ECLI:NL:RBDHA:2025:27916
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2025-12-18
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asielaanvraag; gestelde problemen ongeloofwaardig; verweerder heeft onvoldoende gedragen gemotiveerd waarom de verklaarde uitingen van afvalligheid de drempel van een wezenlijk onderdeel van de religieuze identiteit niet halen; onvoldoende gemotiveerd waarom terughoudendheid bij de grens verwacht mag worden; politieke activiteiten bij terugkeer onvoldoende betrokken; motiveringsgebrek (art. 3:46 Awb); beroep gegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.30554 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J. Amakodo). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag. Eiseres heeft op 9 maart 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 juni 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond . 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, F. Flippo als tolk en de gemachtigde van verweerder. Het beroep van de echtgenoot van eiseres (zaaknummer NL25.30555) is op dezelfde zitting behandeld. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1990 en heeft de Iraanse nationaliteit. Zij heeft het volgende aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiseres heeft op jonge leeftijd gemerkt hoe het Iraanse regime de bevolking, en vooral vrouwen, onderdrukt. Zij is sinds haar 18e vier keer aangehouden omdat zij zich niet aan de voorschriften hield. Na iedere aanhouding is zij, al dan niet door ondertekening van een verklaring, vrijgelaten. Vanaf de dood van Mahsa Amini in 2022 is eiseres net als vele anderen politiek actiever geworden. In die periode heeft zij samen met haar echtgenoot veelvuldig meegedaan met protesten en demonstraties, en hebben zij beeldmateriaal aan (internationale) mediakanalen gestuurd. Naar aanleiding hiervan wordt eiseres gezocht en heeft er op 8 maart 2023, toen eiseres voor vakantie in Nederland was, een inval in haar huis plaatsgevonden. Eiseres is daarnaast al sinds haar 16e of 17e geen aanhanger van de islam meer en daardoor afvallig. Bij terugkeer vreest zij voor het regime en de ordepolitie en weet ze niet wat er met haar zou gebeuren. Het bestreden besluit 3. Verweerder heeft drie asielmotieven uit het asielrelaas van eiseres herleid. Haar identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofd. Zo ook haar afwending van de islam. Daarbij worden haar politieke activiteiten wel geloofd, maar niet de problemen die zij naar aanleiding daarvan zegt te hebben. Verweerder werpt eiseres tegen dat haar verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verder is eiseres geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder acht van belang dat hoewel eiseres haar afvalligheid wordt geloofd, uit haar verklaring niet is gebleken dat zij vanwege haar afvalligheid een gegronde vrees voor vervolging heeft. Ditzelfde geldt voor haar politieke activiteiten. Niet is gebleken dat zij in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten staat. Daarnaast is niet gebleken van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM . Tot slot wordt eiseres een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken. Wat vindt eiseres in beroep? 4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Zij stelt zich op het standpunt dat, hoewel haar afvalligheid wordt geloofd, de uiting daarvan niet conform de werkinstructie (WI) 2022/3 door verweerder bij het bestreden besluit is betrokken. Daarnaast blijkt uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dat niet van haar verwacht mag worden dat zij zich terughoudend opstelt over haar afvalligheid om vervolging te voorkomen. Dit samen met haar politieke activiteiten maakt dat zij een gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer heeft. Verder heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom voor eiseres bij controle aan de grens geen problemen worden verwacht. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank stelt vast dat de afvalligheid van eiseres, tezamen met haar politieke overtuiging en activiteiten, worden geloofd. Ook staat niet ter discussie dat eiseres vanwege haar politieke activiteiten onder een risicoprofiel valt. De gronden van eiseres strekken zich dan ook primair tot de vraag of er als gevolg van de geloofwaardig bevonden asielmotieven sprake is van een gegronde vrees op vervolging. Afvalligheid 6. WI 2022/3 beschrijft de werkwijze van verweerder voor het beoordelen van bekering en afvalligheid van vreemdelingen als asielmotief. Onderdeel hiervan is het in kaart brengen van de uiting van de afvalligheid in het land van herkomst, in Nederland en in de toekomst, en wat het belang hiervan is voor de persoon zelf. Daarnaast wordt in WI 2022/3 een onderscheid gemaakt tussen – kort gezegd – afvalligheid als gevolg van desinteresse in het geloof en afvalligheid als gevolg van een afwending van het geloof met sterke ideeën daarover wat gezien kan worden als een wezenlijk onderdeel van de religieuze identiteit . Zo kan van iemand die uit desinteresse afvallig is en zich in het land van herkomst altijd heeft geconformeerd aan de heersende religie, eerder terughoudendheid worden verwacht bij terugkeer. 6.1. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder haar tijdens haar gehoor ten onrechte niet heeft bevraagd over hoe zij haar afvalligheid in Nederland uit in verwijzing naar WI 2022/3. Hoewel het klopt dat eiseres daarover tijdens het nader gehoor niet expliciet is bevraagd, heeft zij in haar zienswijze desalniettemin informatie aangedragen over hoe zij zich over haar afvalligheid in Nederland uit. Daar is door verweerder in het bestreden besluit op gereageerd. Daarbij is ook ter zitting niet gebleken dat hierdoor zaken die eiseres terug had willen zien in de besluitvorming, niet aan bod zijn gekomen of dat zij anderszins in haar belangen zou zijn geschaad. Hetgeen verweerder ook ter zitting tegen heeft kunnen werpen. De rechtbank ziet hierin dan ook geen gebrek in het bestreden besluit. 6.2. Eiseres heeft verder aangevoerd dat van haar geen terughoudendheid verwacht mag worden en dat verweerder haar uitingen van afvalligheid als wezenlijk onderdeel van haar religieuze identiteit onvoldoende bij de beoordeling heeft betrokken, ook gelet op hoe zij zich nu in Nederland uit. Hiertoe heeft eiseres gewezen op haar eigen verklaringen en de bij haar zienswijze ingebrachte verklaringen van derden, die zij in heeft gebracht om aan te tonen dat haar afvalligheid een wezenlijk onderdeel van haar leven is. Zo geeft zij dansles, draagt zij geen hidjab, wil zij alcohol kunnen drinken, heeft zij vrienden en kennissen uit de LHBTI+-gemeenschap en is zij open over haar mening over de islam en de (religieuze) onderdrukking die zij heeft ervaren in Iran. 6.3. Verweerder heeft in het bestreden besluit tegengeworpen dat het niet meer praktiseren van de islam op zichzelf past binnen de huidige seculariseringstendens en eiseres geen zwaarwegende problemen hierdoor heeft gehad en dit ook niet te verwachten valt. Ook heeft eiseres haar wens om met extreem religieuze mensen in gesprek te gaan over haar afvalligheid vooralsnog niet tot uitvoer gebracht en hoewel eiseres in Nederland digitaal en fysiek deelneemt aan activiteiten waarbij zij zich kritisch uitlaat over de islam, zien de activiteiten niet specifiek toe op haar afvalligheid of het uiten van die kritiek. Verweerder vindt het daarom niet aannemelijk dat eiseres haar afvalligheid bij terugkeer actief zal uiten nu zij dat in het verleden ook niet heeft gedaan. Het gegeven dat eiseres in Nederland geen hoofddoek draagt en discussies over het geloof aangaat, maakt het oordeel volgens verweerder niet anders. Zij heeft dit in Iran soms ook gedaan. 