ECLI:NL:RVS:2025:1472
- Instantie
- Raad van State
- Datum
- 2025-04-02
- Procedure
- Hoger beroep
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluit van 16 november 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. De vreemdeling heeft de Sri Lankaanse nationaliteit en behoort tot de Singalese bevolkingsgroep. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in februari 2019 problemen heeft gekregen met de Sri Lankaanse autoriteiten, omdat hij verdacht wordt van deelname aan activiteiten van de Liberation Tigers of Tamil Eelam. De minister heeft het relaas niet geloofwaardig geacht. Omdat de vreemdeling het niet eens is met dit standpunt van de minister, heeft hij in beroep een rapport van het overgelegd van 23 november 2020. Dit rapport bevat volgens de vreemdeling niet alleen ondersteunend bewijs voor zijn asielrelaas, maar ook blijkt eruit dat hij tijdens de asielgehoren door een trauma niet compleet, coherent en consistent heeft kunnen verklaren. Deze uitspraak gaat over de betekenis van dit iMMO-rapport voor het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid van het asielrelaas.
Materiële kern
202104973/1/V2 Datum uitspraak: 2 april 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 23 juli 2021 in zaak nr. NL19.28444 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 16 november 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 23 juli 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De staatssecretaris heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven. De vreemdeling heeft daarop gereageerd en daarbij een brief van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (hierna: het iMMO) overgelegd. De Afdeling heeft dr. M. Braakman, psychiater en hoogleraar (transculturele) forensische psychiatrie, benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft op 17 juni 2024 verslag van het onderzoek uitgebracht. De staatssecretaris en de vreemdeling hebben ieder een reactie op het verslag ingediend. Bij zijn reactie heeft de vreemdeling ook een reactie van het iMMO ingebracht. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 september 2024, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. F.S. Schoot, de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C. Chen, advocaat in Alkmaar, het iMMO, vertegenwoordigd door drs. E. Kors, psycholoog, en drs. C. Lozano Parra, psychiater, en de deskundige zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. De vreemdeling heeft de Sri Lankaanse nationaliteit en behoort tot de Singalese bevolkingsgroep. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in februari 2019 problemen heeft gekregen met de Sri Lankaanse autoriteiten, omdat hij verdacht wordt van deelname aan activiteiten van de Liberation Tigers of Tamil Eelam (hierna: LTTE). De minister heeft het relaas niet geloofwaardig geacht. Omdat de vreemdeling het niet eens is met dit standpunt van de minister, heeft hij in beroep een rapport van het iMMO overgelegd van 23 november 2020. Dit rapport bevat volgens de vreemdeling niet alleen ondersteunend bewijs voor zijn asielrelaas, maar ook blijkt eruit dat hij tijdens de asielgehoren door een trauma niet compleet, coherent en consistent heeft kunnen verklaren. 1.1. Deze uitspraak gaat over de betekenis van dit iMMO-rapport voor het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Daarnaast zullen meer in het algemeen de onderzoeksmethode van het iMMO en de uitgangspunten die het iMMO daarbij hanteert aan de orde komen. In verband hiermee heeft de Afdeling besloten een deskundigenverslag te laten opstellen. In de bijlage is een overzicht opgenomen van de belangrijkste vragen en antwoorden uit het in deze zaak uitgebrachte verslag van de deskundige. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. De uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft overwogen dat de minister ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan de bevindingen in het iMMO-rapport voor zijn conclusie dat het asielrelaas ongeloofwaardig is. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de wijze waarop het iMMO-rapport in deze zaak tot stand is gekomen. Verder heeft zij overwogen dat de minister beter had moeten motiveren waarom de inhoud van het iMMO-rapport de tegenwerpingen in het besluit niet aantast. In dat kader heeft de rechtbank onder meer verwezen naar de leeswijzer van maart 2020 bij het iMMO-rapport, waarin staat dat psychische klachten het hele geheugen kunnen aantasten en dat het daarom vanuit wetenschappelijk oogpunt onmogelijk is om standaard onderscheid te maken tussen wat iemand wel of niet moet kunnen verklaren. 2.1. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat de stelling van de minister dat zowel de klachten die passen bij een posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS) als de littekens ook andere oorzaken kunnen hebben dan de door de vreemdeling gestelde mishandelingen, onvoldoende is om het iMMO-rapport als medisch steunbewijs terzijde te kunnen schuiven. 