ECLI:NL:RBDHA:2026:15757
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2026-01-22
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel; politieke overtuiging en activiteiten geloofwaardig, problemen niet geloofwaardig; niet is gebleken dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht (zie ook ECLI:NL:RBDHA:2025:3440); verweerder heeft kunnen concluderen dat niet is gebleken dat esier in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat; van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade is niet gebleken; beroep is ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.43697 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.A. Krikke), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. Ch.R. Vink). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 2 juni 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 9 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond . 1.1. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1977 en heeft de Georgische nationaliteit. Hij heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiser is sinds 1998 politiek actief en kritisch op de huidige Georgische regering. Naast deelname aan demonstraties heeft eiser in 2023 met zijn vrouw en twee vrienden een organisatie opgericht om Oekraïense kindvluchtelingen te helpen ([organisatie 1]) en hij heeft van juni tot en met augustus 2023 vrijwilligerswerk in Oekraïne gedaan. Kort na zijn terugkomst uit Oekraïne zag eiser dat hij werd geobserveerd door een geblindeerde auto voor zijn huis en dacht hij dat zijn telefoon werd afgeluisterd en dat er werd meegelezen in zijn mail. Daarnaast werd hij regelmatig door onbekenden gebeld en kwamen kennissen aan de deur om informatie van hem los te krijgen. Eiser vermoedt dat dit door de speciale eenheid wordt gedaan om psychologische druk te zetten. Vanaf november 2024 deed eiser minimaal twee keer per week mee aan protestacties tot hem in april 2025 opviel dat de opkomst afnam. Hierdoor verloor eiser hoop, wat aanleiding voor zijn vertrek is geweest. Bij terugkeer vreest eiser opgepakt te worden door de speciale eenheid. Het bestreden besluit 3. Verweerder heeft drie asielmotieven uit het asielrelaas van eiser herleid: 1. eisers identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. eisers problemen vanwege zijn politieke activiteiten, en 3. eisers vrees voor problemen na terugkeer uit Nederland omdat hij hier asiel heeft aangevraagd. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofwaardig geacht. Ook wordt geloofd dat eiser een politieke overtuiging heeft, dat hij heeft meegedaan aan demonstraties, dat hij lid is geweest van politieke partijen en dat hij betrokken is geweest bij de oprichting van [organisatie 1]. Niet wordt geloofd dat eiser in de negatieve belangstelling van de Georgische autoriteiten staat, omdat eiser zijn relaas niet volledig heeft kunnen onderbouwen met objectieve documenten en omdat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Daardoor is eiser ook geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Hierbij wordt meegenomen dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer te vrezen heeft als gevolg van zijn asielaanvraag en wordt overwogen dat eiser zijn (politieke) activiteiten bij terugkeer zou kunnen hervatten. Van een reëel risico op ernstige schade is evenmin gebleken. Eisers asielaanvraag wordt daarom afgewezen als ongegrond en aan hem wordt een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Hij meent dat de beoordeling zoals verweerder deze heeft gedaan, op grond van de werkinstructie (WI) 2024/6, in strijd is met het Unierecht . Verweerder mag namelijk geen objectief bewijs van eiser ter onderbouwing van zijn relaas verwachten en aanvullend bewijs is enkel vereist indien eisers verklaring niet voldoet aan de voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw . Eiser verzoekt hierbij om de uitkomst op de prejudiciële vragen van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond , af te wachten. Ook heeft verweerder ten onrechte geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling gemaakt en gekeken of deze