Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:27820

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-11-10
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.13533
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
13.698 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel. Verweerder heeft de door eiser gestelde problemen met de Taliban niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM vanwege Tadzjiekse etniciteit. Beroep is ongegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.13533 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.W.F. Menick), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. G. Erdal). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 12 februari 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 17 maart 2023 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond . 1.1. De rechtbank heeft het beroep eerst op 25 juni 2025 op zitting behandeld. Eisers gemachtigde en een tolk waren aanwezig. Eiser zou aan de zitting deelnemen via een telefoonverbinding. Verweerder was hierbij afwezig. Tijdens de zitting bleek echter dat niet eiser telefonisch deelnam aan de zitting, maar zijn broer. Nu zowel eiser als verweerder niet ter zitting aanwezig waren en de rechtbank, gelet op de samenhang tussen de zaken van beide broers, van mening was dat deze samen behandeld zouden moeten worden, is het onderzoek heropend en is een nieuwe zitting gepland. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, W.M. Mamik als tolk en de gemachtigde van verweerder. De zaak van eisers broer ( [naam 1] met zaaknummer NL25.13534) is tegelijk op zitting behandeld en hij heeft ook aan de zitting deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Op 20 december 2022 heeft eiser in Oostenrijk een asielaanvraag ingediend. Eiser is kort daarna echter vertrokken en heeft in Nederland een asielaanvraag gedaan. Verweerder was naar aanleiding hiervan voornemens om eisers asielaanvraag niet in behandeling te nemen en hem over te dragen aan de Oostenrijke autoriteiten. Omdat deze overdracht echter niet op tijd heeft plaatsgevonden, is eiser alsnog opgenomen in de eigen nationale procedure. Het asielrelaas 3. Eiser heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Via zijn broer heeft eiser [naam 2] leren kennen, een generaal van de politie onder het oude Afghaanse regime. [naam 2] heeft bij hun vader de bovenverdieping van hun woning kunnen huren voor vergaderingen en evenementen van de politie. Nadat de Taliban de macht heeft gegrepen, hebben zij in 2021 bij eiser en zijn familie een inval gedaan. Op de bovenverdieping hebben zij in een afgesloten ruimte wapenholsters, kogels en een laptop van [naam 2] gevonden. Eisers vader en zijn jongste broer [naam 3] zijn twee keer meegenomen voor ondervraging door de Taliban, waarbij is verklaard dat zij [naam 2] kenden, maar hun familieleden niet voor haar of de overheid werkten. Omdat de Taliban op zoek is naar [naam 2] , zijn zij ook op zoek naar eiser gezien zijn band met haar. Samen met zijn broer [naam 4] is eiser gevlucht. De jongste broer van eiser ( [naam 3] ) is begin 2025 nog opgepakt en een aantal weken vastgehouden en ondervraagd. Hij is hier ernstig getraumatiseerd van teruggekomen. Bij terugkeer vreest eiser een ergere behandeling door de Taliban dan die zijn jongste broer heeft gehad. Het bestreden besluit 4. Verweerder heeft twee asielmotieven herleid uit het asielrelaas van eiser. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofd. De problemen vanwege de huurovereenkomst met [naam 2] worden deels geloofwaardig bevonden. Zo wordt wel geloofd dat eisers vader met [naam 2] een huurovereenkomst had en dat zijn vader is meegenomen voor ondervraging. Niet wordt geloofd dat de Taliban nu ook op zoek zijn naar eiser en zijn broer. Hiertoe wordt overwogen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder komt daarom tot de conclusie dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 EVRM . Daarbij wordt eiser een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken. Wat vindt eiser in beroep? 