2.2. Omdat de minister geen medisch deskundige heeft ingeschakeld, moet de minister volgens de rechtbank nader motiveren waarom hij het relaas ondanks de bevindingen in het iMMO-rapport toch ongeloofwaardig vindt. Het hoger beroep van de minister 3. De grieven, in onderlinge samenhang bezien, richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister het iMMO-rapport niet zonder nadere motivering terzijde mocht schuiven. De minister betoogt dat hij aan de conclusies van het iMMO-rapport voorbij kon gaan, omdat de vreemdeling er niet in is geslaagd om op hoofdlijnen geloofwaardige verklaringen over zijn asielrelaas af te leggen. De minister verwijst hiervoor naar de hierna onder 5 genoemde rechtspraak van de Afdeling. Daaruit volgt dat de conclusie van het iMMO over het vermogen van een vreemdeling om compleet, coherent en consistent te verklaren, gaat over de details en niet over de hoofdlijnen van het asielrelaas, terwijl de minister het asielrelaas juist op hoofdlijnen ongeloofwaardig acht. Het iMMO-rapport 4. Het iMMO stelt zijn rapporten op aan de hand van een vaste vraagstelling, onderverdeeld in een A1-, een A2- en een B-vraag. De A1- en de A2-vraag gaan over medisch steunbewijs. Daarbij komt aan de orde in welke mate de lichamelijke dan wel de psychische problematiek van de betrokken vreemdeling kan zijn voortgekomen uit het gestelde asielrelaas. De A1- en de A2-vraag zijn gebaseerd op het Istanbul Protocol en de daarin in paragraaf 187 opgenomen gradaties, die variëren van ‘niet consistent’ tot ‘kenmerkend’. Volgens de iMMO-leeswijzer onderzoekt de arts en/of psycholoog van het iMMO bij het medisch forensisch onderzoek "de waarschijnlijkheid van een (causaal) verband tussen littekens, lichamelijke en/of psychische bevindingen enerzijds en de gebeurtenissen in het land van herkomst zoals de vreemdeling daarover heeft verklaard anderzijds." Voor de lichamelijke klachten, de A1-vraag, wordt daarbij de vraag onderzocht in welke mate volgens de gradaties van het Istanbul Protocol, deze kunnen zijn voortgekomen uit de in het asielrelaas beschreven gebeurtenissen. Voor de psychische klachten, de A2-vraag, wordt dezelfde vraag onderzocht. Op de zitting bij de Afdeling heeft het iMMO benadrukt dat het hiermee geen uitspraak doet over de geloofwaardigheid van dat relaas, maar alleen beoordeelt in hoeverre de medische problematiek daarbij past. Vraag B van een iMMO-rapport gaat over het vermogen van de betrokken vreemdeling om te verklaren. Daarin beantwoordt het iMMO de vraag of de lichamelijke en/of psychische klachten van die vreemdeling op het moment van de asielgehoren zijn vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren, hebben beïnvloed. De mate waarin de psychische klachten kunnen interfereren bevindt zich tussen ‘niet’, er zijn geen psychische problemen of de psychische problemen interfereren niet, en ‘zeker’, de psychische problemen zijn van dien aard en ernst dat ze zeker zullen interfereren. 4.1. Bij zijn rapporten verstrekt het iMMO een leeswijzer. Deze is bedoeld om een lezer zonder medische of psychiatrische kennis te helpen bij het begrijpen van de werkwijze en rapporten van het iMMO. In de leeswijzer wordt onder meer uiteengezet wat in de rapporten wordt onderzocht en welke onderzoeksmethodologie wordt toegepast en wordt toegelicht welke invloed medische beperkingen kunnen hebben op het vermogen van een persoon om compleet, coherent en consistent te verklaren. In de leeswijzer zijn verwijzingen opgenomen naar de bronnen waarop het iMMO zich daarbij baseert. Op het iMMO-rapport van de vreemdeling is de leeswijzer van maart 2020 van toepassing. 4.2. In het rapport in deze zaak concludeert het iMMO onder A1 dat de op het lichaam van de vreemdeling aangetroffen littekens en het ontbreken van meerdere gebitselementen kenmerkend zijn voor, dan wel consistent zijn met, de door de vreemdeling gestelde toedracht. Onder A2 vermeldt het iMMO dat een aantal PTSS-klachten - specifieke herbelevingen, nachtmerries en vermijding en de manier waarop de vreemdeling daarover rapporteert - en angstklachten naar vorm, inhoud en beloop typerend zijn voor het gestelde asielrelaas. Klachten van interesseverlies, angst- en stemmingsklachten en de cognitieve problemen kunnen ook passen bij andere oorzaken. Onder B concludeert het iMMO dat bij de vreemdeling in de periode voor en tijdens de gehoren sprake is geweest van slecht slapen, piekeren, hoofdpijnklachten, wisselende concentratieproblemen en lichamelijke pijnklachten. Volgens het iMMO hebben deze klachten de vreemdeling zeker belemmerd in zijn vermogen om volledig, consistent en coherent te verklaren. Onderscheid hoofdlijnen en details 5. De Afdeling heeft eerder overwogen dat de conclusie in een iMMO-rapport dat de psychische problemen van de betrokken vreemdeling zeker van invloed zijn geweest op zijn vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren, niet wegneemt dat die vreemdeling geacht moet worden op