Zaak

ECLI:NL:RVS:2025:389

Instantie
Raad van State
Datum
2025-02-05
Procedure
Voorlopige voorziening
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
BRS24000415
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.372 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 4 september 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

05Kern

Materiële kern

BRS.24.000415 ECLI:NL:RVS:2025:389 Datum uitspraak: 5 februari 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 november 2024 in zaak nr. NL24.35423 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 4 september 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 7 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1.De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist. 2.Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft. Daarom en gelet op de belangen die de minister en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, treft hij een voorlopige voorziening. 3.De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier. w.g. Van Breda voorzieningenrechter w.g. Lagaaij griffier Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2025 936

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...