worden ondersteund door openbare bronnen. Verder werpt verweerder ten onrechte tegen dat uit eisers verklaringen niet zou blijken dat hij zich heeft moeten registreren als ‘buitenlandse agent’ en werpt verweerder dit pas in het bestreden besluit tegen. Dit is onzorgvuldig. Daarbij volgt uit zowel eisers verklaring als de eerder gedeelde openbare bronnen dat eiser gezien wordt als spion en dat hij in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Evenmin staat eisers latere aanvulling, dat hij wel door de speciale eenheid is mishandeld tijdens een demonstratie, haaks op zijn verklaring. Tot slot miskent verweerder de verharding van de huidige Georgische regering tegen politiek opposanten , wat gevolgen kan hebben voor eiser bij terugkeer. 4.1. In de aanvullende gronden wijst eiser naar nieuwsberichten over recente protesten waaruit de toenemende repressie en agressie blijkt die eiser staat te wachten bij terugkeer . Daarbij is gebleken dat de Georgische autoriteiten een chemisch middel (camite), dat eerst werd gebruikt in de Eerste Wereldoorlog, hebben ingezet tegen demonstranten , dat er ruim € 116.000,- aan boetes is opgelegd en dat er 122 politieke gevangen zijn . Wat is het oordeel van de rechtbank? Geloofwaardigheidsbeoordeling volgens WI 2024/6 5. De rechtbank verwijst allereerst naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze zittingsplaats van 6 maart 2025 . In deze uitspraak heeft de rechtbank namelijk overwogen dat uit de werkinstructie geen verhoogde bewijsmaatstaf volgt dat in strijd is met het Unierecht en dat het geen onredelijk beleid betreft om eerst te beoordelen of er voldoende objectieve documenten aanwezig zijn om de geloofwaardigheid van het asielrelaas te dragen, alvorens een uitgebreide geloofwaardigheidsbeoordeling te maken op basis van het relaas en de overige ingebrachte documenten. Ook nu is niet gebleken van een verhoogde maatstaf nu verweerder na de eerste stap eisers verklaring en overige documenten op geloofwaardigheid heeft beoordeeld. De rechtbank volgt eiser derhalve niet in zijn betoog dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht, noch ziet de rechtbank aanleiding om de prejudiciële vragen van zittingsplaats Roermond af te wachten. Wel moet, zoals ook uit de uitspraak van 6 maart 2025 volgt, verweerder alle omstandigheden van het specifieke geval in samenhang met elkaar beoordelen om tot een conclusie over de geloofwaardigheid te komen. De cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw kunnen dus niet als strikte checklist worden getoetst door verweerder. 5.1. Verweerder heeft in zijn besluitvorming eisers omstandigheden betrokken, zoals zijn leeftijd, woonplaats, gezinssituatie, opleiding en werkervaring. Daarbij wordt geloofwaardig bevonden dat eiser een politieke overtuiging heeft, dat hij lid was van politieke partijen, dat hij sinds 1998 demonstreert tegen maatschappelijke problemen in Georgië en dat hij daarbij weleens is natgespoten met een waterkanon. Ook wordt geloofd dat eiser medeoprichter is geweest voor [organisatie 1] en dat eiser drie maanden vrijwilligerswerk in Oekraïne heeft gedaan in de vorm van voedselverwerking en distributie. 5.2. Niet wordt geloofd dat eiser in de negatieve belangstelling van de Georgische autoriteiten staat. Verweerder heeft eiser hiervoor tegen kunnen werpen dat zijn verklaringen geen aannemelijk en samenhangend geheel vormen. Zo zijn eisers verklaringen over dat hij via zijn telefoon werd afgeluisterd, dat er in zijn mail werd meegelezen, dat onbekenden hem belden om psychische druk te zetten en dat hij door een geblindeerde auto werd geobserveerd, enkel gebaseerd op zijn eigen vermoedens. Naast dat er andere verklaringen kunnen zijn voor de door eiser genoemde voorvallen, blijkt uit deze vermoedens evenmin een link met de Georgische autoriteiten. Dat eiser zegt te weten hoe de speciale eenheid te werk gaat en dat hij van anderen heeft vernomen dat dit het geval is, maakt dit niet anders. Deze stelling is niet met objectieve gegevens onderbouwd. Daarnaast heeft verweerder het vreemd kunnen vinden dat eiser pas in 2024, een jaar nadat hij uit