Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:9428

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-04-17
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.34419
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
17.705 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister ten onrechte heeft nagelaten om het referentiekader van eiser kenbaar in de besluitvorming te beschrijven en te betrekken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.34419 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H. Hassan), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. D. Post). Samenvatting 1.1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw . Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister ten onrechte heeft nagelaten om het referentiekader van eiser kenbaar in de besluitvorming te beschrijven en te betrekken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel voor eiser heeft. Procesverloop 2.1. Eiser heeft op 8 februari 2025 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw aangevraagd. Eiser stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2009. 2.2. De minister heeft met het bestreden besluit van 22 juli 2025 de aanvraag van eiser op grond van artikel 31 lid 1 van de Vw, afgewezen als ongegrond. 2.3. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Mahed als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3.1 Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser ging naar de Koranschool waar leden van Al-Shabaab twee keer in de week lesgaven. Op een gegeven moment werden de oudere mannen in het dorp opgeroepen door Al-Shabaab en werd aan hen medegedeeld dat alle jongens die bijna afgestudeerd waren zich aan moesten sluiten bij Al-Shabaab. Ook zijn leden van Al-Shabaab bij eiser thuis geweest en hebben zij tegen zijn vader gezegd dat eiser zich bij Al-Shabaab moest aansluiten. Vanwege deze redenen heeft de vader van eiser besloten dat eiser Somalië moest verlaten. Later heeft eiser van zijn oom vernomen dat zijn vader is ontvoerd door Al-Shabaab. Eiser vreest bij terugkeer naar Somalië voor verdere problemen met Al-Shabaab. Standpunten partijen 4.1. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: - de identiteit, nationaliteit en herkomst; - de problemen met Al-Shabaab. De minister heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De problemen met Al-Shabaab vindt de minister niet geloofwaardig. Daartoe heeft de minister – kort samengevat – overwogen dat eiser geen documenten heeft overgelegd die zijn asielmotief volledig kunnen onderbouwen en dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. In dit kader werpt de minister tegen dat Al-Shabaab niet de macht had in de woonplaats van eiser, [woonplaats] , ten tijde van de gestelde problemen en dat eiser verder onsamenhangende, onaannemelijke en summiere verklaringen heeft afgelegd over de lessen van Al-Shabaab, de bijeenkomst van Al-Shabaab en de ontvoering van de vader van eiser. Daarnaast heeft eiser volgens de minister tegenstrijdig verklaard over het moment waarop hij zijn woonplaats zou hebben verlaten. Eiser voldoet daarmee niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico op ernstige schade loopt. 4.2. Eiser heeft de juistheid van het standpunt van de minister gemotiveerd betwist. Op hetgeen hij in dit verband heeft aangevoerd zal hieronder – voor zover relevant – worden ingegaan. Wie heeft de controle over [woonplaats] ? 5.1. De rechtbank stelt allereerst vast, en de minister heeft dit ter zitting ook bevestigd, dat de meest prangende vraag is wie de controle had in de woonplaats van eiser genaamd [woonplaats] . De minister gaat er namelijk in zijn besluitvorming vanuit dat [woonplaats] is gelegen in een gebied waar de federale overheid aan de macht is en dit is bepalend voor de wijze waarop de minister de verklaringen van eiser heeft beoordeeld. Zo heeft de minister onder meer aan eiser tegengeworpen dat het vreemd is dat hij geen militairen van de federale overheid heeft gezien in het dorp. 5.2. De rechtbank stelt vast dat het gaat om het dorp [woonplaats] in de provincie [provincie 1] in Somalië (en niet het dorp [woonplaats] gelegen in de provincie [provincie 2] ). Uit Google maps, waar ook de minister bij de beoordeling gebruik van heeft gemaakt, volgt dat het dorp op 3,1 kilometer afstand ligt van de stad [stad] . De minister heeft kort voor de zitting een viertal bijlagen overgelegd waaruit volgens de minister volgt dat het dorp gelegen is in door de federale overheid gecontroleerd gebied. Het gaat om: 1. een luchtfoto op basis van Google Maps ; 2. een kaart van de website PolgeoNow waarop te zien is welke groepen in welk gebied de controle hebben in Somalië vanaf 28 juni 2024 ; 3. een kaart van de website PolgeoNow waarop te zien is welke groepen in welk gebied de controle hebben in Somalië vanaf 19 juni 2025 ; 4. een kaart van de website PolgeoNow, afkomstig uit het Algemeen Ambtsbericht Somalië van april 2025, waarop te zien is welke groepen in welk gebied de