Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:25445

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-12-29
Procedure
Tussenuitspraak
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL24.31749
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
100.694 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Prejudiciële vraag 15c richtlijn 2011/95 / Syrië – Eiser komt uit Ruraal Damascus in Syrië en heeft op 16 maart 2023 een asielaanvraag ingediend – De rechtbank heeft in deze procedure reeds twee tussenuitspraken gedaan en het geschil deels beoordeeld. De rechtbank moet nu bepalen wat het niveau van willekeurig geweld is om te beoordelen of aan eiser door toepassing van de zogenoemde ‘glijdende schaal’ subsidiaire bescherming moet worden verleend. Uit het AAB Syrië 2025 en EUAA-rapporten blijkt dat sprake is van een ernstige humanitaire crisis. Op grond van het beleid dat verweerder voert worden humanitaire omstandigheden niet betrokken bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict. Het Hof heeft in een eerdere verwijzing uit 2022 de vraag of humanitaire omstandigheden, die een (in)direct gevolg van handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade zijn, betrokken dienen te worden bij de beoordeling of een verzoeker behoefte aan subsidiaire bescherming niet inhoudelijk beantwoord. De Afdeling heeft op 16 juli 2025 in procedures waarin het niveau van willekeurig geweld in Jemen onderwerp van geschil was geoordeeld dat humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict als relevante omstandigheid bij deze globale beoordeling moeten worden betrokken. De rechtbank is het eens met dit door de Afdeling uiteengezette beoordelingskader. In de onderhavige procedure is in dit verband echter door het standpunt dat verweerder inneemt een andere rechtsvraag gerezen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het actor-vereiste zodanig strikt moet worden uitgelegd dat alleen humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van willekeurig geweld dat is uitgeoefend door strijdende partijen die deelnemen aan het thans aan de gang zijnde conflict hoeven te worden betrokken bij 15c. Volgens verweerder is Assad door de val van zijn regime geen actor meer in het gewapende conflict en kunnen de humanitaire omstandigheden die zijn veroorzaakt vóór de val van Assad daarom buiten beschouwing worden gelaten. De rechtbank vraagt zich af of deze strikte toepassing van het actor-vereiste verenigbaar is met de subsidiaire beschermingsregeling. Uit de landeninformatie kan niet worden afgeleid welke actor van ernstige schade wanneer welke humanitaire omstandigheden heeft veroorzaakt door handelen of door nalaten. Tevens is niet vast te stellen in hoeverre de droogte mede de humanitaire crisis heeft veroorzaakt. De strikte toepassing van het actor-vereiste, zoals door verweerder bepleit, brengt een onevenredige bewijslast voor eiser mee. Voor verweerder, die gelet op de samenwerkingsplicht gehouden is om zo nodig actief met eiser samen te werken, zal een strikte toepassing van het actor-vereiste tot vergelijkbare problemen leiden. Indien er geen gewapend conflict is of indien gedurende een dergelijk conflict geen sprake is van willekeurig geweld, bestaat er geen aanspraak op subsidiaire bescherming op grond van artikel 15c van richtlijn 2011/95. Tegelijkertijd heeft echter te gelden dat de actuele situatie waarin eiser na terugkeer zou komen te verkeren moet worden beoordeeld en dat het besluit waarin de asielaanvraag van eiser is afgewezen, bovendien een terugkeerbesluit omvat. De bescherming tegen refoulement die de Uniewetgever in richtlijn 2008/115 heeft verankerd, heeft een absoluut karakter en kent geen actor-vereiste. De rechtbank meent dat een minder strikte toepassing van het actor-vereiste bij het bepalen van het niveau van willekeurig geweld in die zin dat alle humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van willekeurig geweld in het kader van een ononderbroken gewapend conflict bij deze beoordeling moeten worden betrokken, een redelijke en aanvaardbare uitlegging van artikel 15c van richtlijn 2011/95 is. Ten aanzien van de in deze procedure opgekomen rechtsvraag is inmiddels sprake van divergentie in de lagere rechtspraak. De lidstaten passen artikel 15c van richtlijn 2011/95 ten aanzien van de vraag of humanitaire omstandigheden, die een (in)direct gevolg van handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade zijn dienen te worden betrokken bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld, bovendien niet uniform toe. De rechtbank stelt een prejudiciële vraag aan het Hof om een einduitspraak in de onderhavige procedure te kunnen doen en doet het Hof een voorstel voor beantwoording van deze vraag. De behandeling van het beroep wordt aangehouden totdat het Hof de prejudiciële vraag heeft beantwoord.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL24.31749 verwijzing verwijzingsuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1984, Syrische nationaliteit, verzoeker in het hoofgeding, (gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder in het hoofdgeding, (gemachtigden: mr. A. Bondarev, mr. I.A.G. Lodders, mr. M.F. van der Lubbe). Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van de navolgende prejudiciële vraag: “Dienen humanitaire omstandigheden die kunnen bijdragen aan een ernstige en individuele bedreiging van het leven van een burger of persoon en die een gevolg zijn van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict, bij het bepalen van het niveau van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011/95 in aanmerking te worden genomen? Zo ja, welke mate van causaal verband is vereist tussen het willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict en deze humanitaire omstandigheden?” De rechtbank geeft het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van de rechtbank als volgt te beantwoorden: “Artikel 15c van richtlijn 2011/95 dient aldus te worden uitgelegd dat humanitaire omstandigheden die kunnen bijdragen aan een ernstige en individuele bedreiging van het leven van een burger of persoon en die een direct of indirect gevolg zijn van willekeurig geweld dat door een actor van ernstige schade op enig moment in een ononderbroken gewapend conflict is