Oerkraïne is teruggekomen, werd bevraagd over zijn werkzaamheden daar. Eiser heeft ook verklaard dat hij te boek staat als ‘buitenlands agent’, omdat meer dan 20% van het project (genaamd [project]) van [organisatie 1] is bekostigd door [organisatie 2]. Namelijk het hele opstartbedrag van 5.000 dollar. Hiervan heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat, zelfs als gevolgd zou worden dat eiser als buitenlands agent te boek staat, hieruit niet zonder meer volgt dat eiser wordt gezien als spion of dat hij daardoor in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Verder heeft verweerder tegen kunnen werpen dat eiser, ondanks dat hij zegt door de autoriteiten te worden gezocht, legaal het land heeft kunnen verlaten. De verklaring van eiser hiervoor dat hij op geen enkele manier heeft gecommuniceerd over zijn aanstaande vlucht in de vrees dat hij zou worden tegengehouden, maakt dit niet anders nu ook niet aannemelijk is gemaakt dat eiser werd afgeluisterd of geobserveerd. Ten aanzien van de door eiser gestelde mishandeling door gemaskerde personen tijdens een demonstratie heeft dit, zelfs als dit wordt geloofd, de beoordeling van verweerder niet anders hoeven maken. Verweerder heeft namelijk tegen kunnen werpen dat niet is gebleken dat dit specifiek tegen eiser was gericht. Eiser heeft dit in zoverre ook niet betwist. Daarbij heeft verweerder erop kunnen wijzen dat dit haaks staat op eisers verklaring tijdens zijn gehoor, nu hij daarin heeft verklaard dat hij niet door de Georgische autoriteiten of anderen is mishandeld. 5.3. Voor wat betreft de beroepsgrond van eiser dat niet of onvoldoende kenbaar is gebleken dat verweerder integraal heeft getoetst, heeft verweerder het volgende kunnen toelichten. Het uitgangspunt is dat dit in de toetsing reeds is verwerkt en wordt meegenomen. Daarbij houden de hoor- en beslismedewerkers hier in de behandeling rekening mee. Dat het in dit geval niet expliciet in enkele regels vermeld staat dat dit is gedaan, maakt de toetsing niet anders. De integrale toetsing in het achterhoofd gehouden worden veel elementen uit eisers asielrelaas geloofd, maar desondanks wordt niet geloofd dat eiser in de negatieve belangstelling van de Georgische autoriteiten staat en dus ook niet dat er problemen zullen zijn bij terugkeer. De rechtbank ziet geen aanleiding om verweerder in deze toelichting niet te volgen. De wel geloofwaardig bevonden elementen van eisers asielmotieven kunnen ook in onderlinge samenhang het hiervoor besproken asielmotief niet alsnog dragen of anderzijds leiden tot het voordeel van de twijfel. Te meer zo nu dit asielmotief de kern raakt van de door eiser gestelde vrees bij terugkeer naar zijn land van herkomst. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet ten onrechte ongeloofwaardig is bevonden dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Georgische autoriteiten. Vrees bij terugkeer 6. Eiser stelt dat uit openbare bronnen voldoende blijkt dat hij bij terugkeer en bij voortzetting van zijn politieke activiteiten, te vrezen heeft voor de reactie van de Georgische autoriteiten hiertegen. Hij heeft hiervoor verwezen naar meerdere nieuwsartikelen over de verharding van de Georgische regering en verdere repressie van politieke dissidenten. Dit levert volgens hem een reëel risico op ernstige schade op in de zin van artikel 3 van het EVRM. Dit gaat volgens eiser zelfs zo ver dat hij niet uitsluit dat iedere demonstrant bij een aanvraag asiel een asielvergunning zou moeten krijgen. 