hoofdlijnen aannemelijke verklaringen te kunnen afleggen. Zie onder meer de uitspraken van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2085, onder 12.3, en ECLI:NL:RVS:2018:2086, onder 11, en 19 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:551, onder 4.1 en 8.2. Die rechtspraak, waarop de minister zich in deze zaak beroept, vindt zijn grondslag in de toelichting van het iMMO in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van 27 juni 2018. Het iMMO heeft er toen op gewezen dat een conclusie, zoals hiervoor weergegeven, alleen betrekking heeft op het vermogen van de betrokken vreemdeling om over details te verklaren. Dit was ook in de leeswijzer van januari 2017 opgenomen die destijds van toepassing was. 5.1. De Afdeling stelt vast dat het iMMO naderhand de leeswijzer heeft gewijzigd. In de versie van maart 2020 ontbreekt de passage waarin staat dat de conclusie van het iMMO over de mate waarin de medische problematiek het vermogen van een vreemdeling om compleet, coherent en consistent te verklaren beïnvloedt, gaat over de details van het asielrelaas. Het iMMO stelt in zijn leeswijzer van maart 2020 dat het vanuit wetenschappelijk oogpunt onaanvaardbaar is om standaard onderscheid te maken tussen wat een persoon wel of niet moet kunnen verklaren. De invloed van fysieke en psychische problematiek beperkt zich niet alleen tot bepaalde gedeelten van het geheugen, maar tast het gehele geheugen en het functioneren van een persoon aan, aldus het iMMO. 5.2. In reactie op de door de minister gegeven nadere schriftelijke inlichtingen heeft het iMMO in zijn brief van 17 augustus 2023 toegelicht dat het er bewust voor heeft gekozen om het onderscheid tussen hoofdlijnen en details niet langer te maken. De reden daarvoor is volgens het iMMO dat wat als hoofdlijn of detail van een relaas wordt gezien, verschilt per persoon en situatie. Het iMMO wijst erop dat heftige emoties de aandacht vernauwen, waardoor minder opvallende informatie mogelijk niet goed wordt opgeslagen in het geheugen. Dit kan invloed hebben op het vermogen van een vreemdeling om zich specifieke informatie te herinneren. Volgens het iMMO maakt dit het moeilijk om objectief vast te stellen wat een vreemdeling als hoofdlijn en wat hij als detail van zijn relaas ervaart. De voorliggende rechtsvraag 6. Het iMMO-rapport is een deskundigenrapport op grond waarvan de minister onder omstandigheden gehouden kan zijn nader medisch onderzoek te verrichten, vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, onder 11.1, ECLI:NL:RVS:2018:2085, en de uitspraak van 7 december 2022, onder 14.3, ECLI:NL:RVS:2022:3615. De vraag die partijen in deze zaak concreet verdeeld houdt, is of de minister zonder nader onderzoek voorbij heeft mogen gaan aan de conclusie in het iMMO-rapport dat de psychische klachten van de vreemdeling zeker hebben geïnterfereerd met zijn vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. 6.1. Aangezien de beantwoording van deze vraag specifieke deskundigheid vereist, heeft de Afdeling een deskundige benoemd. Met het oog op toekomstige zaken waarin een iMMO-rapport wordt overgelegd, heeft de Afdeling aanleiding gezien om meer in het algemeen de werkwijze van het iMMO en de uitgangspunten die het hanteert bij zijn onderzoek, zoals beschreven in de leeswijzer van maart 2020 en toegelicht in de brief van het iMMO van 17 augustus 2023, te beoordelen en te bespreken op een zitting. Daarbij is, gezien wat de minister daarover in zijn hogerberoepschrift heeft aangevoerd, van belang in hoeverre deze uitgangspunten in overeenstemming zijn met de huidige stand van de wetenschap. Daarom heeft de Afdeling de deskundige ook hierover vragen gesteld. 6.2. De vraag die in deze zaak voorligt, moet worden onderscheiden van de rechtsvraag die de Afdeling in haar onder 6 genoemde uitspraak van 7 december 2022 heeft beantwoord. Daarin is de Afdeling teruggekomen van wat zij in onder meer haar onder 5 genoemde uitspraken van 27 juni 2018 heeft overwogen over het zogenoemde onderdelenvereiste. Hierdoor geldt niet langer als uitgangspunt dat uit een iMMO-rapport moet blijken op welke onderdelen van het asielrelaas de beperking van het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren invloed heeft gehad. Alleen als het iMMO dit in een concreet geval wel duidelijk kan maken, is het daartoe gehouden. De Afdeling verwijst naar wat zij onder 14.2 van haar uitspraak van 7 december 2022 heeft overwogen. De vraag die in deze zaak aan de orde is, is echter een andere en gaat over de invloed van psychische problematiek op het vermogen van een vreemdeling om te verklaren als zodanig. De bevindingen van de deskundige 7. De vraag die in het deskundigenrapport centraal staat, is of de werkwijze en uitgangspunten die het iMMO hanteert in zijn rapportages, zoals uiteengezet in de leeswijzer van maart 2020, wetenschappelijk valide zijn. Het deskundigenrapport gaat daarbij in op de invloed van PTSS en soortgelijke aan trauma gerelateerde stoornissen op het functioneren van het geheugen en het vermogen om te verklaren over een asielrelaas. 