ECLI:NL:RBDHA:2025:7570
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2025-05-06
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Prejudiciële vragen bewaring Terugkeerrichtlijn – op 7 oktober 2024 is de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld omdat eiser niet is verschenen voor zijn gehoor, dit besluit omvat een terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van 2 jaar – nadat eiser op 26 maart 2025 door Frankrijk aan Nederland is overdragen op grond van de Dublinverordening, heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend en deze na het voornemen weer ingetrokken – verweerder heeft geen (terugkeer)besluit op deze opvolgende asielaanvraag genomen - eiser zat in bewaring op de asielgrond, deze maatregel is opgeheven en eiser is aansluitend in bewaring gesteld ter fine van verwijdering naar Algerije – in het bewaringsgehoor heeft eiser verklaard niet terug te kunnen keren naar Algerije omdat hij, kort gezegd, vreest na terugkeer in een 3 EVRM-situatie te komen en dat hij bovendien naar Frankrijk wil om voor zijn op 18 september 2024 geboren kind te zorgen – uit het bewaringsgehoor volgen aanwijzingen dat het op 7 oktober 2024 vastgestelde terugkeerbesluit berust op deels achterhaalde gegevens en de verklaringen van eiser houden verband met de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement. Eiser heeft -uitsluitend- beroep in gesteld tegen de bewaring. De kern van de verwijzing behelst de vraag of de bewaringsrechter om een doeltreffende voorziening in rechte te bieden ook moet nagaan of het eerder vastgestelde terugkeerbesluit kan worden uitgevoerd. Als de verwijdering niet kan plaatsvinden, kan de bewaring niet strekken tot de verwijdering en is deze onrechtmatig en moet de rechtbank eiser in vrijheid stellen – op grond van vaste Afdelingsjurisprudentie is het de bewaringsrechter verboden om het terugkeerbesluit te toetsen en moet worden volstaan met de vaststelling dat er “een terugkeerbesluit” is – de rechtbank twijfelt of dit verbod verenigbaar is met het Unierecht en leidt uit de Terugkeerrichtlijn, artikelen 6, 7, 24, tweede lid, en 47 van het Handvest van de grondrechten en de arresten FMS, C, B en X en Ararat af dat de bewaringsrechter verplicht is om de onderhavige procedure na te gaan of het op 7 oktober 2024 vastgestelde terugkeerbesluit nader moet worden beoordeeld in het licht van de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement – het terugkeerbesluit dat de grondslag is voor de verwijdering, is vastgesteld zonder inhoudelijke beoordeling en zonder rechterlijke controle, eiser kan geen rechtsmiddel meer instellen tegen het terugkeerbesluit, in de nationale procedure is niet voorzien in een afzonderlijk verwijderingsbesluit, bezwaar maken tegen de feitelijke overdracht kan pas als de uitzetting is gepland en biedt dus geen bescherming tegen een onrechtmatige bewaring en is bovendien geen volledige toets aan artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn en het Unierecht en het nationale recht voorzien niet in een periodieke toets van het terugkeerbesluit – door eiser in bewaring te stellen ter fine van verwijdering wordt de Terugkeerrichtlijn ten uitvoer gelegd - de lidstaten moeten gedurende de gehele tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening houden met de in artikel 5 van deze richtlijn genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement moet in alle fases van de terugkeer worden geëerbiedigd en deze verplichtingen staan los van de mogelijkheid van de derdelander om een (asiel en reguliere) verblijfsvergunning aan te vragen – de bewaringsrechter moet gelet op artikel 47 van het Handvest zorgen voor effectieve rechterlijke bescherming van de aan het Unierecht ontleende individuele rechten. De rechtbank moet hiertoe kunnen beslissen over elk relevant feitelijk en juridisch element om de rechtmatigheid van de inbewaringstelling te beoordelen. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en geschorst en stelt het Hof twee prejudiciële vragen - eiser wordt thans in bewaring gehouden, zodat de rechtbank het Hof verzoekt om de prejudiciële vragen in de spoedprocedure (PPU) te behandelen en te beantwoorden.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL25.17803 Verwijzingsuitspraak tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] 1994, Algerijnse nationaliteit, verzoeker in het hoofdgeding, (gemachtigde: mr. A. Hol), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. I. Vugs). Verzoek prejudiciële spoedprocedure (PPU): Verzoek op grond van artikel 267 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van de navolgende prejudiciële vragen in een spoedprocedure zoals is bepaald in artikel 23bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Unie: I Dienen artikelen 5, 13, leden 1 en 2, en 15 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 6, 19, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus te worden uitgelegd dat een rechterlijke autoriteit bij de toetsing of de uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring van een derdelander zijn nageleefd, verplicht is om zich, zo nodig ambtshalve, ervan te vergewissen