Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:27795

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-12-30
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL24.48699
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
17.833 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

VA Rwanda, politieke overtuiging, onvoldoende in onderlinge samenhang relaas en documenten beoordeeld, risico op ernstige schade bij terugkeer ondeugdelijk gemotiveerd, beroep gegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL24.48699 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. J.M.M. Heilbron), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag aan de hand van die beroepsgronden. 1.1. De rechtbank komt tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven, omdat die in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel . Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft de Rwandese nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1981. Hij heeft op 10 oktober 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 december 2024 de aanvraag afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde deelgenomen. Als tolk in de taal Kinyarwanda was D. Bucura op de zitting aanwezig. De minister heeft zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor vervolging in Rwanda vanwege zijn politieke overtuiging. Eiser heeft een manuscript geschreven over de wijze waarop er in Rwanda tegen Hutu’s en Tutsi’s en hun rol in de samenleving wordt aangekeken. Over dat manuscript is hij in februari 2022 ondervraagd door het Rwandan Investigation Bureau (het RIB). Eiser heeft verklaard dat de Rwandese autoriteiten (de autoriteiten) hem daarom ook op een zwarte lijst hebben gezet. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij problemen heeft met de autoriteiten, omdat hij in juni 2022 heeft geweigerd om voor het RIB te spioneren. Ook heeft eiser zich aangesloten bij een discussiegroep en een belangenorganisatie en zich online anoniem uitgelaten over de autoriteiten. 4. Eiser heeft gedurende de asielprocedure documenten overgelegd om zijn asielrelaas te onderbouwen. In beroep heeft eiser drie kopieën van oproepen van het RIB overgelegd. Eiser heeft op zitting verklaard dat deze oproepen naar zijn oude adres in Rwanda zijn verstuurd en hij de kopieën van een buurman heeft ontvangen. Eiser heeft de buurman gevraagd om de originele exemplaren van de oproepen naar Nederland te versturen. Dat heeft de buurman geprobeerd, maar is niet gelukt. Toen de Rwandese buurman naar Oeganda wilde reizen om de originele oproepen vanuit daar te versturen, zijn de oproepen door de autoriteiten aan de grens in beslag genomen. Ook heeft eiser in beroep een eigen schriftelijke verklaring en een schermafbeelding van een whatsappgesprek met een vriend en oud-collega, [persoon 1] , overgelegd. Op zitting heeft eiser toegelicht dat zijn schriftelijke verklaring en de schermafbeelding geen informatie bevatten die zien op zijn persoonlijke situatie, maar deze documenten wel onderbouwen dat het vaker voorkomt dat personen in Rwanda in de gaten worden gehouden en worden vervolgd. Het bestreden besluit 5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: 1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; 2. de militaire dienstplicht en mishandeling in 1996; 3. de ondervraging vanwege het concept van het boek (manuscript); 4. het kritische Facebookbericht over de regering; 5. de problemen vanwege het weigeren van de hulp aan de geheime dienst; 6. de politieke overtuiging van eiser. 6. Met uitzondering van het vijfde motief acht de minister alle motieven van het asielrelaas geloofwaardig. De minister heeft zich echter op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging. Volgens de minister is het niet aannemelijk dat de autoriteiten op de hoogte zijn van de politieke overtuiging van eiser en hem op een zwarte lijst hebben gezet. Daarnaast is het volgens de minister ook niet aannemelijk dat de autoriteiten bij terugkeer van eiser alsnog op de hoogte geraken van zijn politieke overtuiging. Volgens de minister doet eiser aan zelfcensuur door online pseudoniemen te gebruiken en valt niet in te zien dat eiser in de toekomst openbaar kritiek zal leveren op de autoriteiten. 7. Over de overgelegde verklaringen van derden stelt de minister zich per afzonderlijk document op het standpunt dat de verklaringen niet objectief en onafhankelijk zijn en zijn oordeel niet veranderen. De door eiser overgelegde algemene landeninformatie ziet volgens de minister op de algemene situatie van politiek opposanten in Rwanda en dat zegt niets over de persoonlijke situatie van eiser. Over de in beroep overgelegde documenten heeft de minister geen standpunt ingenomen. De problemen vanwege het weigeren van de hulp aan de geheime dienst 8. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat hij problemen heeft vanwege het weigeren van hulp aan de geheime dienst door voor hen te spioneren. Volgens eiser is de motivering in het bestreden besluit tegenstrijdig, omdat de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat niet geloofwaardig is dat eiser door de geheime dienst is gevraagd om te spioneren, maar dat dit ook niet uitgesloten is. Daarnaast voert eiser aan dat de minister geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn asielrelaas heeft gemaakt en daarom niet ongeloofwaardig heeft kunnen achten dat eiser is gevraagd om te spioneren voor de geheime dienst. 8.1. De rechtbank stelt vast dat de minister zich in het bestreden besluit inderdaad op het standpunt heeft gesteld dat niet is uitgesloten dat het RIB eiser heeft proberen te ronselen om te spioneren. Eiser gaat er echter aan voorbij dat de minister aan het standpunt dat de gestelde problemen vanwege het weigeren van hulp aan de inlichtingendienst niet geloofwaardig zijn, ten grondslag heeft gelegd dat het hem niet duidelijk is waarom juist eiser is gevraagd om voor het RIB te werken. Het valt volgens de minister niet met elkaar te rijmen dat eiser in februari 2022 door het RIB is ondervraagd vanwege zijn manuscript en in juni 2022 door dezelfde autoriteiten is gevraagd om te spioneren. 8.2. Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen tegenstrijdige motivering, maar geeft de minister met deze motivering en de rest van het bestreden besluit inderdaad geen blijk van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. De minister moet de geloofwaardigheid van de asielmotieven beoordelen aan de hand van de eigen verklaringen van eiser, maar daarnaast ook kijken naar alle andere informatie in het dossier. Dat heeft de minister niet kenbaar gedaan. Zo heeft de minister de verklaringen van derden niet ter zijde kunnen schuiven, alleen omdat deze niet objectief zouden zijn en de documenten afzonderlijk de gestelde problemen met de autoriteiten niet aannemelijk maken. De rechtbank volgt de minister ook niet in zijn standpunt dat de algemene landeninformatie over politieke opposanten in Rwanda niks zegt over de situatie van eiser. Algemene landeninformatie schetst immers een beeld van de gang van zaken in een land en de persoonlijke situatie van eiser moet dan ook worden bekeken in het licht van die informatie. Op de zitting heeft eiser hierover ook verklaard dat de Rwandese overheid critici over het algemeen eerst angst inboezemt en vervolgens hen aan hun kant probeert te krijgen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister ten onrechte het vijfde motief van het asielrelaas van eiser niet in onderlinge samenhang heeft beoordeeld met de rest van het asielrelaas en de overgelegde documenten. 8.3. De beroepsgrond slaagt. Gegronde vrees voor vervolging vanwege de politieke overtuiging van eiser 9. Volgens eiser is het tegenstrijdig dat de minister geloofwaardig acht dat hij door de autoriteiten is ondervraagd vanwege zijn manuscript, maar de autoriteiten niet op de hoogte zouden zijn van zijn politieke overtuiging. Eiser voert aan dat hij ten aanzien van de zwarte lijst in bewijsnood verkeert en dat de minister tot de conclusie had moeten komen dat hij aan de vijf cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 voldoet. Eiser heeft verklaringen, foto’s en landeninformatie overgelegd om aannemelijk te maken dat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten en de minister heeft daar volgens hem onvoldoende rekening mee gehouden. Ook in dit kader voert eiser aan dat de minister zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet aannemelijk is dat de autoriteiten op de hoogte zijn van zijn politieke overtuiging zonder een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn asielrelaas en alle overgelegde documenten te maken. 9.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging in Rwanda. De motivering van de minister dat aan de ene kant geloofwaardig is dat eiser is ondervraagd vanwege het manuscript, maar aan de andere kant niet aannemelijk is dat diezelfde autoriteiten op de hoogte zijn van de politieke overtuiging van eiser, acht de rechtbank tegenstrijdig. De enkele tegenwerping van de minister dat eiser legaal is uitgereisd, is naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende om aan te nemen dat eiser niet in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten. Daarbij is de minister niet ingegaan op de omstandigheden dat eiser een Canadees visum had, heeft verklaard dat hij zijn USAID badge heeft laten zien en met een tussenlanding in Oeganda is gereisd. De rechtbank volgt eiser in zijn betoog dat hij ten aanzien van de zwarte lijst, waarop zijn naam zou staan, in bewijsnood verkeert. Het is daarom aan de minister om, gelet op de samenwerkingsverplichting en de geloofwaardige motieven van het asielrelaas van eiser, de tegenwerping dat de autoriteiten niet op de hoogte zouden zijn van de politieke overtuiging, te relateren aan de algemene landeninformatie en vergelijkbare asielrelazen van andere vreemdelingen. Dat heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gedaan. 