Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:1725

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-01-29
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL26.2082
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
5.318 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Artikel 6 / geen lichter middel / niet onderbouwde medische omstandigheden / ongegrond

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.2082 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. (gemachtigde: mr. B. Pattiata). Procesverloop Bij besluit van 29 december 2025 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiseres heeft op 20 januari 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 20 januari 2026 gereageerd. De rechtbank heeft op 23 januari 2026 het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond. 2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. 3. De gemachtigde van eiseres voert aan dat eiseres niet had begrepen dat er af gezien kan worden van het opleggen van een maatregel van bewaring. Eiseres heeft meerdere medische omstandigheden aangevoerd, maar deze zijn niet meegenomen in de maatregel van bewaring. Verweerder had naar aanleiding van de serieuze medische omstandigheden een belangenafweging moeten doen. Gezien eiseres haar medische omstandigheden had verweerder moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel. 4. De rechtbank overweegt het volgende. 5. Niet in geschil is dat eiseres aan de grens een asielaanvraag heeft ingediend, terwijl zij niet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland voldeed. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling wordt, als een asielaanvraag aan de grens wordt gedaan terwijl niet aan de voorwaarden voor toegang wordt voldaan, in beginsel voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. De Procedurerichtlijn verzet zich er verder niet tegen om in beginsel alle aan de buitengrens gedane asielverzoeken in de grensprocedure te behandelen. Daarnaast volgt uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 22 mei 2012 dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. 6. De rechtbank stelt vast dat eiseres in het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel heeft verklaard dat zij meerdere medische omstandigheden heeft, maar geen bezwaar heeft tegen de maatregel. Verweerder heeft dit meegewogen bij de beoordeling voor het al dan niet opleggen van een lichter middel en heeft gemotiveerd overwogen dat de medische omstandigheden van eiseres geen aanleiding vormen om af te zien van het opleggen van de maatregel van bewaring. Verweerder heeft er in het bestreden besluit terecht op gewezen dat er voldoende medische voorzieningen zijn in het detentiecentrum. Voor zover eiseres meent dat zij door de medische omstandigheden detentieongeschikt is, ligt het op haar weg om dit aan te tonen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van de situatie dat eiseres detentieongeschikt is, dan wel dat de zorg in het detentiecentrum in haar geval ontoereikend is. 7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is , ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest of op dit moment onrechtmatig voortduurt. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452. Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799. Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...