dat het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen de uitvoering van het terugkeerbesluit dat eerder is vastgesteld en ter fine van welke uitvoering de derdelander in bewaring is gesteld? II Dienen artikelen 5, 13, leden 1 en 2, en 15 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 6, 7, 24, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus te worden uitgelegd dat een rechterlijke autoriteit bij de toetsing of de uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring van een derdelander zijn nageleefd, verplicht is om zich, zo nodig ambtshalve, ervan te vergewissen dat de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen zich niet verzetten tegen de uitvoering van het terugkeerbesluit dat eerder is vastgesteld en ter fine van welke uitvoering de derdelander in bewaring is gesteld? Motivering van de spoedeisendheid (PPU) conform het bepaalde in artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De prejudiciële verwijzing heeft betrekking op de uitlegging van bepalingen uit richtlijn 2008/115 en derhalve op bepalingen uit het Unierecht die behoren tot de gebieden bedoeld in titel V van het derde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Verzoeker in het hoofdgeding valt onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115. Op 7 oktober 2024 is jegens verzoeker in het hoofdgeding een terugkeerbesluit vastgesteld. Verzoeker in het hoofdgeding, aan wie geen termijn voor vrijwillig vertrek is verleend, heeft geen gevolg gegeven aan zijn terugkeerverplichting. Verzoeker in het hoofdgeding is op 10 april 2025 in bewaring gesteld om de terugkeer naar zijn land van herkomst voor te bereiden en de verwijderingsprocedure uit te voeren, waardoor zijn vrijheid ten tijde van deze verwijzingsuitspraak is ontnomen en de omstandigheid als bedoeld in artikel 267, vierde alinea, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie aan de orde is. In het hoofdgeding is het terugkeerbesluit van 7 oktober 2024 en de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting, de grondslag voor de verwijderingsprocedure omdat in de nationale rechtspraktijk geen van het terugkeerbesluit afzonderlijk verwijderingsbesluit wordt genomen. Het terugkeerbesluit van 7 oktober 2024 is vastgesteld zonder dat inhoudelijk is beoordeeld of het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan de verwijdering. Het terugkeerbesluit van 7 oktober 2024 is ook vastgesteld zonder dat inhoudelijk is beoordeeld of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen in de weg staan aan het nemen van een terugkeerbesluit. In het hoofdgeding zijn evenwel feiten en omstandigheden gebleken die bekend zijn geworden nadat dit terugkeerbesluit definitief is geworden en die betrekking hebben op de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement. Op grond van het nationale bestuursprocesrecht en de rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is het de rechterlijke autoriteit die wordt aangezocht om te toetsen of de uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring van een derdelander zijn nageleefd, verboden om het eerder vastgestelde terugkeerbesluit, waarvan de uitvoering wordt verzekerd door de bewaring, te onderzoeken en om te controleren of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement in de weg staan aan de uitvoering van dit terugkeerbesluit. Dit is alleen anders als een zelfstandig rechtsmiddel tegen het terugkeerbesluit is aangewend en de toetsing van de bewaring en de toetsing van het terugkeerbesluit in hetzelfde geding plaatsvinden. De rechtbank vraagt zich evenwel af of uit richtlijn 2008/115, gezien de in het Handvest van de grondrechten verankerde fundamentele rechten, en de uitleg die het Hof heeft gegeven in haar arresten van 14 mei 2020 in de zaak F.M.S. e.a , van 8 november 2022 in de gevoegde zaken C, B en X en van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat , voor de rechterlijke autoriteit die wordt aangezocht om de rechtmatigheid te toetsen van de bewaring, ook de verplichting volgt om de naleving van artikel 5 van richtlijn 2008/115 en het beginsel van non-refoulement te waarborgen en zich daartoe, zo nodig ambtshalve op basis van de gegevens in het dossier die haar ter kennis zijn gebracht, en zoals aangevuld of verduidelijkt in de bij haar gevoerde procedure op tegenspraak, te vergewissen of nader moet worden onderzocht of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen de verwijdering indien sprake is van relevante feiten en omstandigheden die zijn ontstaan of zijn gebleken na de vaststelling van het definitief geworden terugkeerbesluit. Indien de rechtbank, die is aangezocht om de rechtmatigheid van de bewaring te controleren, hiertoe op grond van het Unierecht verplicht is en vaststelt dat het eerder vastgestelde terugkeerbesluit niet kan worden uitgevoerd of nader moet worden onderzocht in het licht van de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement, kan de bewaring niet strekken tot de verwijdering van verzoeker in het hoofdgeding en is de bewaring ter fine van verwijdering niet gerechtvaardigd. Indien de bewaring niet rechtmatig is, is de rechtbank verplicht