Zaak

ECLI:NL:RVS:2024:192

Instantie
Raad van State
Datum
2024-01-22
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202307730/1/V2
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.238 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluiten van 24 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

05Kern

Materiële kern

202307730/1/V2. Datum uitspraak: 22 januari 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling 1], [vreemdeling 2] en [vreemdeling 3], appellanten, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 8 december 2023 in zaken nrs. NL23.33796 en NL23.34011 in het geding tussen: de vreemdelingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluiten van 24 oktober 2023 heeft de staatssecretaris de aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij mondelinge uitspraak van 8 december 2023 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1.       Wat de vreemdelingen in het hogerberoepschrift hebben aangevoerd, voldoet niet aan de eisen van de wet (artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000). Volgens de wet moet iemand die hoger beroep instelt uitleggen op welk punt de uitspraak van de rechtbank niet juist is en waarom dat volgens hem zo is. Dat hebben de vreemdelingen niet gedaan. De rechtbank heeft in de uitspraak uitgelegd dat de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de behandeling van de asielaanvragen van de vreemdelingen niet onverplicht naar zich heeft toe getrokken in de zin van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De vreemdelingen leggen in het hogerberoepschrift niet uit waarom die uitleg van de rechtbank volgens hen niet juist is. 2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. Iedema griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2024 915-1003

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...