Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:17748

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-01-13
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.26951
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
25.492 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

asiel. beroep gegrond. identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig en problemen met etnciteit geloofwaardig. problemen vanwege werk voor Jurist Without Chains ongeloofwaardig. . Verweerder heeft echter zijn standpunt dat eiser bij terugkeer naar Libié geen reeel risico loopt op ernstige schade onvoldoende gemotiveerd

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.36951 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.S. Yap), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. A. de Graaf). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. 1.1. Eiser heeft op 5 januari 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, G. Ahmed als tolk en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiser heeft de Libische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1985. Eiser behoort tot de Tawergha-bevolkingsgroep en heeft daardoor problemen ervaren in Libië in 2012 en 2014. Eiser was ook actief voor de mensenrechtenorganisatie Jurist Without Chains en vanwege zijn betrokkenheid bij deze organisatie is hij driemaal opgepakt en ondervraagd door de autoriteiten. Eiser heeft alle keren kunnen vluchten. Bij terugkeer naar Libië vreest eiser voor zijn leven. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst; problemen vanwege werk voor Jurist Without Chains; en problemen vanwege zijn etniciteit. 3.1. Verweerder vindt het eerste en derde asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief vindt verweerder ongeloofwaardig. Eiser heeft geen objectieve documenten overgelegd ter onderbouwing van dit asielmotief. Verweerder heeft getoetst of eiser dit asielmotief anderszins aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft volgens verweerder niet samenhangend en aannemelijk verklaard en heeft zijn aanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend zonder dat hij daarvoor een goede verklaring heeft. Omdat eisers problemen vanwege zijn Tawergha-etniciteit lang geleden hebben plaatsgevonden, vindt verweerder dat hij hiervoor niet opnieuw heeft te vrezen bij terugkeer. Dat eiser uit Libië komt is onvoldoende om aan te nemen dat hij een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Libië een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser komt vanwege het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd in Nederland op het moment dat het mogelijk was. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Ten eerste voert eiser aan dat verweerder heeft nagelaten om met de persoonlijke individuele achtergrond van eiser rekening te houden in de besluitvorming. Ten tweede beroept eiser zich er op dat verweerder aanneemt dat eiser werkzaam is geweest voor Jurist Without Chains. Dat houdt in dat al zou verweerder worden gevolgd in zijn standpunt dat eiser vaag of algemeen heeft verklaard over zijn functie, dit niet wegneemt dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Libië omdat hij als mensenrechtenactivist valt binnen één van de risicogroepen. Bovendien vreest eiser ook voor een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Libië op grond van zijn etnische achtergrond. Eiser verwijst hierbij naar twee uitspraken van deze rechtbank en eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende heeft beoordeeld waarom er in dit geval geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15c Kwalificatierichtlijn. Aanvullend doet eiser een beroep op het algemeen ambtsbericht Libië van juli 2025 waaruit blijkt dat er sprake is van een hoog niveau aan geweld in Libië en dat personen bij terugkeer te maken kunnen krijgen met langdurige ondervraging en dat zij daarbij een risico lopen op arrestatie, detentie, een oneerlijk proces, marteling of buitengerechtelijke executie. Waardoor bij terugkeer sprake is van een dreiging van schending van artikel 3 EVRM. Ten slotte voert eiser aan dat de aanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond, een terugkeerbesluit is opgelegd en dat er een signalering in het SIS volgt. Waarom heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst? 5. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst omdat het algemeen ambtsbericht Libië van juli 2025 tussen het bestreden besluit van verweerder en de behandeling van de zaak op zitting openbaar is gemaakt. Eiser heeft aanvullende gronden aangevoerd waarin hij een beroep doet op dit ambtsbericht. Eiser voert aan dat er uit het ambtsbericht is op te maken dat er sprake is van een hoog niveau aan geweld in Libië. Ook voert eiser aan dat er uit de informatie in het ambtsbericht op te maken valt dat bij terugkeer personen te maken kunnen krijgen met langdurige ondervraging en dat zij daarbij een risico lopen op arrestatie, detentie, een oneerlijk proces, marteling of buitengerechtelijke executie. Verweerder had hier nog niet adequaat op kunnen reageren en de rechtbank heeft verweerder daarom de mogelijkheid gegeven om nog te reageren op deze aanvullende gronden en een schriftelijke reactie in te dienen. 5.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij op basis van de informatie in voornoemd ambtsbericht tot de conclusie komt dat er in Tripoli sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en dat eiser onvoldoende persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd waaruit is gebleken dat er alsnog sprake is van risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 15c Kwalificatierichtlijn. Met betrekking tot het risico op langdurige ondervraging op de luchthaven stelt verweerder dat deze ondervraging op zichzelf geen risico vormt om aan te nemen dat bij terugkeer een reëel risico bestaat op ernstige schade. Verweerder stelt dat dit risico afhangt van het profiel van de betreffende persoon die terugkeert en het is volgens verweerder niet aannemelijk dat eiser een dergelijk risico loopt. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van beroepsgronden van eiser. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen. Herhaald en ingelast 7. In de enkele verwijzing van eiser naar wat hij eerder in de procedure heeft aangevoerd en overgelegd, ziet de rechtbank geen aanleiding om het besluit te vernietigen. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eerder in de procedure is aangevoerd, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat de motivering in het bestreden besluit onjuist is. De rechtbank gaat hierna daarom enkel in op de in beroep aangevoerde en gemotiveerde gronden. Medische gesteldheid 8. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke individuele achtergrond van eiser. Eisers standpunt dat de psychische problemen ervoor hebben gezorgd dat hij algemeen en vaag zou hebben verklaard, wordt niet gevolgd door de rechtbank. Verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat eiser gehoord kon worden en dat uit de gehoorbeperkingen niet is af te leiden dat eiser vanwege zijn psychische problemen algemeen zou verklaren. Verweerder mocht dus van eisers verklaringen uitgaan. Deze beroepsgrond slaagt niet. Geloofwaardigheidsbeoordeling 9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het tweede asielmotief niet geloofwaardig mocht vinden. Verweerder mocht aan eiser tegenwerpen dat hij niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard en mocht hierbij betrekken dat eiser over zijn functie als vrijwilliger evenals zijn functie in dienstverband vaag, algemeen en summier heeft verklaard. Zo heeft eiser het ene moment verklaard dat hij zich bezig hield met de politieke rol van vrouwen terwijl hij later heeft verklaard dat hij in zijn functie zich bezighield met het interviewen van gedetineerden . Ook mocht verweerder betrekken dat niet is gebleken dat eiser deze functie heeft verricht vanuit een ideologische of politieke gedrevenheid. Wanneer iemand zoveel jaren vrijwilligerswerk en werk in dienstverband heeft verricht voor een mensenrechtenorganisatie, mag van hem verwacht worden dat hij kan verklaren wat zijn gedrevenheid is achter het werk . Het standpunt van eiser dat het enkel werkzaam zijn voor een organisatie al een bepaalde gedrevenheid aantoont is daarvoor onvoldoende. Verder mocht verweerder betrekken dat eiser vaag en algemeen heeft verklaard over de doelstellingen van de organisatie. Dat eiser aanvoert wel duidelijk hierover te hebben verklaard wordt niet gevolgd door de rechtbank. Ook mocht verweerder vinden dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over zijn gevangenschap. Zo heeft eiser enerzijds verklaard dat hij werd beschuldigd door de autoriteiten van spionage, oproepen tot atheïsme en steun aan homoseksualiteit wegens zijn werk voor Jurist Without Chains, maar anderzijds heeft eiser ook verklaard dat de ondervragers vooral informatie van hem wilden over de organisatie en over de