om verzoeker in het hoofdgeding onmiddellijk in vrijheid te stellen. De beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof heeft derhalve een rechtstreekse invloed op de uitkomst van het hoofdgeding en kan leiden tot de verplichting voor de rechtbank om verzoeker in het hoofdgeding, in weerwil van het nationale bestuursprocesrecht en in weerwil van de rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, in vrijheid te stellen. De nationale procedure waarin door verzoeker in het hoofdgeding is opgekomen tegen zijn inbewaringstelling is geschorst totdat het Hof de prejudiciële vragen heeft beantwoord. Tegelijkertijd wordt verzoeker in het hoofdgeding in bewaring gehouden en wordt door de autoriteiten gewerkt aan de verwijdering van verzoeker in het hoofdgeding naar zijn land van herkomst. De rechtbank verzoekt het Hof om gelet op deze feiten en omstandigheden de prejudiciële vragen in een spoedprocedure te behandelen, zoals is bepaald in artikel 23bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Unie (PPU). De rechtbank wil het Hof conform artikel 107, tweede lid, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie in overweging geven om de gestelde prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden: I Artikelen 5, 13, leden 1 en 2, en 15 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 6, 19, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dienen aldus te worden uitgelegd dat een rechterlijke autoriteit bij de toetsing of de uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring van een derdelander zijn nageleefd, verplicht is om zich, zo nodig ambtshalve, ervan te vergewissen dat het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen de uitvoering van het terugkeerbesluit dat eerder is vastgesteld en ter fine van welke uitvoering de derdelander in bewaring is gesteld, indien uit de haar ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak, aanwijzingen blijken dat sprake is van een wijziging van de omstandigheden die zich na de vaststelling van het terugkeerbesluit heeft voorgedaan of is gebleken en die een aanzienlijke invloed kan hebben op de beoordeling van de situatie van de betrokken derdelander in het licht van het beginsel van non-refoulement. II Artikelen 5, 13, leden 1 en 2, en 15 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 6, 7, 24, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dienen aldus te worden uitgelegd dat een rechterlijke autoriteit bij de toetsing of de uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring van een derdelander zijn nageleefd, verplicht is om zich, zo nodig ambtshalve, ervan te vergewissen dat de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen zich niet verzetten tegen de uitvoering van het terugkeerbesluit dat eerder is vastgesteld en ter fine van welke uitvoering de derdelander in bewaring is gesteld, indien uit de haar ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak, aanwijzingen blijken dat sprake is van een wijziging van de omstandigheden die zich na de vaststelling van het terugkeerbesluit heeft voorgedaan of is gebleken en die een aanzienlijke invloed kan hebben op de beoordeling van de situatie van de betrokken derdelander in het licht van de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen. Procesverloop Op 10 april 2025 is aan verzoeker in het hoofdgeding (hierna: verzoeker) een maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) opgelegd . Verzoeker heeft op 16 april 2025 beroep ingesteld tegen de oplegging van de maatregel, welk beroep tevens wordt aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding voor zover de maatregel onrechtmatig is. De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2025 op zitting behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en gehoord met tussenkomst van een beëdigde registertolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aansluitend aan de behandeling ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Bij bericht van 5 mei 2025 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat het onderzoek wordt heropend en geschorst omdat de rechtbank het noodzakelijk acht twee prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie. Relevante feiten en standpunten van partijen 1. Verzoeker heeft op 11 september 2024 een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verzoeker is niet verschenen voor het gehoor over zijn asielmotieven. Verweerder heeft dit verzoek op 7 oktober 2024 daarom buiten behandeling gesteld in een zogenoemd “meeromvattend besluit” dat tevens als een terugkeerbesluit geldt en heeft bepaald dat verzoeker dient terug te keren naar Algerije . In het terugkeerbesluit is geen termijn voor vrijwillig vertrek vastgesteld. Ook is in dit besluit een inreisverbod met een duur van twee jaar uitgevaardigd en is medegedeeld dat verzoeker in het Schengen Informatie Systeem wordt gesignaleerd. Verzoeker heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen dit besluit. Dit besluit en het daarin vervatte terugkeerbesluit, is derhalve definitief geworden zonder dat de rechtmatigheid van dit terugkeerbesluit is getoetst door een rechterlijke autoriteit. 