Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:18867

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-01-27
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.48568
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
8.668 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel. India. Eiser wil een asielvergunning in Nederland, omdat hij als moslim in India vreest voor vervolging dan wel ernstige schade. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser niet vanwege zijn persoonlijke omstandigheden en bekering tot de islam heeft te vrezen voor vervolging dan wel ernstige schade. Het beroep is ongegrond en de afwijzing van de asielaanvraag kan dus in stand blijven.

05Kern

Materiële kern

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.48568 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. G.E. Jans), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister eisers vrees voor vervolging of ernstige schade niet aannemelijk heeft mogen vinden. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar India heeft te vrezen voor vervolging of ernstige schade. Het beroep is daarom ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Indiase nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 4. De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, R. Raj als tolk, de gemachtigde van de minister. Ook heeft [persoon1] het woord gevoerd over de situatie en persoonlijke omstandigheden van eiser. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft in India een relatie gehad met een meisje genaamd [persoon2] . [persoon2] en haar familie komen uit een lagere kaste dan eiser en zijn familie. De familie van [persoon2] heeft eiser om deze reden ook mishandeld. Eiser heeft India verlaten en is in België getrouwd geweest met een Pakistaanse vrouw waarna hij is bekeerd tot de islam. De familie van eiser heeft hem om deze reden verstoten. Eiser vreest bij terugkeer voor zijn eigen familie en voor de familie [persoon2] . Ook vreest eiser voor de overheid, omdat hij een bekeerd moslim is. Het bestreden besluit 6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: - identiteit, nationaliteit en herkomst; - de relatie met [persoon2] en de problemen die eiser hierdoor heeft gehad; en - de bekering tot de islam. 7. De minister vindt eisers asielmotieven geloofwaardig, maar niet zwaarwegend genoeg om aan hem een asielvergunning te verlenen. Volgens de minister zijn er geen aanwijzingen dat eiser bij terugkeer heeft te vrezen voor zijn familie of voor de familie van [persoon2] . Ook zijn er in algemene zin geen ernstige problemen voor moslims in de regio [regio] waar eiser vandaan komt. Bovendien hebben moslims volgens de minister niet op voorhand te vrezen voor vervolging of ernstige schade in India. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond. Verder heeft de minister voorlopig uitstel van vertrek verleend aan eiser, omdat hij onder medische behandeling staat. Het standpunt van eiser 8. Eiser voert aan dat hij als bekeerd moslim heeft te vrezen voor vervolging en ernstige schade in India. De overheid neemt steeds meer maatregelen om moslims van de Indiase samenleving uit te sluiten en hen te discrimineren. Eiser heeft nieuwsartikelen overgelegd waaruit onder andere blijkt dat staatloze moslims geen toegang tot Indiaas burgerschap hebben en dat de overheid huizen van moslims vernielt. Moslims worden volgens eiser op dezelfde manier behandeld als dalit, de kastelozen. Bovendien is eiser gelet op zijn persoonlijke omstandigheden niet zelfredzaam bij terugkeer naar India. Eiser heeft ernstige psychische problemen, is vanwege zijn huwelijk met een Pakistaanse moslim en zijn bekering tot de islam door zijn familie verstoten en heeft geen sociaal netwerk in India. Deze samenhang van omstandigheden betekent volgens eiser dat hij bij terugkeer heeft te vrezen voor vervolging dan wel ernstige schade. Het oordeel van de rechtbank 9. De rechtbank stelt voorop dat eiser op de zitting heeft bevestigd dat zijn beroep alleen ziet op de vraag of hij vanwege zijn bekering tot de islam in samenhang met zijn individuele omstandigheden kan terugkeren naar India. 10. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het enkele feit dat eiser een bekeerd moslim is, niet voldoende is om een vrees voor vervolging of ernstige schade op te leveren. In het bestreden besluit verwijst de minister naar een rapport uit 2023 waaruit blijkt dat moslims weliswaar een religieuze minderheidsgroep zijn in India, maar niet dat eiser alleen daarom al te vrezen heeft bij terugkeer naar India.1 De rechtbank ziet in de informatie die eiser heeft overgelegd geen aanleiding voor een ander oordeel. Een deel van de informatie dateert van voor 2023, en daarmee van voor het door de minister genoemde rapport. De informatie van Amnesty gaat over de burgerschapswetgeving waarvan eiser op de zitting ook heeft bevestigd dat dit niet op hem van toepassing is, omdat hij al Indiaas staatsburger is. De overige informatie bestaat uit nieuwsartikelen die incidenten weergeven waar moslims slachtoffer van zijn geworden. Weliswaar kan uit deze informatie worden opgemaakt dat moslims zich in een moeilijke situatie in India bevinden, maar deze informatie is onvoldoende om eisers vrees voor vervolging of ernstige schade aannemelijk te maken. 11. Omdat eiser in algemene zin als bekeerd moslim niet heeft te vrezen voor vervolging of ernstige schade bij terugkeer moet hij aan de hand van individuele omstandigheden zijn vrees aannemelijk maken. Uit het dossier blijkt dat eiser psychische klachten heeft die gerelateerd zijn aan trauma. Ook is op de zitting naar voren gebracht dat eiser angst heeft om bij terugkeer naar India in een isolement terecht te komen. Dat sprake is van deze klachten en eiser angstig is, zo begrijpt de rechtbank het bestreden besluit en wat op de zitting is besproken, is niet in geschil. Maar deze omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf niet dat eiser daardoor te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade bij terugkeer. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij in India daadwerkelijk in een sociaal isolement terecht zal komen. Evenmin heeft hij onderbouwd dat hij juist vanwege zijn psychische klachten of het ontbreken van een sociaal netwerk dan wel door de combinatie van zijn omstandigheden in een zodanige situatie terecht komt die de drempel bereikt van een ‘minimum level of severity’ in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar India te vrezen heeft voor vervolging of voor ernstige schade. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 27 januari 2026 Documentcode: [Documentcode] Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. 1. India 2023: International Religious Freedom Report, pagina 1 en 8. Op de zitting is besproken dat de minister daarmee doelt op een rapport van United States Department of State. 2 Uitspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 12 oktober 2006, Mayeka en Mitunga tegen België, punt 48 ( ECLI:CE:ECHR:2006:1012JUD001317803 ).

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...