Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:9326

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-04-16
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.29053, NL25.29054 en NL25.29055
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
29.940 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Beroepen tegen afwijzing van een asielaanvraag. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank kan niet uitsluiten dat Case Matcher in de zaken van eisers is gebruikt. Daarom is er sprake van een motiveringsgebrek. Gelet hierop, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het algoritme Case Matcher. De rechtbank heeft wel uitdrukkelijk overwogen dat verweerder het gebruik van Case Matcher in de op de zaak betrekkende stukken moet vermelden, totdat het algoritme in rechte is getoetst. Daarnaast heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat de door eiser gestelde problemen vanwege zijn christelijke geloof ongeloofwaardig zijn. Ook heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom de individuele omstandigheden van eiser – in onderlinge samenhang bezien en in het licht van de (veiligheids)situatie in Balochistan – niet tot een verhoogd risico op ernstige schade leiden zoals bedoeld in het arrest X. en Y. Verweerder moet daarom opnieuw op de aanvraag van eiser beslissen. De asielrelazen van eiseressen zijn grotendeels afhankelijk van het asielrelaas van eiser. Gelet hierop valt niet uit te sluiten dat een nieuw besluit ten aanzien van eiser ook gevolgen met zich brengt voor eiseressen. Verweerder moet daarom ook opnieuw op hun aanvragen beslissen .

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.29053, NL25.29054 en NL25.29055 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer 1], eiser, [eiseres 1], V-nummer: [V-nummer 2], eiseres 1, [eiseres 2], V-nummer: [V-nummer 3], eiseres 2, samen genoemd eisers, (gemachtigde: mr. L.J. Meijering), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigden: mr. M.J.A. Hanhart en mr. M.M.C.M. Verhoeven). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vw . Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen niet in stand kan blijven . Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eisers hebben allen een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met de bestreden besluiten van 30 juli 2025 deze aanvragen in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw. Daarnaast heeft verweerder in afwachting van een beslissing op de beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vw aan eiser voorlopig uitstel van vertrek verleend voor een periode van maximaal zes maanden, met ingang van 30 juni 2025. Verweerder heeft daarom ook aan eiseressen voorlopig uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw. 2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. 2.2. Verweerder heeft op 27 februari 2026 op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft de beroepen op 13 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de heer [naam 1] als tolk en de gemachtigden van verweerder. Beoordeling door de rechtbank De asielrelazen 3. Eisers stellen allen van Pakistaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op [geboortedatum 1] 1953 respectievelijk [geboortedatum 2] 1960 en [geboortedatum 3] 1958. Eiser is met eiseres 1 getrouwd en zij stellen beide te behoren tot de Punjabi bevolkingsgroep. Eiseres 2 is de zus van eiseres 1 en zij stelt te behoren tot de Hindoestaanse bevolkingsgroep. Eisers hebben verklaard dat zij christenen zijn. Zij hebben het volgende aan hun asielaanvragen ten grondslag gelegd. 3.1. Eiser heeft verklaard dat hij vanwege zijn christelijke geloof in december 2008 op zijn motorfiets is aangevallen. Hij stelt dat dit gebeurde nadat hij een medewerker van een tankstation in oktober 2008 zijn visitekaartje had gegeven en hij had gepraat over zijn geloof en werk. Verder hebben eisers verklaard dat er in maart 2009 een inval heeft plaatsgevonden in hun huis, waarbij eiseressen zijn mishandeld. Eiseressen zijn daarna naar Karachi gegaan. Eiser stelt dat hij ten tijde van de inval in Lahore was en daarna ook naar Karachi is gegaan. Daarnaast hebben eisers verklaard dat op 28 maart 2009 een fatwa tegen eiser is uitgevaardigd. Zij kwamen daar achter toen hun neef [naam 2] naar hun huis ging. Eiser heeft uiteindelijk op 15 mei 2009 Pakistan verlaten en is naar Duitsland gegaan. 