2. Verzoeker is op 26 maart 2025 door de Franse autoriteiten op grond van Verordening 604/2013 overgedragen aan Nederland. 3. Verzoeker heeft op 26 maart 2025 een volgend verzoek om internationale bescherming ingediend. Verweerder heeft verzoeker op 26 maart 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 8 van richtlijn 2013/33, welke bepaling in de nationale wetgeving is omgezet in artikel 59b Vw. Verweerder heeft verzoeker gehoord over zijn asielmotieven en op 7 april 2025 een zogenoemd “voornemen” uitgebracht en daarin te kennen gegeven dat hij van plan is om het volgend verzoek om internationale bescherming kennelijk ongegrond te verklaren op grond van artikel 30b, eerste lid, onder g, Vw, omdat sprake is van een volgend verzoek dat niet niet-ontvankelijk wordt verklaard . Verzoeker is in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na ontvangst van dit voornemen schriftelijk te reageren door zijn zienswijze te geven. 4. Verzoeker heeft geen zienswijze ingediend, maar heeft op 9 april 2025 zijn op 26 maart 2025 gedane volgend verzoek om internationale bescherming ingetrokken. Verweerder heeft daarom geen besluit genomen op het volgend verzoek om internationale bescherming. Omdat door de intrekking van het verzoek om internationale bescherming van rechtswege (weer) sprake is van illegaal verblijf , heeft verweerder ook geen besluit meer hoeven te nemen over het beëindigen van de opschorting van het op 7 oktober 2024 vastgestelde terugkeerbesluit. 5. Verweerder heeft op 10 april 2025 de bewaringsmaatregel die op 26 maart 2025 was opgelegd opgeheven en heeft verzoeker aansluitend aan de opheffing op 10 april 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 15 van richtlijn 2008/115, welke bepaling in de nationale wetgeving is omgezet in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Het hoofdgeding is ingeleid met het beroep tegen deze bewaringsmaatregel die op 10 april 2025 is opgelegd. 6. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de maatregel onrechtmatig is omdat deze situatie is ontstaan doordat verweerder het claimverzoek van de Franse autoriteiten heeft aanvaard. Verzoeker heeft Nederland immers in september 2024 verlaten en is niet uit eigen beweging teruggekomen. De gemachtigde van verzoeker heeft toegelicht dat hij verzoeker heeft geadviseerd om het volgend verzoek om internationale bescherming in te trekken in verband met de te verwachten totale duur van de mogelijk opvolgende bewaringsmaatregelen. De gemachtigde van verzoeker heeft verder toegelicht dat verzoeker zich naar Frankrijk wil begeven vanwege zijn onlangs in Frankrijk geboren kind, maar dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft in Frankrijk. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de maatregel rechtmatig is omdat het terugkeerbesluit van 7 oktober 2024 definitief is geworden, verzoeker illegaal op het grondgebied van Nederland verblijft en aan alle rechtmatigheidsvereisten van de maatregel is voldaan. 7. De rechtbank heeft aan beide partijen, gelet op de overweging van het Hof in het arrest van 8 november 2022 in de gevoegde zaken C, B en X, dat de ambtshalve toetsing van de uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring op tegenspraak moet plaatsvinden , de vraag gesteld of een terugkeerbesluit dat is vastgesteld zonder dat er een inhoudelijke beoordeling van het refoulementrisico heeft plaatsgevonden ten grondslag kan worden gelegd aan een bewaringsmaatregel die ter fine van verwijdering is opgelegd en of de bewaringsrechter in het hoofdgeding moet controleren of verweerder zich bij het opleggen van de bewaringsmaatregel die de terugkeer naar het land van herkomst moet verzekeren, nader heeft vergewist of het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan de uitvoering van een eerder vastgesteld terugkeerbesluit. De rechtbank heeft partijen vragen met eenzelfde strekking gesteld over de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen. De rechtbank heeft partijen ook gevraagd of het voor het beantwoorden van deze vragen relevant is dat de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit van 7 oktober 2024 niet door een rechterlijke autoriteit is gecontroleerd en/of dat verzoeker de keuze heeft gemaakt om geen rechtsmiddel aan te wenden tegen dit terugkeerbesluit en de keuze heeft gemaakt om zijn volgend verzoek om internationale bescherming in te trekken. De rechtbank heeft partijen tot slot gevraagd of zij vinden dat de nationale rechtspraak op dit punt verenigbaar is met het Unierecht. 