Zaak

ECLI:NL:RVS:2025:1887

Instantie
Raad van State
Datum
2025-04-25
Procedure
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202502417/1/V3 en 202502417/2/V3
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.353 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 2 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 25 april 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het verzoek van appellant om een voorlopige voorziening te treffen, afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.A. Nijland, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

05Kern

Materiële kern

202502417/1/V3 en 202502417/2/V3. Datum uitspraak: 25 april 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 25 april 2025 in zaak nr. NL25.16660 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 2 april 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 25 april 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het verzoek van appellant om een voorlopige voorziening te treffen, afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.A. Nijland, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1.       Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, van de Awb. Uit artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awb volgt echter dat er geen hoger beroep openstaat tegen een dergelijke uitspraak. Van die bepaling kan alleen worden afgeweken als sprake is van een schending van fundamentele rechtsbeginselen, waardoor appellant geen eerlijk en onafhankelijk proces heeft gehad. Uit wat appellant aanvoert, blijkt niet dat daarvan sprake is. 2.       De voorzieningenrechter van de Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep en het verzoek kennis te nemen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart zich onbevoegd van het hoger beroep en het verzoek kennis nemen. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier. w.g. Willems voorzieningenrechter w.g. De Jong griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2025 981

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...