ECLI:NL:RBDHA:2026:2724
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-02-12
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Dublinverordening – asiel – overdracht naar Frankrijk – interstatelijk vertrouwensbeginsel – het recht op opvang bij een opvolgende asielaanvraag – Opvangrichtlijn – eiser stelt dat hij wegens zijn homoseksuele gerichtheid een bijzonder kwetsbare vreemdeling is – beroep ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.4154 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. P.H. Hillen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Overwegingen Bij besluit van 23 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting. Procesverloop 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1995 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 20 november 2025 asiel in Nederland aangevraagd. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen. Uit onderzoek uit Eurodac blijkt dat eiser onder meer op 12 juni 2025 in Frankrijk een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft daarom op 3 december 2025 een terugnameverzoek verzonden naar de Franse autoriteiten. De Franse autoriteiten hebben op 17 december 2025 dit terugnameverzoek aanvaard. 3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert in dat verband het volgende aan. Onder verwijzing naar het AIDA-rapport van juni 2025 wordt opvang aan vreemdelingen die een opvolgend asielverzoek hebben ingediend bijna systematisch geweigerd. Voor een vreemdeling met de homoseksuele gerichtheid zoals eiser ontbreken daarbij alternatieven, omdat huisvesting die wordt aangeboden door hulporganisaties veelal wordt bevolkt door vreemdelingen met homofobie. Om die reden zal eiser bij overdracht naar Frankrijk het risico lopen om terecht te komen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie. Omdat eisers asielmotief is gelegen in zijn seksuele gerichtheid, dient eiser te worden aangemerkt als een bijzonder kwetsbaar persoon. De rechtbank oordeelt als volgt. 4. Vastgesteld wordt dat niet in geschil is dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. 5. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat voor Frankrijk mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk zijn. Bovendien mag verweerder als gevolg van het claimakkoord ervan uitgaan dat eiser in Frankrijk in de gelegenheid wordt gesteld om een nieuwe asielaanvraag in te dienen en dat deze nieuwe asielaanvraag in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen en relevante Europese richtlijnen. Bij voorkomende problemen kan eiser zich wenden tot de (hogere) Franse autoriteiten. Zoals eiser ook in zijn beroepsgronden terecht opmerkt, geldt het recht op materiële opvangvoorzieningen niet onverkort voor vreemdelingen zoals eiser die een opvolgende asielaanvraag indienen. Het onthouden van opvangvoorzieningen kan in een dergelijk geval niet op voorhand in strijd met artikel 4 van het Handvest worden geacht. 6. Eisers stelling dat de door hulporganisaties aangeboden huisvesting wordt bevolkt door vreemdelingen met homofobie en er daarom voor hem geen alternatieven zijn op het gebied van huisvestiging, is niet onderbouwd. Daargelaten dat (de geloofwaardigheid van) eisers gestelde homoseksuele gerichtheid niet in deze procedure wordt beoordeeld en hij ook geen stukken heeft overgelegd dat de Franse autoriteiten uitgaan van zijn gestelde homoseksuele gerichtheid, heeft eiser niet gesteld en onderbouwd dat hij bij hulporganisaties heeft gepoogd om te worden geplaatst in een voor hem welgevallige omgeving. Daarbij mag van eiser ook worden verwacht dat hij hierover klaagt bij dan wel de hulp inroept van de Franse autoriteiten. Niet is gebleken dat dit voor hem onmogelijk dan wel bij voorbaat kansloos is. 7. Eiser heeft tot slot niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt. Eisers stelling dat hij wegens zijn gestelde homoseksuele gerichtheid moet worden aangemerkt als een bijzonder kwetsbaar persoon wordt niet gevolgd. Over de gestelde gerichtheid verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierboven heeft overwogen. Ook als wordt uitgegaan van eisers gestelde homoseksuele gerichtheid, is niet aannemelijk gemaakt dat hij in Frankrijk- wegens die gerichtheid - zodanig zal worden behandeld dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Daarbij wordt opgemerkt dat de seksuele gerichtheid van een vreemdeling niet wordt genoemd in de opsomming van artikel 21 van de Opvangrichtlijn. 8. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond. 9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 12 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Algemene wet bestuursrecht. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening). Op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 ( Jawo ). Zie artikel 20, eerste lid, onder c, van de Richtlijn 2013/33/EU (Opvangrichtlijn).
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...