directrice van de organisatie en dat ze eiser in ruil voor informatie niks aan zouden doen. Hieruit mocht verweerder afleiden dat niet duidelijk is geworden of de autoriteiten specifiek naar eiser op zoek waren. De ingebrachte verklaring van Youth for Tawergha neemt de onduidelijkheid niet weg die is ontstaan door de tegenstrijdige verklaringen van eiser, zodat deze verklaring het oordeel van de rechtbank niet anders maakt. Bovendien mocht verweerder betrekken dat eisers latere verklaringen over de gestelde huisbezoeken van de autoriteiten bij eiser ook vaag zijn, nu niet duidelijk blijkt wie er bij hem thuis langskwamen. Ten slotte mocht verweerder hierbij betrekken dat eiser meerdere malen Libië in en uit is gereisd zonder problemen en hieruit niet is gebleken dat hij problemen heeft ondervonden met de autoriteiten. 9.1. De rechtbank volgt verweerder verder in zijn stelling met betrekking tot het in de beroepsfase overgelegde document dat gaat over het gevangenschap van eiser en over het feit dat men in Libië naar hem op zoek is. Het document wat is overgelegd is een kopie. Verweerder stelt dat nu het hier gaat om een kopie, het document niet kan worden onderzocht op echtheid. Verder mocht verweerder vinden dat eiser niet voldoende heeft onderbouwd waarom hij niet aan het originele document kan komen. Ook mocht verweerder betrekken dat het document ongedateerd is, de organisatie waarvoor eiser heeft gewerkt in het document niet bij naam is genoemd en dat in de brief onvoldoende duidelijk is over wat eiser te wachten staat als hij zou worden opgepakt. Verweerder mocht gelet op het bovenstaande vinden dat het overgelegde document niet alsnog aannemelijk maakt dat eiser problemen heeft ervaren naar aanleiding van zijn werk voor Jurist Without Chains. 9.2. De rechtbank overweegt dat verweerder aan eiser mocht tegenwerpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft. Verweerder mag van iemand die stelt internationale bescherming nodig te hebben, verwachten dat hij of zij zo spoedig mogelijk een aanvraag doet als hij in een veilig land is aangekomen. Verweerder mocht vinden dat eiser geen verschoonbare reden heeft gegeven voor het feit dat hij pas na bijna 14 maanden na aankomst in Nederland zijn aanvraag heeft gedaan. Eiser geeft als reden waarom hij zijn aanvraag zolang heeft uitgesteld dat hij niet teruggestuurd wilde worden naar Zwitserland en daarom de Dublinprocedure heeft ontlopen. Het beroep van eiser op de recente uitspraak van de Rechtbank van Amsterdam verandert het oordeel van de rechtbank niet nu dit, zoals verweerder terecht stelt, niet gaat om een vergelijkbare situatie. Zwaarwegendheid 10. Of eiser een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag of dat hij een reëel en voorzienbaar risico loopt bij terugkeer naar Libië dat in strijd is met artikel 3 EVRM wordt beoordeeld aan de hand van wat geloofwaardig is bevonden door verweerder. Verweerder acht het eerste en derde asielmotief geloofwaardig. Dat eiser uit Libië (Tripoli) komt is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn of een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Hetzelfde geldt voor het feit dat eiser werkzaam is geweest bij Jurist Without Chains waardoor hij onder een risicoprofiel valt en zijn etnische achtergrond. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Algemene veiligheidssituatie 11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de aanvullende motivering mocht vinden dat er in Tripoli weliswaar sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict zoals bedoeld in artikel 15, onder c, Kwalificatierichtlijn, maar dat niet voldoende is gebleken dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie waarbij de mate van willekeurig geweld zo hoog is dat een vreemdeling enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank wijst ook op de inwerkingtreding van WBV 2025/21 waarin staat dat verweerder aanneemt dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in het noordwesten van Libië (inclusief Tripoli) en Benghazi. 