8. De rechtbank heeft partijen er hierbij op gewezen dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) ambtshalve toetsing of beoordeling er niet toe mag leiden dat de rechter treedt in de toetsing of beoordeling van de rechtmatigheid van een ander besluit dan het besluit waartegen beroep is ingesteld. Zo heeft de Afdeling in de uitspraak van 26 juli 2023 het navolgende overwogen: (…) Verhouding tot het Nederlandse procesrechtelijke stelsel 5. De eerste vraag die de Afdeling in relatie tot het arrest C, B en X moet bespreken is hoe de daaruit volgende verplichte ambtshalve toets in bewaringszaken zich verhoudt tot het Nederlandse procesrechtelijke stelsel waarin de omvang van het geschil in bestuursrechtelijke zaken vooral wordt bepaald door artikel 8:69 van de Awb. Het eerste lid daarvan verplicht de bestuursrechter zich bij de beoordeling van het besluit te beperken tot wat is aangevochten met beroepsgronden. Dat is het geschil zoals partijen dat naar voren brengen. Daarnaast moet de bestuursrechter kwesties van openbare orde ambtshalve toetsen of beoordelen. Dat gaat om kwesties die behoren tot de kernelementen van de rechtsorde die juist de rechter moet bewaken, los van de wil en kennis van partijen. Dat laatste doet de rechter dus buiten de omvang van het geschil zoals partijen dat naar voren brengen. Daarbij wijst de Afdeling er ter verduidelijking op dat dit niet betekent dat de rechter ook buiten de grenzen van het geding mag treden. Ambtshalve toetsing of beoordeling mag er bijvoorbeeld niet toe leiden dat de rechter treedt in de toetsing of beoordeling van de rechtmatigheid van een ander besluit dan het besluit waartegen beroep is ingesteld. (…). 9. De Afdeling heeft haar uitspraak van 12 december 2023 hierover het navolgende overwogen: (…) 3.1. Uit de genoemde uitspraak van 26 juli 2023, onder 5, volgt dat ambtshalve toetsing of beoordeling er niet toe mag leiden dat de rechter treedt buiten de grenzen van het geding. Zo’n situatie doet zich voor als de rechter de rechtmatigheid van een ander besluit toetst of beoordeelt dan van het besluit waartegen beroep is ingesteld. Dat betekent dat de bewaringsrechter zich ook niet mag uitlaten over de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit. De bewaringsrechter moet wel controleren of voorafgaand aan dan wel gelijktijdig met de maatregel van bewaring een terugkeerbesluit is genomen. Er moet een besluit zijn dat als terugkeerbesluit is aan te merken en waarop de bewaring kan worden gebaseerd. (…) Artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn ziet niet op de specifieke vereisten om een besluit aan te kunnen merken als een terugkeerbesluit. Het gaat ook niet over een voorwaarde voor rechtmatige bewaring (zie het arrest van het Hof van 8 november 2022, C, B en X, ECLI:EU:C:2022:858, punt 76). In die bepaling zijn namelijk belangen opgenomen waarmee de lidstaten bij het nemen van een terugkeerbesluit rekening moeten houden. Door te beoordelen of het terugkeerbesluit voldoet aan artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn heeft de bewaringsrechter zich uitgelaten over de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit. Dat mag niet. De staatssecretaris klaagt daarom terecht dat de rechtbank buiten haar bevoegdheid is getreden. De grief slaagt. (…) De Afdeling bestuursrechtspraak: I.verklaart het hoger beroep gegrond; II.vernietigt de uitspraak van de rechtbank; (…) 10. De rechtbank heeft partijen er ook op gewezen dat de (verwijzende) rechtbank uit richtlijn 2008/115 en uit het arrest Ararat niet afleidt dat de verplichtingen die uit artikel 5 van richtlijn 2008/115 voortvloeien uitsluitend gelden bij het vaststellen van een terugkeerbesluit, maar dat de autoriteiten, waaronder begrepen de rechterlijke autoriteiten, gedurende de gehele periode waarin richtlijn 2008/115 ten uitvoer wordt gelegd rekening moeten houden met de in artikel 5 van deze richtlijn genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement moeten eerbiedigen. Het Hof heeft in het arrest Ararat onder meer overwogen dat artikel 5 van richtlijn 2008/115 een algemene regel vormt die de lidstaten in acht moeten nemen bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en dat artikel 5 niet restrictief mag worden uitgelegd. De rechtbank heeft partijen er ook op gewezen dat de (verwijzende) rechtbank in eerdere uitspraken heeft overwogen dat ook de verplichting voor de rechterlijke autoriteiten om te waarborgen dat bij de tenuitvoerlegging van richtlijn 2008/115 rekening wordt gehouden met de in artikel 5 van deze richtlijn genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement wordt geëerbiedigd, niet uitsluitend geldt in procedures die zijn ingeleid met een beroep tegen het terugkeerbesluit . 11. De rechtbank heeft partijen er tot slot op gewezen dat de Afdeling in het arrest Ararat (kennelijk) geen aanleiding ziet om haar rechtspraak te nuanceren of te wijzigen . 12. Verzoeker heeft zich in reactie op de vragen van de rechtbank op het standpunt gesteld dat zijn belang om in Frankrijk bij zijn kind te kunnen verblijven moet worden beoordeeld in het hoofdgeding en dat het verzoek om internationale bescherming niet is ingetrokken om de beoordeling van het refoulementrisico te ontwijken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de rechtspraak van de Afdeling moet worden gevolgd en verzoeker er voor heeft gekozen om zijn volgend verzoek om internationale bescherming in te trekken, zodat verweerder geen nadere beoordeling van het eerder vastgestelde terugkeerbesluit hoeft te maken. Verweerder stelt zich verder op de standpunt dat de door de rechtbank voorgestane uitleg van richtlijn 2008/115 afbreuk doet aan het nuttig effect van deze richtlijn omdat er misbruik gemaakt kan worden van de verplichting die verweerder dan zou hebben om steeds na te gaan of het refoulementbeginsel in de weg staat aan de uitvoering van definitief geworden terugkeerbesluiten. Verweerder heeft om zijn standpunt te onderbouwen het hoger beroepschrift dat is ingediend tegen een van de uitspraken van deze rechtbank overgelegd en is van mening dat het de bewaringsrechter terecht is verboden om het eerder vastgestelde terugkeerbesluit te betrekken bij de beoordeling of de bewaringsmaatregel die strekt tot de verwijdering van verzoeker rechtmatig is opgelegd. 