7.1. In het deskundigenrapport staat over de door het iMMO aangehaalde bronnen in de leeswijzer van maart 2020 het volgende: "De leeswijzer uit 2020 van iMMO geeft geen volledig en geen actueel beeld van de wetenschappelijke inzichten. (…) Het is zeker ook geen volledig beeld in de zin van een dwarsdoorsnede van de beschikbare literatuur en biedt geen genuanceerd overzicht van belangrijke discussies. (…) Deze discussies zijn nog niet beslecht en wat de bijsluiter suggereert, is dat dit wel het geval zou zijn. Zeker kan men ervan uitgaan dat wat vermeld wordt in de bijsluiter teruggevoerd kan worden op wetenschappelijke publicaties, ze zijn niet verzonnen, zeker niet. Maar er heerst een toonzetting dat de aangegeven onderzoeksbevindingen algemeen geldig zijn en door iedere wetenschapper gedeeld worden, dat is niet zo. En vooral: ongetwijfeld zal een deel van de onderzochte betrokkenen manco’s vertonen in opslag en reproductie van het geheugen, echter niet allemaal, wat wordt gesuggereerd, en niet iedereen in dezelfde mate. In de leeswijzer wordt ook de selectie van de genoemde studies niet beschreven en deze lijkt ook niet aselectief. Bijvoorbeeld, wel wordt genoemd dat het menselijk brein reflexmatig zou reageren bij een acute dreiging. "Dat betekent dat het bewustzijn veelal uitgeschakeld is, waardoor gebeurtenissen niet opgeslagen worden en dus ook niet meer op te roepen zijn". Wat echter niet genoemd wordt, is dat juist omdat de herinneringen er wel zijn er een PTSS met flashbacks kan ontstaan. (…) Dus de stelligheid van deze bewering is onterecht. Er is onderzoek dat zaken als ‘peri-traumatische dissociatie’ en aandachtsproblemen signaleert maar om te stellen dat het bewustzijn uitgeschakeld is en gebeurtenissen niet worden opgeslagen is onjuist. Uiteraard kan een enkel individu deze ervaring hebben, echter het is zeker geen algemene stelling die iedereen treft." 7.2. De deskundige gaat vervolgens in op het uitgangspunt van het iMMO dat het onderscheid tussen hoofdlijnen en details bij getraumatiseerde personen niet te maken valt: "Er is weliswaar een beperking in het functioneren van het geheugen indien een betrokken vreemdeling lijdt aan PTSS of een soortgelijke aan trauma gerelateerde stoornis, echter een onderscheid tussen hoofdlijnen en details is zeker wel te maken. Het iMMO heeft gelijk als het stelt dat het dubieus is als buitenstaanders (rechters, ambtenaren) een duidelijke mening hebben over wat details zijn en wat hoofdlijnen zijn, terwijl dat cultureel gezien of individueel gezien geheel en al niet past bij wat betrokkene zelf ziet als details of hoofdlijnen. Evenwel is dat nou juist uit te zoeken als betrokkene wordt onderzocht en voorts zijn er wetenschappelijk gezien vele onderzoeken waarbij de onderzoekers de te onderzoeken fenomenen ‘details’ en ‘grote lijnen’ vrij goed definiëren. Het gebruiken van onderzoeksmethoden die ook voor dergelijk wetenschappelijk onderzoek gebruikt worden, zou niet misstaan in het diagnostisch arsenaal van de rapporteurs van iMMO. Ook kan middels persoonlijk onderzoek best een beeld geschapen worden waaruit blijkt wat betrokkene zelf onder details of grote lijnen verstaat. Dit zou de rechter erg kunnen helpen bij het interpreteren van het relaas en de invloed van geheugenproblemen op de geloofwaardigheid. (…) Uit onderzoek blijkt, we hebben dit hierboven al eerder gememoreerd, dat het voor mensen die getraumatiseerd zijn minder goed mogelijk is om details van de traumatische gebeurtenissen naar voren te halen (niet over de volle breedte maar het aantal details dat men zich kan herinneren is geringer dan wanneer men niet getraumatiseerd zou zijn) en dat de herinneringen van de details gefragmenteerder zijn (dat wil zeggen dat er gaten in het verhaal zitten waarover men geen details kan verstrekken) maar dat daarentegen door overgeneralisatie de hoofdlijnen van hun verhaal juist sterker worden en duidelijker, en ook beter bewaard blijven. Dus onderscheid tussen details en hoofdlijnen is blijkbaar te maken in wetenschappelijk onderzoek, dan zou dat ook mogelijk moeten zijn in een individueel onderzoek waarbij betrokkene inzicht kan geven in deze, ook als het gaat om wat betrokkene onder details of hoofdlijnen verstaat." 