ECLI:NL:RVS:2023:4492
- Instantie
- Raad van State
- Datum
- 2023-12-05
- Procedure
- Hoger beroep
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluit van 20 oktober 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Materiële kern
202207243/1/V3. Datum uitspraak: 5 december 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 13 december 2022 in zaak nr. NL22.21582 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 20 oktober 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 13 december 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.J. Portegies, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2720, onder 4, klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank in dit geval niet de Country Guidance Iraq 2022 van het European Union Agency for Asylum aan haar uitspraak ten grondslag had kunnen leggen zonder partijen in de gelegenheid te stellen zich over deze informatie uit te laten. De grieven leiden evenwel niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, omdat deze zich richten tegen overwegingen van de uitspraak die het oordeel van de rechtbank zelfstandig kunnen dragen. De rechtbank heeft namelijk een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek geconstateerd en dat gebrek laat zich (los van de vraag wat de uitkomst van de nieuwe besluitvorming moet zijn) eenvoudig herstellen. 1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt met verbetering van gronden bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 837,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier. w.g. Kuijer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van de Kolk griffier Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2023 347
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...