening de belangen van de kinderen een eerste overweging moeten vormen. Maar gelet op het discretionaire karakter van artikel 17 van de Dublinverordening is het aan de minister hoe zij de belangen van de kinderen vervolgens meeweegt in haar besluit om al dan niet gebruik te maken van die bevoegdheid. Zoals volgt uit het arrest van het Hof, M.A., punten 70 tot en met 72, verplicht artikel 6, eerste lid, van de Dublinverordening de minister namelijk niet een verzoek om internationale bescherming zelf te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De overweging van de rechtbank dat de minister ten onrechte alleen is uitgegaan van zwaarwegende belangen als toets bij de belangenafweging, volgt de Afdeling daarom niet. 12.2. Ook heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de minister zich bij een beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de vraag moet stellen wat verder in het belang van de kinderen is en of dit is om samen met hun moeder in Nederland te blijven of samen met hun moeder naar Letland te worden overgedragen. De rechtbank heeft met deze overweging ten onrechte invulling gegeven aan de manier waarop de minister moet onderzoeken of zij gebruik maakt van de bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming onverplicht in behandeling te nemen. Alhoewel de klacht terecht is voorgedragen, leidt de grief niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht geoordeeld dat de besluitvorming van de minister met betrekking tot de kinderen onzorgvuldig is geweest, omdat de minister de kinderen niet in de gelegenheid heeft gesteld hun mening vrijelijk te uiten. 12.3. De tweede grief slaagt niet. Conclusie 13. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt met verbetering van gronden de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...