9.2. Ook in dit kader is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd welk gewicht aan de inhoud van al het overgelegde bewijsmateriaal in onderling verband toekomt. Zo heeft de minister de overgelegde verklaringen en foto’s van [persoon 2] , die volgens eiser voor de autoriteiten heeft gewerkt en hem op de hoogte heeft gesteld van zijn vermelding op een zwarte lijst, bijvoorbeeld niet ter zijde kunnen schuiven door zich enkel op het standpunt te stellen dat deze niet objectief zijn. De minister moet daarom motiveren waarom volgens hem geen gegronde vrees bestaat voor vervolging vanwege de politieke overtuiging van eiser en daarbij alle overgelegde bewijsmiddelen, inclusief de kopieën van de oproepen die in beroep zijn overgelegd, te betrekken. 9.3. De beroepsgrond slaagt. Het risico op ernstige schade bij terugkeer naar Rwanda 10. Eiser betoogt dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat hij bij terugkeer naar Rwanda geen risico loopt op ernstige schade. Volgens eiser heeft de minister hem namelijk ten onrechte tegengeworpen dat hij geen actief opposant is van het regeringsbeleid en daar dus bij terugkeer ook geen uiting aan zal geven. 10.1. De rechtbank volgt eiser in zijn betoog dat in het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd dat eiser geen risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Rwanda. Zelfs al had de minister deugdelijk gemotiveerd dat de autoriteiten niet op de hoogte zijn van de politieke overtuiging van eiser (zie daarover echter deze uitspraak onder 9.1 en 9.2), dan nog heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd dat de autoriteiten daarvan niet op de hoogte zullen geraken bij terugkeer van eiser. Daarvoor is niet vereist dat de overtuiging zo diepgeworteld is dat eiser bij terugkeer naar Rwanda het uiten daarvan niet achterwege zou kunnen laten en daardoor slachtoffer zou kunnen worden van daden van vervolging. Betrokken moet worden welke activiteiten eiser bij terugkeer zou willen verrichten of hoe hij anderszins zijn opvatting, mening of gedachte zou willen uiten, en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Dat heeft de minister niet gedaan door enkel te betrekken dat eiser het manuscript niet heeft uitgegeven en zich tot nu toe alleen onder pseudoniemen kritisch heeft uitgelaten. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij voor zijn manuscript en uitingen op Facebook pseudoniemen heeft gebruikt, omdat hij geen andere optie zag. Zijn vrouw en kinderen zijn namelijk nog in Rwanda. Ook heeft eiser verklaard dat hij zich heeft aangesloten bij een discussiegroep en een belangenorganisatie, zich in de toekomst openlijk wil uiten en president wil worden. 10.2. De beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen 11. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat deze zaak zich daar niet voor leent. De minister moet namelijk opnieuw een beoordeling maken van het asielrelaas van eiser. De minister dient daarbij alle elementen van het asielrelaas en alle overgelegde documenten in onderlinge samenhang te bezien. Ook de in beroep door eiser overgelegde informatie zal de minister kenbaar bij zijn beoordeling moeten betrekken. 12. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken. 13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt daarom in totaal € 1.814,-. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 2 december 2024; - draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Klinkhamer, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Het gaat om de discussiegroep [groep 1] waar eiser het pseudoniem [naam 1] gebruikte en de organisatie [groep 2] , een belangenorganisatie voor overlevenden van de genocide in Rwanda, waar eiser het pseudoniem [naam 2] gebruikte. Het gaat onder meer om zijn paspoort met Canadees visum, algemene landeninformatie over Rwanda, een kopie van het manuscript, verklaringen van derden, foto’s, printscreens van whatsappberichten en een link naar de Facebookpagina van eiser. Op deze kopieën staat dat de oproepen dateren van 11 maart 2024, 20 september 2024 en 27 september 2024. Dat is in strijd met artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000. Vreemdelingenwet 2000. Uit het Thematisch ambtsbericht met betrekking tot de mensenrechten en de rechtsstaat in Rwanda (juni 2023) volgt dat de grens tussen Rwanda en Oeganda in 31 januari 2022 is heropend en burgers met een nationale identiteitskaart tussen de landen kunnen reizen, p. 37 en 38. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1499. Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, 202003129/2/V2, onder 10 en 11. Op zitting heeft eiser verklaard dat zijn vrouw en kinderen zijn ondergedoken bij de ouders van zijn vrouw en zijn kinderen worden bedreigd. Verslag aanvullend gehoor van 5 juni 2024, p. 16 en 17.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...