6.1. Verweerder heeft eiser, zoals eerder overwogen, kunnen tegenwerpen dat niet is gebleken dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Georgische autoriteiten. Bovendien blijkt ook uit eisers verklaringen dat wat hij tijdens demonstraties heeft meegemaakt – zoals bespoten worden met een waterkanon en de gestelde mishandeling – niet specifiek op hem was gericht maar op de demonstranten als geheel. Hoewel verweerder wel erkent dat er een andere wind waait binnen de Georgische regering en dat de situatie verergert, heeft hij uit de berichtgeving niet zonder meer hoeven afleiden dat de omstandigheden daar dusdanig gewijzigd zijn dat het voor demonstranten in het algemeen op voorhand meteen tot een ernstige situatie leidt. Hoe zorgwekkend de berichtgeving ook moge zijn, naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit niet zonder meer dat de enkele deelname aan demonstraties een reëel risico op ernstige schade oplevert. Uit de berichtgeving van eiser volgt verder dat eventuele arrestaties met name zien op oppositieleden, journalisten en activisten. Van belang is dan ook dat verweerder eiser niet als activist ziet. Weliswaar heeft eiser voor langere tijd veelvuldig meegedaan aan protesten en demonstraties, maar heeft hij daarin geen organiserende, voortrekkende of anderzijds bijzondere rol gehad. Daarbij maakt eiser geen gebruik van sociale media om zijn politieke overtuiging te uiten. Om deze redenen wordt eisers politieke overtuiging – welke wel aanwezig wordt geacht – door verweerder in het kader van de zwaarwegendheidstoets bestempeld als matig. Samen met het feit dat eisers politieke uitingen in het verleden niet tot ernstige gevolgen hebben geleid, enkele deelname niet zonder meer een reëel risico op ernstige schade oplevert en dat van negatieve belangstelling niet is gebleken, heeft verweerder geen reden hoeven zien waarom eiser – nu hij ook heeft verklaard dit bij terugkeer te willen blijven doen – zijn (politieke) activiteiten bij terugkeer niet zou kunnen hervatten. Tot slot heeft verweerder tegen kunnen werpen dat nergens uit blijkt dat het doen van een asielaanvraag tot problemen bij terugkeer zou moeten leiden. Verweerder heeft voorop kunnen stellen dat niet duidelijk is hoe de Georgische autoriteiten daarvan op de hoogte zouden moeten raken. Eveneens is het niet ongebruikelijk dat Georgische onderdanen langere tijd in de EU verblijven, omdat zij visumvrij de EU in kunnen reizen en ook eiser hiervan niet is uitgezonderd. 6.2. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden geconcludeerd dat van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade niet is gebleken. Van een onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd besluit is evenmin gebleken. Conclusie en gevolgen 7. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. 7.1. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). In vergelijking met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 juni 2023, zaaknummer C-756/21, ECLI:EU:C:2023:523. Verwezen wordt naar de analyse ‘Evidence and credibility assessment in the context of the Common European Asylum System’ van de EUAA van 17 februari 2023, pag. 105, naar het Beleidsadvies: De geloofwaardigheid gewogen van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken van 11 mei 2016 en naar de blog ‘Minder vaak het voordeel van de twijfel, wijziging van de geloofwaardigheidsbeoordeling’ van Stijn Smulders van 12 juni 2024. Zie de tussenuitspraak van 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:139. Verwezen wordt naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14853. Verwezen wordt naar het artikel ‘Georgia: Council suspends visa-free travel for diplomats and officials’ van de European Council van 27 januari 2025 en naar het artikel ‘Systematic torture: Rights groups condemn violence against protesters in Georgia’ van JAM News van 24 december 2024. Verwezen wordt naar het artikel ‘Groot antiregeringsprotest in GeorgiëL betogers proberen paleis te bestormen’ van nu.nl van 4 oktober 2025, naar het artikel ‘Demonstranten bestormen presidentieel paleis Georgië, politie grijpt hard in’ van NOS van 4 oktober 2025 en naar het artikel ‘Georgische oppositie roep op tot ‘vreedzame revolutie’ tijdens omstreden verkiezingen’ van de Volkskrant van 4 oktober 2025. Verwezen wordt naar het artikel ‘BBC: Georgische autoriteiten gebruikten chemisch middel uit WO I tegen demonstranten’ van de NOS van 1 december 2025. Verwezen wordt naar het artikel ‘Georgië telt 122 politiek gevangenen, relatief meer nog dan Rusland. ‘Het voelt als een staarwedstrijd tussen de regering en het volksverzet’’ van Trouw van 29 november 2025. ECLI:NL:RBDHA:2025:3440.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...