ECLI:NL:RBDHA:2025:27572
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2025-12-23
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Mondelinge uitspraak. Mensenhandel. Intrekking vergunning wegens beleid. Beroep ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL24.46894 V-nummer: [v-nummer] proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , geboren op [geboortedag] 1989, met de Ugandese nationaliteit, eiseres (gemachtigde: mr. K. Ross), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister) (gemachtigde: mr. A. Noordeloos). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning bij besluit van 9 augustus 2024. 1.1. Met het bestreden besluit van 30 oktober 2024 heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. 1.2. De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 16 december 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting. 1.3. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Beoordeling door de rechtbank Vrijstelling griffierecht 2. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht voor de behandeling van het beroep wegens betalingsonmacht. Met het door eiseres overgelegde formulier heeft zij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom toegewezen. Ten aanzien van het beroep 2.1. Eiseres heeft op 8 mei 2024 aangifte gedaan van mensenhandel als bedoeld in artikel 237, aanhef en onder f van het Wetboek van Strafrecht. Vervolgens is aan eiseres een verblijfsvergunning verleend op grond van de Verblijfsregeling Mensenhandel voor de periode van 14 mei 2024 tot 14 mei 2025. Op 9 augustus 2024 heeft de minister die verblijfsvergunning ingetrokken. 2.2. Aan de orde is de vraag of de minister de verblijfsvergunning terecht heeft ingetrokken. Eiseres vindt van niet. Zij wijst erop dat de minister daarmee had moeten wachten totdat op het beklag was beslist en dat de intrekking grote gevolgen voor haar heeft. 2.3. Niet in geschil is dat het Openbaar Ministerie (OM) op 21 mei 2024 heeft laten weten dat de verklaring en het verrichte onderzoek door de politie niet tot een nader strafrechtelijk onderzoek kan leiden. De zaak is voortijdig beëindigd omdat er geen nadere aanknopingspunten zijn om tot mogelijke verdachten te komen. 2.4. In hoofdstuk B8/3.2 van de Vreemdelingencirculaire is bepaald dat de minister de verblijfsvergunning van een slachtoffer van mensenhandel dat aangifte heeft gedaan of anderszins heeft meegewerkt intrekt als geen sprake meer is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend. 2.5. De rechtbank is van oordeel dat de minister de vergunning van eiseres terecht heeft ingetrokken conform zijn beleid. Bij beslissing van 21 mei 2024 heeft de officier van justitie immers besloten de zaak voortijdig te beëindigen. Hierdoor voldoet eiseres niet meer aan de voorwaarden van de aan haar verleende verblijfsvergunning. 2.6. Dat de minister had moeten wachten met de intrekking totdat op het beklag is beslist, volgt de rechtbank niet. Uit het beleid van de minister volgt namelijk dat het instellen van beklag geen rechtmatig verblijf oplevert. Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 oktober 2018. Overigens heeft eiseres in bezwaar al aangegeven dat zij van plan is een artikel 12-procedure te starten, maar is tot op heden niet gebleken dat zij daadwerkelijk een beklagprocedure is gestart. 2.7. Verder is de rechtbank het met de minister eens dat hij geen toepassing hoefde te geven aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. In bezwaar heeft eiseres immers alleen aangegeven dat de intrekking grote gevolgen heeft voor haar, zonder dit verder toe te lichten. Ook in beroep heeft eiseres de door haar gestelde bijzondere omstandigheden niet voldoende onderbouwd. De enkele stelling dat het grote gevolgen heeft, omdat met de intrekking direct alle hulp voor slachtoffers stopt, waaronder opvang met extra waarborgen, is onvoldoende. Eiseres heeft op geen enkele manier onderbouwd dat dit ook in het specifieke geval van haar belangrijk is voor haar mentale en fysieke gesteldheid. Conclusie en gevolgen 3.1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten. 3.2. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025 door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000. In de zin van een artikel 12-procedure. Zie artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering. ECLI:NL:RVS:2018:3309.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...