7.3. In het deskundigenrapport staat verder dat de invloed van PTSS op de werking van het geheugen per individu verschilt: "Juist dient het onderzoek van iMMO onder meer om te bezien in hoeverre bepaalde onderdelen van het geheugen wel of niet gestoord zijn en in welke mate bij een specifiek individu. Ieder mens is weer anders en niet van tevoren staat vast, ook niet indien iemand lijdt aan bijvoorbeeld een PTSS, of hij of zij geheugenstoornissen heeft en zo ja in welke mate." De deskundige onderstreept daarom het belang van een gedegen individueel onderzoek. Het iMMO dient in zijn rapporten helder te motiveren of en in welke mate een vastgestelde geheugenstoornis bij een vreemdeling ook in het individuele geval kan hebben geïnterfereerd met zijn vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. Voorts stelt de deskundige dat een door trauma aangetast geheugen een negatieve invloed op het functioneren van verschillende onderdelen van het geheugen kan hebben. Voor wat betreft het onderscheid tussen ware en onware aspecten is uit onderzoek af te leiden dat het daarbij gaat om vrij subtiele verschillen. Grote onwaarheden of onjuistheden lijken echter in ieder geval buiten de subtiele geheugenstoornissen als gevolg van PTSS of aanverwante stoornissen te vallen. Het vertellen van evidente onwaarheden past volgens de deskundige niet bij stoornissen van getraumatiseerde asielzoekers. Volgens de deskundige zou de bruikbaarheid van de rapportages van het iMMO voor de rechtspraktijk aanzienlijk kunnen toenemen: "De meerwaarde zou enorm toe kunnen nemen indien iMMO ertoe over zou gaan om de mate van geheugenproblemen te inventariseren en aan de rechtbank duidelijk uit te leggen welke onderdelen van het geheugen relatief goed functioneren en welke onderdelen niet of minder (dit is niet hetzelfde als het onderdelenvereiste alwaar het gaat om welke delen van het verhaal betrouwbaar zijn en welke niet). Ik deel de mening van iMMO niet (dat valt ook uit mijn commentaar op de leeswijzer af te leiden) dat hoe dan ook de geheugenstoornissen dermate ernstig zullen zijn dat er geheel en al geen uitspraken te doen zijn. Dat kan wel degelijk, zeker in het individuele geval." De deskundige heeft in dat verband onder meer op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat bij een dergelijk onderzoek naar de mate van geheugenproblemen gebruik zou kunnen worden gemaakt van testinstrumenten die specifiek zijn ontwikkeld om het functioneren van het geheugen en de samenhang van verklaringen bij personen met PTSS en soortgelijke aan trauma gerelateerde stoornissen te onderzoeken. 7.4. Samengevat komen de conclusies van de deskundige erop neer dat iMMO-rapporten algemeen gesproken onvoldoende aansluiten bij de actuele wetenschappelijke inzichten over de gevolgen van PTSS en soortgelijke aan trauma gerelateerde stoornissen op de werking van het geheugen. Het iMMO gaat volgens hem te veel uit van algemene patronen, terwijl de gevolgen van trauma op het geheugen sterk individueel bepaald zijn. Dit leidt ertoe dat iMMO-rapporten te algemeen blijven en voor de rechtspraktijk minder goed bruikbaar zijn voor de geloofwaardigheidsbeoordeling in individuele zaken. Desgevraagd bevestigde de deskundige op de zitting bij de Afdeling dat het antwoord op de B-vraag relevant is voor die beoordeling, maar dat de werkwijze van het iMMO in dat kader verder moet worden geprofessionaliseerd om de bruikbaarheid van zijn rapportages te vergroten. De reactie van het iMMO op de bevindingen van de deskundige 8. In zijn schriftelijke reactie op het deskundigenrapport onderschrijft het iMMO de conclusie van de deskundige dat het wetenschappelijk debat over de invloed van PTSS en trauma op het geheugen nog niet is beslecht. Het iMMO erkent dat de leeswijzer op dit punt onvoldoende genuanceerd is en geeft aan deze te zullen aanpassen. Het iMMO sluit zich ook aan bij de bevinding van de deskundige dat het mogelijk is om bij de beoordeling van het vermogen om te verklaren onderscheid te maken tussen de hoofdlijnen en de details van een asielrelaas. Het iMMO stelt dat het dit onderscheid in de leeswijzer niet meer maakt, juist omdat het iMMO het met de deskundige eens is dat elk individu op zijn eigen merites en in al zijn complexiteit moet worden beoordeeld. 8.1. Het iMMO onderschrijft daarnaast het belang van een kenbare en inzichtelijke motivering van zijn conclusies over de mate waarin een vreemdeling in staat is over zijn asielrelaas te verklaren. Het iMMO heeft op de zitting bij de Afdeling onderkend dat het in zijn rapporten duidelijker kan toelichten hoe het in een individueel geval tot zijn conclusie bij de B-vraag is gekomen. Het iMMO heeft toegezegd dat het daar iets aan gaat doen, zodat uit het antwoord op de B-vraag duidelijk(er) wordt waarom de geconstateerde medische problematiek tot geheugenstoornis heeft geleid en in hoeverre die het vermogen om te verklaren heeft beïnvloed. Het iMMO heeft overigens benadrukt dat het met zijn antwoord op de B-vraag geen uitspraak doet over de geloofwaardigheid van een asielrelaas. 8.2. Verder sluit het iMMO zich aan bij de opvatting van de deskundige dat er onvoldoende wetenschappelijk bewijs is voor het standpunt dat PTSS en soortgelijke aan trauma gerelateerde stoornissen verklarend kunnen zijn voor de aanwezigheid van evidente onwaarheden of onwaarschijnlijkheden in de verklaringen van een vreemdeling. 