ECLI:NL:RVS:2024:4824
- Instantie
- Raad van State
- Datum
- 2024-11-25
- Procedure
- Hoger beroep
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluiten van 20 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 5 september 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Materiële kern
202305770/1/V3. Datum uitspraak: 25 november 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling 1], [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 september 2023 in zaak nr. NL23.17899 en NL23.17903 in het geding tussen: de vreemdelingen en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluiten van 20 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 5 september 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M.R. van der Pol, advocaat in Leeuwarden, hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. De minister heeft de Afdeling bij brief van 2 januari 2024 laten weten dat de vreemdelingen met hulp van de IOM zijn vertrokken naar Moldavië, hun land van herkomst. In de door de vreemdelingen ondertekende vertrekverklaring staat expliciet vermeld dat zij ermee instemmen dat nog openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel worden beëindigd. Gelet daarop hebben de vreemdelingen geen belang meer bij een beoordeling van hun hoger beroep. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van de Kolk griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2024 18-1023
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...