13. Gelet op de verschillende standpunten van partijen en gelet op de divergerende rechtspraak kan worden getwijfeld aan de uitlegging van artikelen 5, 13, leden 1 en 2, en 15 van richtlijn 2008/115, temeer voor zover deze bepalingen in samenhang met artikelen 6, 7, 19, lid 2, 24, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zouden moeten worden bezien. De rechtbank verzoekt het Hof dan ook het Unierecht nader te preciseren en de prejudiciële vragen van de rechtbank in de spoedprocedure (PPU) te behandelen en te beantwoorden. Toepasselijke bepalingen Unierecht Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie Artikel 6 - Het recht op vrijheid en veiligheid Eenieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Artikel 7 – De eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie. Artikel 19 - Bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering (…) 2. Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen. Artikel 24 – De rechten van het kind (…) 2. Bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, vormen de belangen van het kind een essentiële overweging. (…) Artikel 47 - Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. (…) Richtlijn 2008/115 Overwegingen (2) De Europese Raad van Brussel van 4 en 5 november 2004 heeft erop aangedrongen, op basis van gemeenschappelijke normen een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te ontwikkelen, zodat mensen op een humane manier, met volledige eerbiediging van hun grondrechten en waardigheid, teruggezonden kunnen worden. (22) Overeenkomstig het Verdrag van 1989 van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind dienen de lidstaten bij de uitvoering van deze richtlijn het belang van het kind voorop te stellen. Overeenkomstig het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dienen de lidstaten bij de uitvoering van deze richtlijn de eerbiediging van het gezinsleven voorop te stellen. (23) De toepassing van deze richtlijn laat de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, als gewijzigd bij het protocol van New York van 31 januari 1967, onverlet. (24) In deze richtlijn worden de grondrechten en de beginselen in acht genomen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend. Artikel 1 - Toepassingsgebied In deze richtlijn worden de gemeenschappelijke normen en procedures vastgesteld die door de lidstaten moeten worden toegepast bij de terugkeer van illegaal op hun grondgebied verblijvende onderdanen van derde landen, overeenkomstig de grondrechten die de algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht en het internationaal recht vormen, met inbegrip van de verplichting om vluchtelingen te beschermen en de mensenrechten te eerbiedigen. Artikel 3 - Definities 4. „ terugkeerbesluit”: de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld; 5. „ verwijdering”: de tenuitvoerlegging van de terugkeerverplichting, d.w.z. de fysieke verwijdering uit de lidstaat; Artikel 5 - Non-refoulement, belang van het kind, familie- en gezinsleven en gezondheidstoestand Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn houden de lidstaten rekening met: a)het belang van het kind; b)het familie- en gezinsleven; c)de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land, en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement. Artikel 6 - Terugkeerbesluit 4. De lidstaten kunnen te allen tijde in schrijnende gevallen, om humanitaire of om andere redenen beslissen een onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te geven. In dat geval wordt geen terugkeerbesluit uitgevaardigd. Indien al een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, wordt het ingetrokken of opgeschort voor de duur van de geldigheid van de verblijfsvergunning of andere vorm van toestemming tot legaal verblijf. (…) 6. Deze richtlijn belet niet dat in de lidstaten het besluit inzake de beëindiging van het legaal verblijf tezamen met een terugkeerbesluit en/of een verwijderingsbesluit en/of een inreisverbod overeenkomstig de nationale wetgeving met één administratieve of rechterlijke besluit of handeling kan worden genomen, onverminderd de procedurele waarborgen die zijn vervat in hoofdstuk III en in andere toepasselijke bepalingen van het communautair en het nationaal recht. Artikel 8 – Verwijdering (…) 3. De lidstaten kunnen een afzonderlijk administratief of rechterlijk besluit of administratieve handeling aannemen waarbij de verwijdering wordt gelast. Artikel 9 1. De lidstaten stellen de verwijdering uit: a)in geval deze in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement, of (…) Artikel 13 – Rechtsmiddelen 1.Aan de betrokken onderdaan van een derde land wordt een doeltreffend rechtsmiddel van beroep of bezwaar toegekend, dat hij bij een bevoegde rechterlijke of administratieve autoriteit of bij een onpartijdig samengestelde bevoegde instantie waarvan de onafhankelijkheid is gewaarborgd, kan aanwenden tegen de in artikel 12, lid 1, bedoelde besluiten in het kader van terugkeer. 