8.3. Tot slot reageert het iMMO kritisch op de suggestie van de deskundige om ter vergroting van de bruikbaarheid van zijn rapporten aanvullende, op het individu toegesneden onderzoeken naar de geheugenfunctie uit te voeren. In zijn schriftelijke reactie stelt het iMMO namelijk dat verder onderzoek naar de geheugenfunctie tot vertraging in de asielprocedure kan leiden en dat er voor de doelgroep geen gevalideerde tests beschikbaar zijn. Op de zitting heeft de deskundige echter naar voren gebracht dat er op dit gebied meer mogelijk is dan het iMMO op dit moment doet. Dat heeft het iMMO niet betwist. Wel heeft het iMMO erop gewezen dat aan de uitvoering haken en ogen zitten, omdat aanvullende geheugentests niet passen binnen de huidige inrichting van het onderzoek. Het uitvoeren van dergelijke tests is volgens het iMMO echter niet onmogelijk. Het oordeel van de Afdeling 9. De Afdeling heeft bij haar oordeel, naast de algemene gedingstukken, in het bijzonder betrokken de bevindingen en conclusies van de deskundige, met name die weergegeven onder 7.1 tot en met 7.4. Ook heeft de Afdeling in haar oordeel betrokken wat het iMMO in zijn reactie op die bevindingen heeft gesteld, in het bijzonder wat hiervoor onder 8 tot en met 8.3 is weergegeven. De Afdeling constateert daarbij dat daaruit blijkt dat de deskundige en het iMMO op meerdere punten in ieder geval op hoofdlijnen tot gelijkluidende conclusies komen. Waar dat het geval is, is de Afdeling ook van die conclusies uitgegaan. Hierna wordt ingegaan op de vraag wat dit betekent voor de werkwijze van het iMMO en de inhoud van zijn rapportages. Wat oordeelt de Afdeling over het iMMO-rapport? 10. Gezien de bijzondere bewijswaarde die aan een deskundigenrapport, zoals in dit geval dat van het iMMO, toekomt, ligt de vraag voor of het rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en naar inhoud inzichtelijk en concludent is, vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2085, onder 10.5. De Afdeling is van oordeel dat, gelet op de bevindingen van de deskundige, de reactie daarop van het iMMO, en wat overigens uit het dossier en uit de behandeling op de zitting is gebleken, de in dit rapport gedane vaststellingen, gevolgde redeneringen en getrokken conclusies niet steeds in overeenstemming zijn met de actuele wetenschappelijke inzichten en de eisen die aan een deskundigenrapport moeten worden gesteld, zoals hiervoor geduid. In dat kader constateert de Afdeling in het bijzonder dat het iMMO bij de beantwoording van de B-vraag in de rapportage onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de daarin opgenomen conclusie dat de geconstateerde psychische/lichamelijke problematiek van de vreemdeling beperkingen gaf die zeker hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren, is gebaseerd op een op de individuele vreemdeling toegespitste beoordeling van zijn vermogen om te verklaren. Dit wordt hierna nader uitgewerkt. 11. In paragraaf 8.1 van het rapport in deze zaak vat het iMMO de bij de vreemdeling vastgestelde medische problematiek samen. Daarin staat onder meer het volgende: "Betrokkene rapporteert psychische klachten en lichamelijke klachten. De psychische klachten bestaan uit klachten van herbelevingen en nachtmerries met inslaap- en doorslaapproblemen, angst en stemmingsklachten en cognitieve problemen. Nadere psychodiagnostiek (PCL-5) laat zien dat er sprake is van PTSS volgens de criteria van de DSM-5. De cognitieve klachten zijn vergeetachtigheid en concentratieproblemen. Uitkomst van het psychodiagnostisch onderzoek (de Bourdon-Wiersmatest) laat zien dat er sprake is van verminderde concentratie. (…)" In paragraaf 8.2 beantwoordt het iMMO in zijn rapport de B-vraag als volgt: "Ja er waren medische beperkingen zoals blijkt uit het FMMU advies en onderliggend FMMU dossier en het medisch dossier die zeker interfereerden met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. Voor verdere onderbouwing zie hoofdstuk 7." Hoofdstuk 7 van het iMMO-rapport heeft als titel "Medische problematiek bij verklaren". Na onder meer een beschrijving van de bij de vreemdeling geconstateerde klachten aan de hand van de in paragraaf 8.2 genoemde medische stukken, komt het iMMO tot de volgende conclusie: "Samengevat zijn er in de periode vóór en tijdens de gehoren problemen geweest met slecht slapen, piekeren, hoofdpijnklachten en wisselende concentratieproblemen. Ook heeft betrokkene lichamelijke pijnklachten gemeld. Het is bekend dat bij mensen met lichamelijke pijn de concentratie slechter kan zijn. De geconstateerde psychische/lichamelijke problematiek geeft beperkingen die zeker hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet coherent en consistent te verklaren." 