12. De rechtbank wijst in dit kader voorts op een uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 17 juli 2024 waarin is geoordeeld dat er in Tripoli gewapende conflicten zijn, waarbij ook willekeurig geweld voorkomt, maar niet zodanig dat eenieder door zijn enkele aanwezigheid al een reëel risico loopt op ernstige schade. Het algemeen ambtsbericht voor Libië van 24 juli 2025 laat geen wezenlijk ander beeld zien. Uit dit ambtsbericht blijkt dat er, evenals in de vorige verslagperiode, meermaals gewapende confrontaties waren tussen milities in Tripoli en de veiligheidssituatie fragiel bleef. De confrontaties in Tripoli in augustus 2023 en mei 2025 waren de hevigste gevechten tussen milities in de verslagperiode, waarbij zware wapens werden ingezet in dichtbevolkte gebieden en waarbij er burgerslachtoffers vielen. Hoewel er zorgen waren dat het conflict zou kunnen ontaarden in een grootschalig conflict, werd op 14 mei 2025 een wapenstilstand overeengekomen. Aan het einde van de verslagperiode hield de wapenstilstand stand. Niet is gebleken dat er na mei 2025 nog sprake is geweest van militaire confrontaties. Ook is niet gebleken dat het conflict in Tripoli geleid heeft tot een verslechtering van de humanitaire situatie. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om aan te nemen dat sprake is van een uitzonderlijke situatie waarbij de mate van willekeurig geweld in Tripoli zo hoog is dat een vreemdeling enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarbij heeft verweerder de omvang van het geweldsniveau en het aantal burgerslachtoffers mogen afzetten tegen het totale inwoneraantal van Tripoli. 13. Uit het arrest X. en Y. van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat wanneer in een land of gebied sprake is van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, en dat willekeurige geweld niet dermate hoog is dat eenieder alleen al door zijn aanwezigheid een risico loopt, de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van een vreemdeling bij de toepassing van artikel 15, aanhef en onder c, moeten worden betrokken. Het is in dit geval aan eiser om aannemelijk te maken dat hij wegens persoonlijke omstandigheden het risico loopt om specifiek geraakt te worden door willekeurig geweld. De rechtbank overweegt dat verweerder het niet geloofwaardig mocht vinden dat eiser eerder problemen heeft ondervonden vanwege zijn werk voor Jurist Without Chains, waardoor niet geloofwaardig is geacht dat eiser eerder te maken heeft gehad met gericht geweld. Daarnaast is ook niet gebleken dat eiser eerder te maken heeft gehad met willekeurig geweld. Risicoprofiel 14. Verweerder acht geloofwaardig dat eiser werkzaam is geweest voor Jurist Without Chains. Verweerder heeft mogen vinden dat eiser hierdoor niet valt onder het risicoprofiel mensenrechtenactivist omdat hij werkzaam is bij een NGO op humanitair vlak. Eiser valt wel onder een risicoprofiel nu hij werkzaam is bij een NGO. Of van een gegronde vrees of een reëel risico op ernstige schade sprake is bij terugkeer voor iemand die onder een risicoprofiel valt, moet per individueel geval worden beoordeeld. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat nu de problemen van eiser wegens zijn werkzaamheden ongeloofwaardig zijn geacht, er geen sprake is van persoonlijke omstandigheden die maken dat er sprake is van vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. De rechtbank merkt daarbij nog op dat al zou eiser vallen onder het risicoprofiel mensenrechtenactivist dat ook in dat geval geldt dat er geen sprake is van voornoemde persoonlijke omstandigheden. Etnische achtergrond 15. Voor zover eiser stelt dat hij vanwege het derde asielmotief een verhoogd risico loopt, overweegt de rechtbank dat eiser zelf heeft verklaard dat er in 2018 een verzoening is geweest waardoor de problemen zijn opgelost en eiser geen problemen meer verwacht te ervaren wegens zijn etniciteit. Verweerder mocht vinden dat eiser deze vrees tot vervolging of een reëel risico op ernstige schade in zijn aanvullende gronden ook niet verder heeft geconcretiseerd. De enkele verwijzing naar een brief van VluchtelingenWerk Nederland is onvoldoende om dit aan te nemen. Kennelijk ongegrond 16. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen het mogelijk was. Gelet op wat is overwogen in rechtsoverweging 9.2 ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat verweerder ten onrechte eisers asielaanvraag heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Terugkeer 17. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Libië geen reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank zal dat hieronder nader toelichten. 