3.2. Eiseressen hebben verklaard dat zij vervolgens, vanwege de tegen eiser uitgevaardigde fatwa, zevenenhalf jaar ondergedoken hebben gezeten in afwachting van een visum voor Duitsland. Eiseressen zijn in 2016 uit Pakistan vertrokken Verder heeft eiseres 1 verklaard dat zij in Pakistan last had van pesterijen vanwege haar religie. Ook eiseres 2 stelt in haar jeugd te zijn gediscrimineerd (gepest en uitgescholden) vanwege haar religie. Daarnaast stelt eiseres 2 dat zij een keer door een arts is weggestuurd en een aantal incidenten in de bus heeft meegemaakt. De standpunten van partijen 4. De asielrelazen van eisers bevatten volgens verweerder de volgende relevante elementen: - de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers; - de problemen in 2008 en 2009 vanwege het christelijke geloof van eiser; - de problemen vanwege de religie van eisers. 5. Verweerder heeft in de bestreden besluiten overwogen dat de door eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Dit geldt ook voor de gestelde problemen vanwege de religie van eisers. Maar verweerder vindt de door eisers gestelde problemen in 2008 en 2009 vanwege het christelijke geloof van eiser niet geloofwaardig. Ten aanzien van de geloofwaardig bevonden elementen heeft verweerder – kort samengevat – het standpunt ingenomen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat met betrekking tot hen persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef onder a of b, van de Vw moet worden verleend. 6. Eisers hebben de juistheid van de bestreden besluiten betwist. Een bespreking van wat zij hebben aangevoerd zal – voor zover relevant – hieronder plaatsvinden. Het gebruik van Case Matcher Wat is het betoog van eisers? 7. Eisers stellen dat bij de besluitvorming gebruik is gemaakt van Case Matcher. Hierdoor is er sprake van semi geautomatiseerde besluitvorming waarbij niet kan worden nagegaan wat het algoritme beslist. Anders dan verweerder, menen eisers dat Case Matcher wel AI is. Ter onderbouwing hiervan wijzen eisers op drie expertbrieven van deskundigen. Eisers stellen dat er onvoldoende aan risicobeheersing van Case Matcher is gedaan, omdat er geen DPIA is verricht, geen duidelijke ‘logging’ plaatsvindt en onvoldoende maatregelen zijn genomen om het risico op ‘automated bias’ uit te sluiten. Ook heeft verweerder volgens eisers voor de medewerkers geen (intern) beleid opgesteld of werkinstructies gemaakt om ervoor te zorgen dat de medewerkers op verantwoorde wijze gebruik maken van algoritmes, Casematcher of andere AI-tools. Daarnaast voeren eisers aan dat stukken, die uit andere zaken zijn gebruikt als referentiemateriaal door Case Matcher, ten onrechte niet als op de zaken betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van Awb zijn ingediend. Verder stellen eisers dat de bestreden besluiten niet zijn ondertekend en daarom niet kunnen worden gecontroleerd op onder meer het gebruik van Case Matcher. Dit gebrek kan volgens eisers niet worden gepasseerd, omdat hierdoor hun recht op een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 47 van het Handvest wordt geschonden. 7.1. Op zitting hebben eisers daarnaast aangevoerd dat het in hun zaken bovendien niet is uitgesloten dat er ook nog andere medewerkers, naast beslismedewerkers, aan de zaken werkten en Case Matcher hebben gebruikt. In dit kader hebben eisers naar een e-learning verwezen, waaruit blijkt dat Case Matcher tijdens de voorbereiding van een gehoor kan worden ingezet. Wat is het oordeel van de rechtbank? 