11.1. De Afdeling is van oordeel dat het antwoord van het iMMO op de B-vraag niet logisch voortvloeit uit de redenering in het rapport. Die redenering is onvoldoende toegespitst op de individuele situatie van de vreemdeling. Hoewel het iMMO in zijn rapport beschrijft welke medische klachten de vreemdeling had tijdens de asielgehoren, maakt het iMMO niet inzichtelijk waarom en in hoeverre deze klachten bij deze vreemdeling ook hebben geleid tot een geheugenstoornis en evenmin waarom deze in zijn geval zouden hebben geleid tot een interferentie met zijn vermogen om compleet, coherent en consistent over zijn asielrelaas te verklaren. Zoals hiervoor onder 7.1 tot en met 7.4 en 8 uiteengezet, volstaat de diagnostisering met PTSS daarvoor niet, aangezien de invloed van PTSS (of een soortgelijke aan trauma gerelateerde stoornis) op het geheugen per persoon verschilt. Gelet hierop had het iMMO-rapport nader inzicht moeten verschaffen op basis van welke bevindingen het iMMO tot zijn conclusie is gekomen en hoe en in welke mate de medische problematiek van de vreemdeling in concreto de werking van zijn geheugen, dan wel delen daarvan, heeft beïnvloed. Voor zover daarbij een geheugenstoornis ten tijde van het afnemen van de asielgehoren is vastgesteld, had mogen worden verwacht dat zou zijn toegelicht of en hoe deze geheugenstoornis heeft doorgewerkt in het vermogen van de vreemdeling om compleet, coherent en consistent te verklaren. Uit het iMMO-rapport blijkt verder ook overigens niet van een geheugenstoornis bij de vreemdeling als zodanig. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de conclusie van het iMMO dat de vastgestelde medische problematiek ‘zeker’ heeft geleid tot een interferentie met het vermogen van de vreemdeling om compleet, coherent en consistent te verklaren over zijn asielrelaas, onvoldoende inzichtelijk is. 11.2. Dit betekent dat de minister aan het antwoord op de B-vraag in het iMMO-rapport voorbij mocht gaan en zich bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas mocht baseren op wat de vreemdeling tijdens de gehoren in de asielprocedure heeft verklaard. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat het iMMO-rapport de tegenwerpingen in het besluit niet aantast en daarom nader moet motiveren waarom hij het asielrelaas van de vreemdeling, ondanks de bevindingen in dat rapport, toch ongeloofwaardig acht. 11.3. De grieven slagen. A-vraag 12. De bevindingen van de deskundige hebben geen betrekking op de beantwoording door het iMMO van de A1- en de A2-vraag. De minister klaagt in hoger beroep ook niet over dit deel van het iMMO-rapport. De hierna onder 15.5 bedoelde rechtspraak van de Afdeling over de betekenis van een iMMO-rapport als medisch steunbewijs blijft dan ook ongewijzigd. De Afdeling zal onder 15.6 bespreken wat de betekenis is van dit deel van het iMMO-rapport voor de beoordeling van het geloofwaardigheidsstandpunt van de minister. Conclusie hoger beroep 13. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist. Bespreking van de beroepsgronden 14. Zoals hiervoor onder 1 weergegeven, heeft de vreemdeling aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd dat hij in februari 2019 problemen kreeg met de Sri Lankaanse autoriteiten, omdat hij werd verdacht van deelname aan activiteiten van de LTTE. Volgens de vreemdeling was eerder een collega en vriend van hem gearresteerd op verdenking van betrokkenheid bij het leveren van explosieven aan de LTTE waarmee in 2004 een bomaanslag is gepleegd. Deze heeft tijdens een verhoor de naam van de vreemdeling genoemd en verteld dat zij samenwerkten. De vreemdeling is vervolgens op 15 februari 2019 opgepakt en bijna twee weken lang vastgehouden en mishandeld. Toen is zijn telefoon in beslag genomen met daarop foto’s van de vreemdeling met vrienden, die hij tijdens zijn reis in januari 2019 naar Frankrijk en Engeland heeft ontmoet en die tot de Tamil-diaspora behoren. 15. Aan zijn standpunt dat het asielrelaas niet geloofwaardig is, heeft de minister ten grondslag gelegd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij wordt beschuldigd van deelname aan activiteiten van de LTTE. Volgens de minister valt niet in te zien waarom zijn collega, die niets met de LTTE te maken heeft, in 2019 de naam van de vreemdeling zou noemen tijdens een verhoor over een incident met explosieven dat al in 2004 zou hebben plaatsgevonden. Dit geldt te meer omdat de vreemdeling zelf ook niets met de LTTE te maken heeft, geen banden heeft met de Tamils en tot de Singalese bevolkingsgroep behoort. De minister heeft verder bij zijn standpunt betrokken dat de vreemdeling weinig over die collega kan vertellen en vaag en oppervlakkig heeft verklaard over zijn detentie. Daarnaast heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat hij op 7 januari 2019 naar Frankrijk en vervolgens op 11 januari 2019 naar Engeland is gereisd. Dit doet volgens de minister ernstig afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling dat hij in Sri Lanka problemen heeft gehad wegens foto’s van hem met leden van de diaspora die hij in Engeland heeft genomen en die op zijn telefoon zijn aangetroffen toen hij werd aangehouden. Ook stelt de minister zich op het standpunt dat het feit dat de vreemdeling na de gestelde gebeurtenissen in februari 2019 Sri Lanka nog enkele malen veilig is in- en uitgereisd, niet duidt op negatieve aandacht van de Sri Lankaanse autoriteiten. 