2.De in lid 1 bedoelde autoriteit of instantie is bevoegd om de in artikel 12, lid 1, bedoelde besluiten in het kader van terugkeer te herzien en kan eveneens de uitvoering ervan tijdelijk opschorten, tenzij op grond van de nationale wetgeving reeds een tijdelijke opschorting van toepassing is. Artikel 15 – Bewaring 1.Tenzij in een bepaald geval andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, kunnen de lidstaten de onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeerprocedure loopt alleen in bewaring houden om zijn terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren, met name indien: a)er risico op onderduiken bestaat, of b)de betrokken onderdaan van een derde land de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. De bewaring is zo kort mogelijk en duurt niet langer dan de voortvarend uitgevoerde voorbereiding van de verwijdering. (…) 2. (…) De betrokken onderdaan van een derde land wordt, als zijn bewaring niet rechtmatig is, onmiddellijk vrijgelaten. (…) 4.Indien blijkt dat er omwille van juridische of andere overwegingen geen redelijk vooruitzicht op verwijdering meer is, of dat de in lid 1 bedoelde omstandigheden zich niet meer voordoen, is de bewaring niet langer gerechtvaardigd en wordt de betrokkene onmiddellijk vrijgelaten. Nederlands recht Vreemdelingenwet 2000 (Vw) Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a Indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert kan, met het oog op de uitzetting, door Onze Minister in bewaring worden gesteld de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft. Relevante rechtspraak Arrest van het Hof van 14 mei 2020 in de zaak FMS e.a. (…) 140 Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat artikel 47 van het Handvest op zichzelf volstaat en niet hoeft te worden verduidelijkt door bepalingen van het Unierecht of van nationaal recht, om particulieren een recht te verlenen dat zij zonder meer kunnen inroepen [arresten van 17 april 2018, Egenberger, C‑414/16, EU:C:2018:257, punt 78; 29 juli 2019, Torubarov, C‑556/17, EU:C:2019:626, punt 56, en 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy), C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982, punt 162]. 141 Hetzelfde geldt voor artikel 13, lid 1, van richtlijn 2008/115, aangezien de kenmerken van het in deze bepaling bedoelde rechtsmiddel moeten worden vastgesteld in overeenstemming met artikel 47 van het Handvest, dat een herbevestiging vormt van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming [zie naar analogie arresten van 29 juli 2019, Torubarov, C‑556/17, EU:C:2019:626, punten 55 en 56, en 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy), C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982, punt 163]. 142 Ten tweede is het in dit verband bij gebreke van Unieregelgeving ter zake weliswaar een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechterlijke instanties aan te wijzen en de procedureregels vast te stellen voor vorderingen die worden ingesteld ter bescherming van de aan het Unierecht ontleende individuele rechten, maar zijn de lidstaten er in alle gevallen verantwoordelijk voor te verzekeren dat het recht op daadwerkelijke rechterlijke bescherming van deze rechten wordt geëerbiedigd, zoals is gewaarborgd in artikel 47 van het Handvest [arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy), C‑585/18, C‑624/18 en C‑625/18, EU:C:2019:982, punt 115]. 143 In dat verband moet in herinnering worden gebracht dat het Unierecht de lidstaten er in beginsel weliswaar niet toe verplicht om bij hun nationale rechterlijke instanties andere rechtsmiddelen in te voeren ter bescherming van de rechten die justitiabelen aan het Unierecht ontlenen dan die welke in het nationale recht zijn vastgesteld (zie in die zin arrest van 13 maart 2007, Unibet, C‑432/05, EU:C:2007:163, punt 40, en 24 oktober 2018, XC e.a., C‑234/17, EU:C:2018:853, punt 51), maar dat dit anders is wanneer uit de opzet van de betrokken nationale rechtsorde blijkt dat er geen rechtsgang bij de rechter beschikbaar is waarmee, al was het maar incidenteel, de eerbiediging van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, kan worden verzekerd of wanneer de justitiabelen slechts toegang tot de rechter hebben door onrechtmatig te handelen (zie in die zin arrest van 13 maart 2007, Unibet, C‑432/05, EU:C:2007:163, punt 41, en 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 104). 144 Nationale rechterlijke instanties moeten zich dus bevoegd verklaren om kennis te nemen van het beroep dat de betrokkene heeft ingesteld om de rechten te verdedigen die het Unierecht hem verleent, indien het nationale procesrecht in dat geval niet in een dergelijk rechtsmiddel voorziet (zie naar analogie arrest van 3 december 1992, Oleificio Borelli/Commissie, C‑97/91, EU:C:1992:491, punt 13, en 19 december 2018, Berlusconi en Fininvest, C‑219/17, EU:C:2018:1023, punt 46). 