6.4. De rechtbank is van oordeel dat de motivering van verweerder in deze tekortschiet. Zo heeft verweerder de verklaringen van derden niet kenbaar in deze context bij zijn beoordeling betrokken en enkel aangegeven dat dit over reeds geloofwaardig bevonden onderdelen gaat. Ook blijkt niet dat verweerder de verklaring van eiseres hierbij betrokken heeft dat niets in de wereld haar zo’n goed gevoel geeft als dansen, waar zij in Iran illegaal les in gaf maar wat door de politie werd stopgezet . Wat gelet op haar opleidingsachtergrond en het feit dat zij dit in Nederland weer heeft opgepakt, een belangrijk onderdeel van haar leven lijkt zoals ook ter zitting aangegeven. Waarom dansen of het niet willen dragen van een hoofddoek niet meer is dan enkel desinteresse in de islam, volgt niet uit het bestreden besluit. Ook ter zitting heeft verweerder geen voorbeelden kunnen geven van uitingen die wel de drempel van een wezenlijk onderdeel van de religieuze identiteit halen en is niet duidelijk gebleken waarom eiseres die drempel niet haalt. Te meer zo nu eiseres uitvoerig heeft verklaard over waar haar afkeer richting de islam vandaan komt, waaronder – kort gezegd – het gebrek aan keuzevrijheid en de positie van vrouwen ten opzichte van mannen . De reactie van verweerder ter zitting dat de uitingen van eiseres in Nederland niet wezenlijk afwijken van hoe zij zich daarvoor uitte, wordt door de rechtbank niet gevolgd nu hieruit, nog los van de vraag of deze inderdaad niet wezenlijk afwijken van haar eerdere uitingen, niet blijkt dat dit tot de conclusie moet leiden dat de uitingen zoals deze nu worden gedaan geen wezenlijk onderdeel van haar religieuze identiteit kunnen zijn. 6.5. De rechtbank overweegt voorts dat uit het algemeen ambtsbericht inderdaad volgt dat niet iedere Iraanse burger wordt ondervraagd bij terugkeer zoals verweerder op gewezen, maar uit datzelfde ambtsbericht volgt ook dat het risico dat iemand bij aankomst wordt ondervraagd groot is als diegene lang in het buitenland heeft verbleven. Dat eiseres in het verleden niet eerder is ondervraagd bij terugkeer naar Iran doet hier niets aan af, nu dat ging om enkele korte bezoeken in het buitenland. Thans is eiseres al drie jaar in Nederland. 6.6. Verweerder heeft op grond van het voorgaande ook onvoldoende gemotiveerd dat van eiseres terughoudendheid verwacht kan worden bij de grens indien zij bij terugkeer ondervraagd wordt dan wel in hoeverre van eiseres verwacht mag worden dat zij zich terughoudend opstelt binnen de Iraanse samenleving. Politieke activiteiten 7. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder het bestreden besluit ook voor wat betreft de politieke activiteiten onvoldoende heeft gemotiveerd. Verweerder heeft namelijk aangenomen dat eiseres een politieke overtuiging heeft, maar vervolgens bij de zwaarwegendheidstoets niet betrokken in welke mate eiseres haar politieke overtuiging bij terugkeer zal uiten. Verweerder heeft alleen gekeken naar hoe eiseres haar politieke overtuiging in het verleden en in Nederland heeft geuit en geconcludeerd dat zij daardoor geen problemen heeft ondervonden. Ook heeft verweerder bij deze beoordeling de verklaringen van derden niet kenbaar in deze context betrokken en enkel aangegeven dat dit over reeds geloofwaardig bevonden onderdelen gaat. In het nieuw te nemen besluit zal verweerder echter ook moeten betrekken hoe eiseres haar politieke activiteiten in Iran wenst te uiten en daarbij moeten ingaan op wat de risico’s voor eiseres zijn in dat geval. Dat niet is gebleken dat eiseres tot op heden niet in de negatieve aandacht staat van de Iraanse autoriteiten in verband met haar politieke activiteiten is daarvoor onvoldoende. 7.1. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Vanwege de aard van het gebrek ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, een bestuurlijke lus toe te passen of om zelf in de zaak te voorzien. 7.2. Nu de rechtbank voldoende reden ziet om het bestreden besluit te vernietigen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de overige gronden, voor zover aangevoerd, te behandelen. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op de aard van het gebrek geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. 8.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. 8.2. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1) . Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op om opnieuw op de asielaanvraag van eiseres te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:94, en van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5349. Zie WI 2022/3 pag. 18. Verslag nader gehoor, pag. 11. Verslag aanvullend gehoor, pag. 9 en 10. Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:63, onder r.o. 11. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...