15.1. Anders dan de vreemdeling betoogt, heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt waarom de collega hem zou beschuldigen van betrokkenheid bij de LTTE. De minister heeft daarbij ook mogen betrekken dat de vreemdeling zelf heeft verklaard dat hij niets met de LTTE te maken heeft, geen banden heeft met de Tamils en tot de Singalese bevolkingsgroep behoort. Daarbij heeft de minister verder het langdurige tijdsverloop tussen het incident in 2004 en de gestelde beschuldiging in 2019 mogen betrekken. Dat de vreemdeling niet weet waarom zijn naam is genoemd en waarom hij daardoor in verband wordt gebracht met een incident uit 2004, laat onverlet dat het, juist in een geval waarin het relaas reeds op zichzelf in bepaalde opzichten bevreemding wekt, aan de vreemdeling is om zijn asielrelaas zoveel mogelijk aannemelijk te maken. De enkele, niet verder feitelijk toegelichte stelling van de vreemdeling dat de collega mogelijk is gemarteld en daarbij ‘dingen is gaan roepen’, maakt daarbij niet dat de minister zijn asielrelaas alsnog aannemelijk had moeten achten. Ook met de verwijzing naar het DFAT Country Information Report Sri Lanka van 4 november 2019, waaruit blijkt dat de Sri Lankaanse autoriteiten nog steeds bezig zijn om LTTE-elementen uit te schakelen en daarbij niet schuwen om arrestanten te mishandelen, is de vreemdeling daar niet in geslaagd. De minister wijst er terecht op dat dit rapport gaat over de algemene situatie in Sri Lanka en dat de vreemdeling daarmee zijn individuele relaas nog niet aannemelijk heeft gemaakt. 15.2. Dat de man die volgens de vreemdeling zijn naam heeft genoemd een collega was en niet echt een vriend en het meer dan tien jaar geleden is dat hij met hem omging, heeft de minister in zijn oordeel betrokken. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat van de vreemdeling desondanks mocht worden verwacht dat hij meer over die collega kon vertellen, omdat hij vier jaar lang met hem is omgegaan en zij ook met elkaar uitgingen. Verder heeft de minister de vreemdeling terecht tegengeworpen dat hij pas in tweede instantie de achternaam van deze man wist te noemen, terwijl hij aanvankelijk heeft verklaard zijn achternaam niet te weten. Dat hier mogelijk sprake is geweest van een fout tijdens het gehoor, heeft de vreemdeling ook in beroep niet toegelicht. De vreemdeling betwist verder niet dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in januari 2019 in Frankrijk is geweest. Aan het standpunt dat de vreemdeling ook de daarop aansluitende reis naar Londen niet aannemelijk heeft gemaakt, heeft de minister ten grondslag gelegd dat uit EU-VIS niet blijkt dat aan de vreemdeling een visum voor het Verenigd Koninkrijk is afgegeven en dat in zijn paspoort in- en uitreisstempels ontbreken. De overgelegde foto van een pagina uit een paspoort met daarop de afbeelding van een visum voor het Verenigd Koninkrijk, de naam en geboortedatum van de vreemdeling en, naar het lijkt, een inreisstempel, heeft de minister niet tot een ander standpunt hoeven leiden. Het nummer van het paspoort op de foto komt namelijk niet overeen met het nummer van het paspoort dat de vreemdeling bij zijn asielaanvraag heeft overgelegd, terwijl hij heeft verklaard dat zijn reisagent de pagina met het visum voor het Verenigd Koninkrijk uit zijn paspoort heeft verwijderd. Verder heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vreemdeling ook met de foto waarop hij met anderen is te zien in een diaspora-uniform, zijn verblijf in Londen niet aannemelijk heeft gemaakt. 15.3. Voor zover de vreemdeling heeft aangevoerd dat de minister geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat hij vanwege een trauma geen uitgebreide verklaringen heeft kunnen geven over zijn detentieperiode, verwijst de Afdeling naar wat zij hierover bij de bespreking van de grieven, onder 11.2, heeft overwogen. 15.4. Verder voert de vreemdeling onder verwijzing naar het iMMO-rapport aan dat een aantal lichamelijke kenmerken en zijn psychische klachten zijn asielrelaas ondersteunen. Het ontbreken van meerdere gebitselementen en vier op zijn lichaam aangetroffen littekens worden immers als consistent en negen littekens als kenmerkend beoordeeld voor de gestelde toedracht. Daarnaast heeft het iMMO zijn psychische klachten als typerend daarvoor aangemerkt. De minister had daarom een medisch deskundige moeten inschakelen om deze conclusies te weerleggen, aldus de vreemdeling. 15.5. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2086, onder 9 en 9.1, is het aan de minister om, als een medisch rapport, zoals een iMMO-rapport, een sterke aanwijzing vormt dat de door een vreemdeling gestelde onmenselijke behandeling in het land van herkomst het letsel heeft veroorzaakt, de twijfel over de oorzaak van het letsel weg te nemen, wanneer de minister die gestelde onmenselijke behandeling desondanks niet aannemelijk acht. Dit kan verplichten tot nader medisch onderzoek. Bij de vraag of deze verpli
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...