8. De rechtbank overweegt als volgt. Op dit moment is Case Matcher als systeem (door deze rechtbank) nog niet in rechte getoetst, waardoor niet vaststaat of het een eenvoudig – zoals verweerder stelt – of een complex algoritme betreft. Uit het oogpunt van effectieve rechtsbescherming is het noodzakelijk dat besluitvorming transparant is over het gebruik van algoritmes. Enerzijds heeft verweerder zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat Case Matcher een eenvoudig rule-based algoritme is en een basale zoekmachine betreft. Anderzijds heeft hij aangegeven dat voor het (verantwoord) gebruik een speciale opleiding gevolgd moet worden en heeft hij Case Matcher geregistreerd in het algoritmeregister. De rechtbank onderschrijft het advies van de Raad van de Rechtspraak dat het gebruik van complexe algoritmes moet blijken uit de op de zaak betrekking hebbende stukken. De rechtbank overweegt daarom dat verweerder, totdat Case Matcher inhoudelijk in rechte is getoetst, en vast komt te staan dat Case Matcher een eenvoudig algoritme is, in de besluitvorming het gebruik moet vermelden als zij in een zaak gebruik maakt van Case Matcher. 8.1. De rechtbank ziet zich daarom allereerst voor de vraag gesteld of verweerder in de zaken van eisers gebruik heeft gemaakt van Case Matcher. 8.2. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de bestreden besluiten niet heeft aangegeven of bij de besluitvorming gebruik is gemaakt van Case Matcher. In het verweerschrift heeft verweerder overwogen dat de beslismedewerker in de zaken van eisers desgevraagd heeft laten weten dat het gebruik van Case Matcher niet uit de ter beschikking staande informatie blijkt. Ook kan deze medewerker zich niet herinneren of deze op enig moment voorafgaand of tijdens de besluitvorming gebruik heeft gemaakt van Case Matcher. Volgens verweerder doet dit echter niet af aan de zorgvuldigheid en controleerbaarheid van het bestreden besluit. 8.3. Op zitting is desgevraagd door verweerder verklaard dat er geen interne afspraken zijn gemaakt over het vermelden van het gebruik van Case Matcher, bijvoorbeeld in een minuut. Het is dus voor de rechtbank niet duidelijk op welke informatie de hiervoor genoemde beslismedewerker zijn mededeling baseert dat Case Matcher bij de besluitvorming in de zaken van eisers niet is gebruikt. Daar komt bij dat de voornemens en de bestreden besluiten door twee verschillende beslismedewerkers, namelijk [naam 3] en [naam 4], zijn genomen en deze beslismedewerkers blijkens de toelichting van verweerder op zitting alleen mondeling over het gebruik van Case Matcher zijn bevraagd. Daarnaast blijkt uit de door verweerder op zitting overgelegde systeemuitdraaien dat bij het concipiëren van de bestreden besluiten drie personen betrokken zijn geweest. Van de voornemens is dit niet duidelijk, aangezien daarover geen systeemuitdraaien zijn overgelegd. 8.4. Gelet op het vorenstaande is het voor de rechtbank onduidelijk of bij alle betrokken medewerkers is nagevraagd of zij in de zaken van eisers gebruik van Case Matcher hebben gemaakt en wat er precies aan [naam 3] en [naam 4] is gevraagd. De rechtbank kan daarom niet uitsluiten dat Case Matcher in de zaken van eisers is gebruikt. Dit is echter wel relevant, omdat – zoals hiervoor onder 8 is overwogen – nog niet vaststaat of Case Matcher een eenvoudig of complex algoritme betreft. De rechtbank concludeert dan ook dat reeds hierom sprake is van een motiveringsgebrek in de bestreden besluiten. Gelet hierop, komt de rechtbank in deze procedure niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van Case Matcher. 8.5. De rechtbank ziet geen aanleiding om – zoals verweerder op zitting heeft verzocht – de behandeling van de beroepen aan te houden om verweerder in de gelegenheid te stellen alsnog de verklaring van alle bij de zaken van eisers betrokken beslismedewerkers in te brengen. De bestreden besluiten kunnen namelijk naar het oordeel van de rechtbank ook op de hierna genoemde punten niet in stand blijven. De beoordeling van de geloofwaardigheid van de gestelde problemen in 2008 en 2009 vanwege het christelijke geloof van eiser Wat is het juridische kader? 9. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 13 april 2016 heeft overwogen, heeft verweerder beslissingsruimte waar het gaat om de beoordeling van niet-gestaafde verklaringen en vermoedens van een vreemdeling. Dat laat onverlet dat verweerder de manier waarop hij deze ruimte gebruikt van een deugdelijke en voor de bestuursrechter controleerbare motivering moet voorzien. Bij de bestuursrechtelijke toetsing van die motivering komt bijzonder gewicht toe aan de onderlinge samenhang van een asielrelaas en de weging door verweerder van door hem al dan niet geloofwaardig geachte elementen, en hoe deze doorwerken in zijn standpunt over de geloofwaardigheid van een asielrelaas als geheel. Wat is het oordeel van de rechtbank? 10. Ten aanzien van de door de door verweerder gegeven motivering voor zijn standpunt dat de gestelde problemen in 2008 en 2009 vanwege het christelijke geloof van eiser niet geloofwaardig zijn, overweegt de rechtbank dat verweerder eiser geen tegenstrijdig geachte, maar enkel bevreemdingwekkend en ongerijmd geachte gebeurtenissen heeft tegengeworpen. 10.1. Zo heeft verweerder aan eiser tegengeworpen dat het ongerijmd is dat eiser zoveel over zichzelf heeft verteld (naam, religie en werk) en zijn visitekaartje heeft gegeven aan de medewerker van de benzinepomp, aangezien eiser – gelet op zijn gestelde kennis en persoonlijke ervaring met de slechte behandeling van christenen in Pakistan – op de hoogte van de risico’s daarvan is. Daar komt volgens verweerder bij dat eiser de pompmedewerker herkende als Pasjtoen en eiser over deze groep heeft verklaard dat Pasjtoens meestal mensen van de Taliban zijn, een groepering die een grote bedreiging voor christenen vormt. 10.1.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hierin ten onrechte niet heeft meegenomen de verklaring van eiser dat hij zijn gegevens aan de pompmedewerker heeft gegeven omdat hij uit meerdere factoren opmaakte dat deze jongen hulp nodig had en hij op een niet bedreigende manier aan eiser vroeg om voor hem als moslim te bidden. Daarbij heeft eiser verklaard dat het zijn taak als christen is om over het geloof te praten en andere mensen te helpen. Daar komt bij dat eiser als medewerker van de NCJP gewend was om over het christendom te praten. Gelet hierop heeft verweerder niet zonder nadere motivering – die ontbreekt – aan eiser kunnen tegenwerpen dat het ongerijmd is dat eiser openlijk met de pompmedewerker over religie en werk heeft gepraat en zijn contactgegevens aan hem heeft overhandigd. 10.2. Verder heeft verweerder zich met betrekking tot het incident op de motorfiets op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de motorrijders die hem aanvielen leden van de TTP waren. Eiser stelt hen weliswaar te hebben herkend aan de klederdracht (witte gewaden en zwarte tulbanden) en de lange baarddracht die typisch zijn voor leden van de TTP, maar volgens verweerder is dit – gelet op de zeer lage buitentemperatuur (-22 °C) op dat moment – niet mogelijk. Volgens verweerder valt namelijk niet in te zien dat de belagers van eiser tijdens het motorrijden gewaden en tulbanden zouden dragen en hun baarden zichtbaar zouden zijn, omdat dit onomstotelijk tot onderkoeling dan wel bevriezing zou hebben geleid binnen de door eiser aangegeven tijd (12 tot 15 minuten) die de achtervolging heeft geduurd. Het staat immers vast dat motorrijden bij zulke koude temperaturen enkel mogelijk is met dichtgeplakte en volledige bedekkende kleding. 10.2.1. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt van verweerder van een subjectieve invulling getuigt en daarom geen stand kan houden. Verweerder heeft namelijk nagelaten om zijn standpunt dat motorrijden bij de hiervoor genoemde buitentemperatuur alleen mogelijk is met dichtgeplakte en volledige bedekkende kleding nader te onderbouwen. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat de leden van de TTP de witte gewaden en tulbanden over beschermende kleding heen droegen. In het geval er voor verweerder onduidelijkheid bestond over het kunnen dragen van witte gewaden en tulbanden het zichtbaar zijn van de baarden tijdens een temperatuur van -22 °C had verweerder daarover moeten doorvragen, zodat eiser daarover een verklaring had kunnen geven. Het standpunt van verweerder dat leden van de TTP bij een dergelijke temperatuur geen witte gewaden en tulbanden tijdens het motorrijden kunnen dragen is dan ook – zoals eiser stelt – slechts gebaseerd op een aanname van verweerder. Daar komt bij dat eiser een doktersverklaring heeft overgelegd, waaruit blijk dat hij gewond is geraakt. Deze verklaring draagt naar het oordeel van de rechtbank bij aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser over het motorincident, wat klemt gezien de aard van de tegenwerping die verweerder eiser maakt over het motorincident. 10.3. Daarnaast heeft verweerder aan eiser tegengeworpen dat hij summier over de aan hem uitgevaardigde fatwa heeft verklaard, omdat hij niet weet door welke moskee de fatwa is uitgesproken. Dit mag volgens verweerder wel van eiser worden verwacht gezien het feit dat dit de kern van zijn asielrelaas is en hij voor de NCJP heeft gewerkt, waarbij hij in aanraking kwam met mensen die problemen hadden vanwege het geloof. Dat eiser geen Arabisch kent, betekent volgens verweerder niet dat hij de naam van de moskee niet zou weten aangezien hij deze ook fonetisch uit het hoofd zou kunnen leren. 10.3.1. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat verweerder eiser tijdens het nader gehoor in het kader van de samenwerkingsplicht ten onrechte niet heeft gevraagd waarom hij de naam van de moskee niet kent. Vervolgens heeft eiser – nadat dit hem in het voornemen werd tegengeworpen – in de zienswijze een verklaring daarvoor gegeven, namelijk dat de naam van de moskee in het Arabisch is en hij deze taal niet tot nauwelijks spreekt. De rechtbank kan verweerder niet volgen in de conclusie dat uit het niet uit het hoofd leren van de naam van de moskee volgt dat de fatwa niet geloofwaardig is. Daarnaast heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende uitgelegd waarom eisers werkzaamheden voor de NJCP van belang zijn voor het kunnen weten van de naam van de moskee die de fatwa heeft uitgevaardigd. Gelet op het vorenstaande kon verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt stellen dat eiser summier over de fatwa heeft verklaard. 10.4. Daar komt bij dat de verklaringen van eisers over de problemen in 2008 en 2009 vanwege het christelijke geloof van eiser naar het oordeel van de rechtbank op hoofdlijnen met elkaar overeenkomen en hun verklaringen over de uitvaardiging en bekendmaking van een fatwa in overeenstemming zijn algemeen bekende landeninformatie . 10.5. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder zijn standpunt dat de gestelde problemen in 2008 en 2009 vanwege het christelijke geloof van eiser ongeloofwaardig zijn niet deugdelijk gemotiveerd. De algemene veiligheidssituatie in Balochistan Wat is het betoog van eiser? 11. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte de algemene veiligheidssituatie in Balochistan niet heeft gewogen in onderlinge samenhang met zijn individuele omstandigheden. Deze individuele omstandigheden zijn volgens eiser dat hij een christen is, doodziek is en een hoge leeftijd heeft. Daarnaast is hij al jarenlang weg uit Pakistan, heeft hij daar geen huisvesting meer en heeft hij geen perspectief op werk vanwege zijn gezondheidssituatie en discriminatie van christenen. Eiser meent dat verweerder daarom niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van een reëel risico om bij terugkeer naar Pakistan slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Wat is het standpunt van verweerder? 12. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat in de provincie Balochistan sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld (laagste gradatie). Nu voor Balochistan een relatief lager niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen, moet eiser aannemelijk maken dat hij persoonlijk risico loopt bij terugkeer naar Balochistan. Volgens verweerder is eiser daar niet in geslaagd. Eiser heeft namelijk in de zienswijze niet vermeld met welke relevante informatie ten aanzien van de situatie in Pakistan geen rekening is gehouden in het voornemen. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat aan eiser uitstel van vertrek is verleend vanwege medische redenen. In zoverre wordt volgens verweerder rekening gehouden met eisers zwakke gezondheid en de problemen die daar mogelijkerwijs mee gepaard gaan bij terugkeer naar Pakistan. 12.1. In het verweerschrift heeft verweerder overwogen dat eiser tijdens het nader gehoor en in de zienswijze voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn individuele omstandigheden naar voren te brengen. Verder heeft eiser in de beroepsgronden een aantal omstandigheden opgesomd die al bekend waren en betrokken zijn in de besluitvorming, maar licht hij volgens verweerder op geen enkele wijze toe waarom deze kenmerken in zijn individuele situatie – gelet op de veiligheidssituatie in Balochistan – alsnog maken dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer. 12.2. Op zitting heeft verweerder zijn standpunt nader toegelicht en gesteld dat eiser zijn persoonlijke omstandigheden niet nader heeft onderbouwd. Verder heeft verweerder gesteld dat medische situatie van eiser en zijn religie wel zijn meegewogen bij de beoordeling in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, maar dit in het bestreden besluit niet zichtbaar is. Daarnaast heeft verweerder herhaald dat de medische situatie van eiser wel kenbaar betrokken in het kader van de vraag of aan hem uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw moet worden verleend. Wat is het juridische kader? 13. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest X. en Y. uitleg gegeven over de situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dit arrest is vervolgens nader toegelicht in de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 . De Afdeling heeft geoordeeld dat er sprake is van een dergelijke situatie, wanneer de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is, dat iemand alleen door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico op ernstige schade loopt. Daarnaast kan er sprake zijn van een minder uitzonderlijke situatie, wanneer de vreemdeling met zijn individuele omstandigheden aannemelijk maakt dat hij een verhoogd risico op ernstige schade loopt. Wat is het oordeel van de rechtbank? 14. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie in Balochistan, waarbij de enkele aanwezigheid van eiser al leidt tot een risico op ernstige schade vanwege willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict. 14.1. Als is gebleken dat er sprake is van een minder uitzonderlijke situatie, dan moet de beoordeling van het risico op ernstige schade worden gebaseerd op de individuele en persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Hierbij gaat het met name om omstandigheden die eigen zijn aan het privé-, familie- of beroepsleven van de vreemdeling en waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij het reële risico op ernstige schade vergroten. De vreemdeling dient deze omstandigheden aannemelijk te maken. 14.2. De rechtbank stelt vast dat verweerder de religie en medische situatie van eiser alleen heeft beoordeeld in het kader van de vraag of eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft vanwege discriminatie dan wel aan hem uitstel van vertrek moet worden verleend op grond van artikel 64 van de Vw. Hiermee kan verweerder – gelet op het arrest X en Y – niet volstaan. Het ligt namelijk op de weg van verweerder om te beoordelen of eiser – gelet op de omstandigheid dat hij een christen met een slechte gezondheid is en in het licht van de huidige algemene situatie in Balochistan – een verhoogd risico op ernstige schade loopt. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verweerder de overige door eiser aangevoerde omstandigheden – zoals weergegeven onder rechtsoverweging 11 – ook niet kenbaar heeft betrokken bij zijn beoordeling of eiser vanwege zijn persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. 14.3. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder in het bestreden besluit, als ook in het verweerschrift en op zitting, niet deugdelijk gemotiveerd waarom de individuele omstandigheden van eiser – in onderlinge samenhang bezien en in het licht van de (veiligheids)situatie in Balochistan – niet tot een verhoogd risico op ernstige schade leiden. Conclusies en gevolgen Conclusie ten aanzien van het beroep van eiser 15. Het beroep is – gelet op wat hiervoor is overwogen – al gegrond. Wat partijen verder hebben gesteld behoeft daarom op dit moment geen bespreking. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit ten aanzien van eiser vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Gelet op de aard van de geconstateerde gebreken en het feit dat sprake is van meerdere gebreken op grond waarvan getwijfeld wordt aan de zorgvuldigheid en motivering, ziet de rechtbank geen aanleiding het geschil finaal te beslechten. Verweerder zal daarom een nieuw besluit op de asielaanvragen van eisers moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft hierbij nog aan verweerder mee dat eiser zich inmiddels op het standpunt stelt dat hij in Nederland evangeliseert. Verweerder zal eiser dus ook opnieuw moeten horen. Conclusie ten aanzien van de beroepen van eiseressen 16. De rechtbank overweegt dat de asielrelazen van eiseressen grotendeels afhankelijk zijn van het asielrelaas van eiser. Gelet hierop valt niet uit te sluiten dat een nieuw besluit ten aanzien van eiser ook gevolgen met zich brengt voor eiseressen. Daar komt bij dat verweerder niet zonder meer aan eiseressen heeft kunnen tegenwerpen dat zij tegenstrijdig hebben verklaard over de inval in hun huis, omdat eiseres 3 heeft verklaard dat de vrouwen die binnenvielen hadden gedreigd om het huis in brand te steken en eiseres 2 daarover niets heeft verklaard terwijl ze in elkaars buurt stonden. Niet in geschil is namelijk dat eiseres 2 op dat moment werd mishandeld. Gelet hierop, als ook op de plausibele verklaring van eiseres 2 dat je niet alles hoort wat er in de nabije omgeving gebeurd als je wordt mishandeld, kon verweerder niet zonder nadere motivering aan eiseressen tegenwerpen dat zij tegenstrijdig hebben verklaard over het al dan niet in brand steken van het huis. De rechtbank zal daarom ook de beroepen van eiseressen gegrond verklaren vanwege strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb en de bestreden besluiten ten aanzien van hen vernietigen. Proceskosten 17. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft drie beroepschriften ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.736,-. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de bestreden besluiten van 30 juli 2025; - draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.736,- aan proceskosten aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van mr. K.I. Legendal - Moesker, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000 Artificial Intelligence. Data Protection Impact Assessment. Algemene wet bestuursrecht. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zie het Reflectiedocument algoritmische besluitvorming in de Awb, van 14 juni 2024, pagina 2, en vgl. artikel 7:4, tweede lid, van de Awb en artikel 8:42 van de Awb Deze systeemuitdraaien zijn bij de zittingsaantekeningen gevoegd en maken onderdeel uit van de dossiers van eisers. Waaronder [naam 4]. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2016:890. Zie de uitspraken van de Afdeling van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3652 en 8 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1539. Eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor de National Commission for Justice and Peace (NCJP), een organisatie die opkomt voor de rechten van mensen die beschuldigd worden van godslastering en afvalligheid, en dat hij eerder vanwege zijn christelijke geloof is gediscrimineerd. Tehrik-e-Taliban Pakistan, ook bekend als de Pakistaanse Taliban. Zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 november 2012, in de zaak M.M. tegen Ierland, ECLI:EU:C:2012:744, rechtsoverweging 66. Zie onder meer de pagina’s 101 tot en met 104 van het Algemeen Ambtsbericht over Pakistan van 5 juli 2024. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 november 2023, in de zaak X. en Y., ECLI:EU:C:2023:843. ECLI:NL:RVS:2024:2927. Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...