5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. In de eerste plaats verwijst eiser naar zijn zienswijze. Daarnaast wordt aangevoerd dat [naam 2] en haar dochter in Nederland een asielvergunning hebben gekregen vanwege het gevaar dat zij lopen voor de Taliban. Gelet op de band van eiser met hen, geldt dit gevaar evengoed voor hem. Uit openbare bronnen volgt dat overheidsdienaren gevaar lopen en eiser zal bij terugkeer gedwongen worden informatie over [naam 2] te verstrekken. Dat eisers broer [naam 3] nu een tijd met rust is gelaten geeft geen garantie tegen toekomstige acties van de Taliban. Daarnaast kan niet verwacht worden dat eiser gedetailleerd verklaart over de gevangenneming van [naam 3] , nu hij dit van zijn vader heeft vernomen. Ook zal eiser vanwege zijn Tadzjiekse etniciteit harder aangepakt worden, nu zij vaak door de Taliban worden gezien als NRF -sympathisanten. Dat eiser hierover niet eerder heeft verklaard, doet aan het voorgaande niet af. Daarnaast vormt de omstandigheid dat eiser inmiddels westerse kleding draagt, op een andere manier bidt dan wordt voorgeschreven, niet de vereiste lengte baard heeft en zich, kort samengevat, niet wil aanpassen aan de voorschriften van de Taliban, een bijzondere individuele omstandigheid op grond waarvan hij bij terugkeer een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM loopt. Tot slot is het bestreden besluit in strijd met artikel 8 EVRM. Wat is het oordeel van de rechtbank? Herhaald en ingelast 6. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van de zienswijze kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van oordeel is dat het besluit onrechtmatig tot stand gekomen is dan wel gebreken bevat. Dit wordt dan ook niet aangemerkt als een beroepsgrond. De rechtbank zal zich in de behandeling beperken tot de gronden zoals deze in beroep zijn aangevoerd en toegelicht. Geloofwaardigheidsbeoordeling 7. Verweerder heeft eiser kunnen tegenwerpen dat hij zijn relaas voor wat betreft de gestelde problemen niet volledig met objectieve documenten heeft onderbouwd. Verder vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Hiervoor heeft verweerder eiser tegen kunnen werpen dat zijn vader tegenover de Taliban heeft ontkend dat eiser ooit voor de overheid heeft gewerkt. Ook stond zijn naam niet op het huurcontract met [naam 2] . Eiser is ook persoonlijk nooit benaderd door de Taliban, terwijl zij wisten waar hij woonde. Daarom is niet aannemelijk geworden dat eiser in de negatieve belangstelling van de Taliban stond of dat zij naar hem op zoek zijn. De omstandigheid dat [naam 2] en [naam 5] een asielvergunning is verleend, doet aan het voorgaande niet af, nu het in deze procedure gaat om de vrees die eiser zelf zegt te hebben. De overgelegde landeninformatie werpt geen ander licht op de zaak, nu die ziet op mensen die voor de overheid hebben gewerkt. Van belang hierbij is dat deze groep niet meer als risicoprofiel aangemerkt wordt en dat eiser niet onder deze categorie valt. Dat zijn jongste broer [naam 3] in 2025, dus enkele jaren na de door eiser verklaarde problemen, nog zou zijn meegenomen vanwege mogelijke banden met [naam 2] , wordt niet gevolgd. Dit nu de familie, buiten de meldplicht die aan vader en [naam 3] zou zijn opgelegd, in de tussentijd geen problemen heeft ondervonden. 7.1. Kort voor de zitting heeft eiser nog een tweetal korte videofragmenten en een verklaring van [naam 5] . De verklaring van [naam 5] bevat een bevestiging van de huurovereenkomst en de omstandigheden rondom het gebruik van de bovenverdieping en hun vertrek uit Afghanistan. Deze verklaring leidt niet tot een ander oordeel, nu al is uitgegaan van de geloofwaardigheid van het bestaan van de huurovereenkomst tussen [naam 2] en eisers vader. De korte videofragmenten zijn volgens eiser van medio september 2025 en gesteld wordt dat hierop te zien is dat eisers vader door de Taliban wordt mishandeld. Eisers verklaring hierbij is dat zijn familie werd aangehouden terwijl zij Afghanistan illegaal per auto uit wilden reizen met hulp van een smokkelaar. Zij zijn opgepakt, zijn vader is van de rest van de familie gescheiden en sindsdien hebben zij hem niet meer gezien. De overige familieleden zijn na een dag weer vrijgelaten. Eiser en zijn broer zouden hierop ook telefonisch zijn bedreigd door de Taliban. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat niet valt te verifiëren dat de man op de beelden de vader van eiser is. Ook blijkt niet van welke datum deze beelden zijn of wat de aanleiding van dit incident is. Daarbij is van belang dat, zelfs als er van zou worden uitgegaan dat het de vader van eiser betreft, hieruit nog steeds niet blijkt dat eiser persoonlijk te vrezen heeft voor de Taliban. De enkele stelling van eiser dat hij telefonisch zou zijn bedreigd is niet onderbouwd, dus leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft hier dan ook, mede gelet op de overige tegenwerpingen, niet de waarde aan hoeven hechten die eiser eraan gehecht wil zien. 7.2. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder eisers problemen met de Taliban niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. Vrees bij terugkeer 8. Niet is gebleken dat eiser ooit problemen heeft ondervonden vanwege zijn Tadzjiekse etniciteit. De brief van VWN waar eiser naar heeft verwezen, brengt daar geen verandering in, nu daarin algemene informatie is opgenomen en dit niet direct betrekking heeft op eiser. 8.1. Verder heeft eiser aangevoerd te zijn verwesterd en bij terugkeer niet voornemens te zijn om zich te confirmeren aan de leefregels van de Taliban. Zo draagt hij westerse kleding, draagt hij niet de vereiste lengte baard en wil hij op zijn manier kunnen bidden. Verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat niet is gebleken dat eiser ooit problemen heeft gehad met de Taliban voor wat betreft hun leefregels. Evenmin is aannemelijk geworden dat er aanleiding is te veronderstellen dat dit bij terugkeer anders zal zijn. Van een principiële overtuiging van eiser op dit vlak, die bij terugkeer eventueel tot onoverkomelijke problemen kan leiden, is niet gebleken. Ditzelfde geldt voor het aangevoerde over het bidden. Niet is onderbouwd dat de Taliban zouden willen dat eiser op een andere manier bidt dan hij dat wil en verder belijdt eiser nog altijd de islam. Ook draagt eiser een baard en is niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer moeite zou hebben met de voorgeschreven lengte daarvan. Daarbij zijn eisers gestelde problemen met de Taliban, zoals eerder overwogen, niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden. 8.2. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan heeft te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Artikel 8 van het EVRM 9. Voor zover voor eiser, net als voor zijn broer, een beroep is gedaan op artikel 8 van het EVRM, merkt de rechtbank op dat niet gemotiveerd is gesteld of gebleken dat eiser familieleven of privéleven uitoefent in Nederland of dat er in zijn asielaanvraag een expliciet dan wel impliciet beroep op artikel 8 van het EVRM besloten ligt. Verweerder heeft dan ook tegen kunnen werpen dat hij aan deze ambtshalve toets niet is toegekomen. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser zal Nederland na afloop van de vertrektermijn moeten verlaten. 10.1. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Verwezen wordt naar het artikel ‘Afghanistan onder de Taliban: één jaar van gebroken beloften, wrede beperkingen en geweld’ van Amnesty International van 15 augustus 2022, en naar de beslisnota bij Kamerbrief landenbeleid Afghanistan nr. 4625043 van 2 oktober 2023, paragraaf 4.2.4. onder a) en b). National Resistance Force of Afghanistan. Verwezen wordt naar een informatieve brief met openbare landeninformatie van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) die aan eisers gemachtigde is gestuurd. Verslag nader gehoor, pag. 11. Zie paragraaf C7/2.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Verslag nader gehoor, pag. 12.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...