18. Eiser verwijst op pagina 131 en 132 van het algemeen ambtsbericht Libië van juli 2025 om zijn risico bij terugkeer op behandeling in strijd met artikel 3 EVRM aannemelijk te maken, naar onder meer de volgende passages: Pagina 131: “Zoals aangegeven in voorgaande ambtsberichten is illegaal in- en uitreizen in Libië strafbaar op grond van de wetten 19/2020 (on combatting irregular migration) en 6/ 1987 (Regulating entry, residence and exit of foreign nationals to/ from Libya, gewijzigd via wet nummer 2 /2004). In eerdere verslagperiodes waren er gevallen bekend waarbij het niet hebben van een uitreisstempel in een Libisch paspoort bij terugkeer kon leiden tot nader onderzoek.” Pagina 132: “Volgens een bron konden personen die terugkeerden naar Libië te maken krijgen met langdurige ondervraging door ISA op de luchthaven. Daarnaast liepen Libiërs volgens de bron bij terugkeer risico op arrestatie, detentie, een oneerlijk proces, marteling of buitengerechtelijke executie.” 19. De rechtbank volgt het standpunt van eiser dat uit het ambtsbericht blijkt dat personen die terugkeren naar Libië te maken kunnen krijgen met langdurige ondervraging en dat zij daarbij een risico lopen op arrestatie, detentie, een oneerlijk proces, marteling of buitengerechtelijke executie. Gelet op de bovengenoemde passages uit het ambtsbericht wordt verweerder niet gevolgd in zijn standpunt dat langdurige ondervraging op zichzelf geen reden vormt om aan te nemen dat bij terugkeer een reëel risico bestaat op ernstige schade, maar dat dit risico afhangt van het profiel van de persoon die terugkeert, nu naar het oordeel van de rechtbank uit het ambtsbericht niet blijkt dat de terugkeerder aan een bepaald profiel dient te voldoen. 20. Ook de stelling van verweerder dat eiser al meerdere malen Libië legaal in- en uit is gereisd en dat hij toen ook geen problemen heeft ervaren, wordt niet gevolgd door de rechtbank nu dit enkel korte reizen waren. Bovendien heeft eiser ditmaal Libië illegaal verlaten en heeft eiser een asielaanvraag gedaan wat er ook voor zorgt dat deze uitreis niet vergelijkbaar is met eerdere in- en uitreizen. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar Libië geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM. Conclusie en gevolgen 21. Het beroep is gegrond. Verweerder heeft eisers asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft echter zijn standpunt dat eiser bij terugkeer naar Libië geen reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM onvoldoende gemotiveerd. De overige beroepsgronden over het terugkeerbesluit en de SIS-signalering behoeven geen bespreking, nu verweerder hierover ook een nieuw standpunt zal moeten innemen bij het nieuw te nemen besluit. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen en zo nodig eerst onderzoek moeten doen welke gevolgen ondervragingen op vliegvelden in Libië voor terugkeerders met de Libische nationaliteit hebben, en in hoeverre deze een risico opleveren voor een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. 22. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover het gaat over artikel 3 van het EVRM, het terugkeerbesluit en de SIS-signalering. 23. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen over artikel 3 van het EVRM, het terugkeerbesluit en de SIS-signalering. 24. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802-. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 4 augustus 2025 voor zover daarin is beslist over artikel 3 EVRM, het terugkeerbesluit en de SIS-signalering; veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.802,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw. Het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76). Artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw. Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h van de Vw. Uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond van 1 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5366 en 30 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9570. Verslag van het nader gehoor, p. 18. Verslag van het nader gehoor, p. 13. Verslag van het nader gehoor, p.13. Uitspraak van de Vreemdelingenkamer Amsterdam van 25 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19501. Besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 18 oktober 2025, nummer WBV 2025/21, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927. Algemeen Ambtsbericht voor Libië van 24 juli 2025, p. 37 en 38. Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 november 2023, C-125/22, ECLI:EU:C:2023:843. Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h van de Vw. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de eerste nadere reactie (15 oktober 2025) en de tweede reactie (4 december 2025) met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...