controle hebben in Somalië vanaf 28 februari 2025 . De rechtbank stelt allereerst vast dat de kaarten 3 en 4 zien op de situatie na het vertrek van eiser. Verder veranderen de grenzen van het gebied dat door de federale overheid wordt gecontroleerd op de verschillende kaarten. Dit is belangrijk omdat dit gebied op de kaarten 3 en 4, aanzienlijk groter is dan op kaart 2, dat ziet op de situatie ten tijde van de door eiser gestelde problemen. De rechtbank concludeert verder dat op alle drie de kaarten te zien is dat de stad [stad] onder controle van ‘ATMIS/Federal Govt. coalition' staat maar dat er een * bij staat. Bij de uitleg hiervan staat dat Al-Shabaab ook verdekte invloeden heeft in de gebieden die onder controle van de federale overheid staan. Daarnaast is [stad] gelegen in een gebied waarvoor ‘Mixed, unclear, and/or local control’ geldt. Gelet op de schaalgrootte van de kaarten en de afstand van 3,1 kilometer tussen [woonplaats] en [stad] is de rechtbank van oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de woonplaats van eiser enkel onder controle van de federale overheid staat. De stelling van de minister dat het niet aannemelijk is dat Al-Shabaab in [woonplaats] aan de macht is of scholen kon binnenvallen, volgt de rechtbank daarom niet. De rechtbank vindt ook steun voor dit standpunt in het Algemeen Ambtsbericht waarin het volgende staat aangegeven: “ Volgens verschillende bronnen koos Al-Shabaab ervoor stedelijke gebieden en de bases van ATMIS die zich daar bevonden niet over te nemen. De groep gaf er de voorkeur aan af en toe aanvallen te doen om aan wapens en materieel te komen, om zich vervolgens weer terug te trekken in de rurale gebieden. De stedelijke gebieden die in handen van de overheid waren, waren over het algemeen belegerd door Al-Shabaab in de omringende gebieden.” De minister is er bij de beoordeling van de verklaringen van eiser dan ook ten onrechte vanuit gegaan dat het dorp is gelegen in door de federale overheid gecontroleerd gebied en heeft dus ook ten onrechte tegengeworpen dat het vreemd is dat eiser in het dorp geen vertegenwoordigers van de federale overheid heeft gezien. 5.3. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister tijdens de gehoren en de beoordeling van de verklaringen van eiser onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn minderjarige leeftijd en de Somalische cultuur met betrekking tot de gezagsverhouding tussen volwassenen en kinderen. De rechtbank licht dit hieronder verder toe. Verklaringen over de lessen van Al-Shabaab tijdens de Koranschool 6.1. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser, over de lessen van Al-Shabaab, summiere verklaringen heeft afgelegd en dat van hem verwacht mocht worden dat hij hier meer over zou kunnen verklaren. De rechtbank stelt vast dat eiser antwoord geeft op de gestelde vragen die tijdens het gehoor aan hem worden gesteld. Anders dan de minister stelt, is de rechtbank van oordeel dat je van een vijftienjarig kind niet kunt verwachten dat hij tijdens het nader gehoor, tegenover een voor hem onbekende volwassene en gelet op de gezagsverhouding, uit zichzelf meer gaat verklaren. Als de minister over bepaalde aspecten van eisers asielrelaas meer had willen weten, had het in dit geval op de weg van de gehoorambtenaar gelegen om hierover door te vragen. De rechtbank wil de minister hierover meegeven dat doorvragen iets anders is dan dezelfde vraag in vrijwel identieke bewoordingen te herhalen. Doorvragen vergt dat er concrete vragen worden gesteld. Dit heeft de gehoorambtenaar in deze zaak niet, dan wel onvoldoende gedaan. Dit geldt bijvoorbeeld over het incident met de voetbal waarbij eiser werd geslagen en de gehoorambtenaar op dit punt niet heeft doorgevraagd door wie dit werd gedaan. 6.2. Eiser heeft ook tijdens de gehoren verklaard dat hij naar de Koranschool ging en dat hij twee dagen in de week les kreeg van Al-Shabaab. Op de vraag hoe hij wist dat dit leden van Al-Shabaab waren, heeft eiser verklaard dat ze anders waren dan andere mensen, dat ze gemaskerd waren, lange jurken met een tulband droegen en dat ze gewapend waren. Daarnaast heeft eiser verklaard dat de mannen hen voorlazen uit boeken en dat ze video’s bekeken die door eiser als shockerend werden ervaren. Ook werd tegen hen gezegd dat ze moesten vechten tegen de afvalligen, dat hun werd geleerd hoe ze moesten bidden en dat ze les kregen over de vijf pijlers van de islam. De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze concrete en gedetailleerde verklaringen de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser te summier heeft verklaard over de wijze waarop de lessen werden gegeven. Als de minister toch nog meer over de inhoud van de lessen had willen weten, had het op de weg van de minister gelegen eiser daarover nader te bevragen. Hetzelfde geldt voor de inhoud van de video’s. Ook hier is niet concreet doorgevraagd op wat eiser heeft waargenomen of waarom hij de beelden als shockerend heeft ervaren. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat zowel bij het gehoor van eiser als de beoordeling van zijn verklaringen niet blijkt dat rekening is gehouden met het feit dat het hier gaat om een vijftienjarig kind waarbij gewapende mannen de klas binnenvielen. Het oordeel van de minister dat de lessen niet dermate traumatisch/shockerend waren en dat daarom meer van eiser verwacht mocht worden, volgt de rechtbank dan ook niet. Dit geldt temeer nu de periode waarvan wordt aangenomen dat eiser les heeft gehad in het bestreden besluit aanzienlijk is verkort naar een paar maanden, terwijl de minister in het voornemen nog uitgaat van een periode van bijna twee jaar. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet onvoorstelbaar dat eiser binnen de relatief korte periode van een paar maanden, dusdanig onder de indruk was van hetgeen hij tijdens de lessen heeft gezien, dat hij daardoor minder goed in staat was gedetailleerd te verklaren over de inhoud van de lessen. De minister heeft ook ten onrechte tegengeworpen dat niet vastgesteld kan worden dat deze personen daadwerkelijk tot Al-Shabaab behoorden. De rechtbank ziet gelet op de omschrijving van de mannen in combinatie met de inhoud van de lessen (onder meer het vechten tegen afvalligen) en ook wat onder 5.2 is overwogen over de controle in [woonplaats] niet in waarom dit niet aannemelijk zou zijn. Sterker nog, het voorgaande maakt juist waarschijnlijk dat dit wel het geval is. Daar komt nog bij dat de verklaringen van eiser ook steun vinden in wat in het Algemeen Ambtsbericht is opgenomen over de rekrutering van kinderen door Al-Shabaab . Verklaringen over de bijeenkomst van Al-Shabaab en de ontvoering van vader 7.1. Ten aanzien van de verklaringen van eiser over de bijeenkomst van zijn vader met Al-Shabaab en de ontvoering van zijn vader, stelt de rechtbank vast dat eiser heeft verklaard wat hij hierover weet. De tegenwerping dat van eiser verwacht mocht worden dat hij hierover meer vragen zou stellen aan zijn vader en oom, volgt de rechtbank gelet op het referentiekader van eiser niet. De rechtbank neemt hierbij de verklaring van eiser ter zitting in aanmerking dat dit niet gebruikelijk is en dat hij gewoon moet doen wat hem gezegd wordt. Dit volgt bijvoorbeeld ook uit de verklaring van eiser in het gehoor: ‘ Ik vertelde het iedere keer aan mijn vader en mijn vader zei dat hij er niks aan kon doen en dat we stil moesten zijn’ . 7.2. Met betrekking tot de verklaringen over de ontvoering van zijn vader heeft eiser antwoord gegeven op alle vragen die hierover zijn gesteld. Dat eiser los hiervan uit zichzelf nog andere dingen had moeten verklaren, ziet de rechtbank niet. Zeker niet als rekening wordt gehouden met het referentiekader van eiser. Daar komt nog bij dat eiser zelf heeft verklaard, dat toen hij van zijn oom hoorde dat zijn vader ontvoerd was, hij in shock was en begon te huilen. Kort daarna moest eiser van zijn oom vertrekken omdat die geen problemen wilde met Al-Shabaab. Verklaringen over het moment van vertrek 8.1. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het moment van vertrek. De gehoorambtenaar heeft onvoldoende doorgevraagd op dit punt voor de minister om deze conclusie te kunnen trekken. In het voornemen wordt door de minister zelf ook aangegeven dat eiser hier niet mee geconfronteerd is tijdens het nader gehoor. Daarbij komt nog, dat zoals de minister ter zitting heeft aangegeven, dit van ondergeschikt belang is. 9.1. De minister heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Het beroep is gelet op het bovenstaande gegrond. De overige beroepsgronden van eiser behoeven daarom geen bespreking meer. Conclusie en gevolgen 10.1. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet verder geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of de mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. 10.2. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken. 10.3. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, - omdat de gemachtigde van eiser een beroepsschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Dit wordt berekend op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 934,00 per punt. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868, - aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Jongmans, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Vreemdelingenwet 2000. Google Maps, [woonplaats] - Google Maps ([internetsite]). PolgeoNow 28 juni 2024, 2024-06-28-islamic-state-somalia-map-of-al-shabaab-control-somaliland-ssc-khatumo.png (1600×2016). PolgeoNow 19 juni 2025, 2025-06-19-somalia-civil-war-map-2025-territorial-control.png (1270×1600). Somalië: Algemeen ambtsbericht over de situatie in Somalië – april 2025, pagina 22. Somalië: Algemeen ambtsbericht over de situatie in Somalië – april 2025, pagina 23. Somalië: Algemeen ambtsbericht over de situatie in Somalië – april 2025, pagina 30. Nader gehoor d.d. 17 juli 2025, pagina 5. De Algemene wet Bestuursrecht.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...