145 Het feit dat het recht van de betrokken lidstaat niet voorziet in een rechtsmiddel dat het mogelijk maakt om de rechtmatigheid van een bestuurlijk terugkeerbesluit zoals beschreven in punt 123 van dit arrest aan het Unierecht te toetsen, kan de nationale rechter dus niet ontslaan van zijn verplichting om de volle werking te waarborgen van artikel 13, lid 1, van richtlijn 2008/115, dat door de rechtstreekse werking ervan als zodanig een rechtstreeks toepasselijke bevoegdheid kan verlenen indien het niet naar behoren in de nationale rechtsorde is omgezet. (…) Arrest van het Hof van 8 november 2022 in de gevoegde zaken C, B en X . (…) 72 In dat verband moet er in de eerste plaats aan worden herinnerd dat elke bewaring van een derdelander een ernstige inmenging vormt op het in artikel 6 van het Handvest neergelegde recht op vrijheid. (…) 75 Gelet op de ernst van deze inmenging in het in artikel 6 van het Handvest neergelegde recht op vrijheid en rekening houdend met het belang van dat recht is de bevoegdheid van de bevoegde nationale autoriteiten om een derdelander in bewaring te stellen strikt afgebakend (…). 76 De algemene en abstracte regels die middels gemeenschappelijke Unienormen de voorwaarden voor bewaring vastleggen, zijn neergelegd in artikel 15, lid 1, lid 2, tweede alinea, en leden 4, 5 en 6, van richtlijn 2008/115. (…). (…) 81 Wat in de tweede plaats het recht van door een lidstaat in bewaring gestelde derdelanders op effectieve rechterlijke bescherming betreft, is het vaste rechtspraak dat de lidstaten krachtens artikel 47 van het Handvest moeten zorgen voor effectieve rechterlijke bescherming van de aan het Unierecht ontleende individuele rechten (zie in die zin arrest van 14 mei 2020, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság, C‑924/19 PPU en C‑925/19 PPU, EU:C:2020:367, punt 142). 82 Voor de inbewaringstelling zijn gemeenschappelijke Unienormen inzake rechterlijke bescherming neergelegd in artikel 15, lid 2, derde alinea, van richtlijn 2008/115. (…) 87 Wil een dergelijke beschermingsregeling daadwerkelijk de naleving verzekeren van de strikte voorwaarden waaraan de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring als bedoeld in richtlijn 2008/115, richtlijn 2013/33 of verordening nr. 604/2013 moet voldoen, dan moet de bevoegde rechterlijke autoriteit kunnen beslissen over elk relevant feitelijk en juridisch element om de rechtmatigheid te beoordelen. 88 Zoals de advocaat-generaal in punt 95 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, is het zo dat, gelet op het belang van het recht op vrijheid, de ernst van de inmenging in dat recht die voortvloeit uit de bewaring van personen om andere redenen dan de vervolging of bestraffing van strafbare feiten en de eis – die duidelijk naar voren komt in de door de Uniewetgever neergelegde gemeenschappelijke normen – om te zorgen voor een hoog niveau van rechtsbescherming waardoor wordt voldaan aan het absolute vereiste om de betreffende persoon in vrijheid te stellen wanneer niet of niet langer aan de voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring wordt voldaan, de bevoegde rechterlijke autoriteit rekening moet houden met alle haar ter kennis gebrachte, met name feitelijke, omstandigheden, zoals aangevuld of verduidelijkt in het kader van door haar naar nationaal recht nodig geachte procedurele maatregelen, en op basis daarvan, in voorkomend geval, de niet-naleving van een uit het Unierecht voortvloeiende rechtmatigheidsvoorwaarde moet vaststellen, ook al heeft de betrokkene daar niet op gewezen. Deze verplichting doet niet af aan de verplichting voor de rechterlijke autoriteit, die aldus een dergelijke rechtmatigheidsvoorwaarde ambtshalve aan de orde stelt, om elk van de partijen uit te nodigen om hun mening over deze voorwaarde kenbaar te maken overeenkomstig het beginsel van hoor en wederhoor. 89 In dit verband kan in het bijzonder niet worden aanvaard dat in de lidstaten waar de besluiten tot inbewaringstelling door een administratieve autoriteit worden genomen, de rechterlijke toetsing geen door de rechterlijke autoriteit op basis van de in het vorige punt van dit arrest genoemde omstandigheden verrichte beoordeling omvat waar het gaat om de vraag of er is voldaan aan een rechtmatigheidsvoorwaarde waarvan de betrokkene de schending niet aan de orde heeft gesteld, terwijl in de lidstaten waar besluiten tot inbewaringstelling moeten worden genomen door een rechterlijke autoriteit, die autoriteit een dergelijke beoordeling ambtshalve moet verrichten aan de hand van deze omstandigheden. 90 De in punt 88 van dit arrest gegeven uitlegging waarborgt dat de rechterlijke bescherming van het grondrecht op vrijheid in alle lidstaten effectief wordt gewaarborgd, ongeacht of deze lidstaten voorzien in een systeem waarin het bevel tot bewaring wordt gegeven door een administratieve autoriteit en aan rechterlijke toetsing is onderworpen, dan wel in een systeem waarin dat bevel rechtstreeks door een rechterlijke autoriteit wordt gegeven. (…) Arrest v
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...