uitgeoefend, bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011/95 in aanmerking moeten worden genomen.” Procesverloop Verzoeker in het hoofdgeding (hierna: verzoeker) heeft op 16 maart 2023 een verzoek om internationale bescherming ingediend. Bij besluit van 16 juli 2024 heeft verweerder in het hoofdgeding (hierna: verweerder) het verzoek om internationale bescherming afgewezen als ongegrond en tevens bepaald dat verzoeker geen verblijfsvergunning op grond van nationale regelgeving of beleid krijgt en aan hem ook geen uitstel van vertrek om medische redenen wordt verleend. Dit besluit omvat een terugkeerbesluit waarin verzoeker, gelezen in samenhang met het voornemen , wordt opgedragen Nederland binnen vier weken te verlaten en dit besluit bevat de mededeling dat eiser wordt gesignaleerd in het Schengen Informatie Systeem. Verzoeker heeft op 12 augustus 2024 beroep ingesteld tegen het besluit. De rechtbank heeft in het hoofdgeding, na de behandeling van het beroep ter zitting op 2 juni 2025, een tussenuitspraak gedaan op 5 juni 2025 . Verweerder heeft op 16 juli 2025 een aanvullend besluit genomen en zijn beslissing dat aan verzoeker geen internationale bescherming hoeft te worden verleend gehandhaafd. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep voortgezet op 29 juli 2025 en op 30 juli 2025 wederom een tussenuitspraak gedaan en verweerder in de gelegenheid gesteld om zijn besluit en aanvullende besluit met in achtneming van de tussenuitspraak nader te motiveren . De rechtbank heeft verzoeker in de gelegenheid gesteld om op de nadere motivering van verweerder te reageren. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep voortgezet op 9 december 2025. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. M.F. van der Lubbe. Na afloop van de behandeling ter zitting heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat het onderzoek ter zitting wordt gesloten. Bij bericht van 29 december 2025 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat het onderzoek wordt heropend omdat de rechtbank het noodzakelijk acht om een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie (hierna: het Hof). Overwegingen Inzet van het hoofdgeding en standpunten van partijen 1. Verzoeker heeft de Syrische nationaliteit en is afkomstig uit Arbin in Ruraal Damascus, Syrië. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om internationale bescherming zowel zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden, als het algemene niveau van geweld en de daaruit voortvloeiende humanitaire omstandigheden en onveiligheid in Syrië ten grondslag gelegd. 2. De rechtbank heeft in het hoofdgeding twee tussenuitspraken gedaan en het geschil tussen partijen reeds deels beslist, zoals uit het vervolg van deze uitspraak zal blijken. 3. Verzoeker komt niet in aanmerking voor vluchtelingrechtelijke bescherming. Dit is niet in geschil. De rechtbank dient thans te beoordelen of aan verzoeker subsidiaire bescherming als bedoeld in artikel 15 van richtlijn 2011/95 moet worden verleend. 4. In het arrest van 9 november 2023 in de zaak X, Y, heeft het Hof onder meer voor recht verklaard dat artikel 15 van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegde nationale autoriteit, om te bepalen of een persoon die om internationale bescherming verzoekt in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming, alle relevante elementen die betrekking hebben op zowel de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, als de algemene situatie in het land van herkomst moet onderzoeken, alvorens vast te stellen welk soort ernstige schade deze elementen eventueel kunnen staven . Het Hof heeft hierbij verduidelijkt dat het beoordelen van de mogelijke aanspraak op subsidiaire bescherming in twee onderscheiden fasen verloopt . 5. Verweerder heeft ten behoeve van de eerste fase van de beoordeling of aan verzoeker bescherming moet worden verleend, en dus bij het verzamelen en vaststellen van de feiten en omstandigheden die bewijzen tot staving van het verzoek om bescherming kunnen vormen, allereerst verzoeker gehoord. Om te kunnen beoordelen of internationale bescherming moet worden verleend, heeft verweerder tevens zogenoemd ‘landgebonden beleid’ geformuleerd. Voor verzoekers om internationale bescherming en voor de rechterlijke autoriteit die de besluiten van verweerder controleert, is daardoor kenbaar van welke duiding van algemene informatie over het land van herkomst verweerder uitgaat. Verweerder baseert dit landgebonden beleid hoofdzakelijk op zogenoemde ‘algemene ambtsberichten’ die worden opgesteld door het Ministerie van Buitenlandse Zaken en doorgaans een verzameling van openbare bronnen bevatten. 6. De rechtbank overweegt dat verzoeker niet uitsluitend vanwege zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. De rechtbank overweegt verder dat de humanitaire situatie in Syrië op zichzelf beschouwd, naar het voorlopige oordeel van de rechtbank, op dit moment niet zodanig erbarmelijk is dat sprake is van een met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM)-strijdige behandeling zoals geduid door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in het arrest van 28 juni 2011 in de zaak Sufi en Elmi . Er bestaan daarom, ten tijde van deze verwijzingsbeschikking, geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat de verzoeker, indien hij wordt teruggestuurd naar Ruraal Damascus, specifiek en individueel wordt blootgesteld aan een reëel risico op het ondergaan van de doodstraf, executie, foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Voor zover verzoeker in aanmerking zou komen voor subsidiaire bescherming, kan dit dus niet gestoeld zijn op artikel 15a en/of 15b van richtlijn 2011/95. Het geschil spitst zich in deze fase van de procedure toe op artikel 15c van richtlijn 2011/95. 7. Partijen in het hoofdgeding zijn het er over eens dat in Syrië sprake is van ‘een internationaal of binnenlands gewapend conflict’ als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011/95. Tevens zijn partijen het er over eens dat in Syrië en meer in het bijzonder in Ruraal Damascus, sprake is van ‘willekeurig geweld’ als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011/95. Er bestaat bij partijen ook geen twijfel over de omstandigheid dat verzoeker een ‘burger’ als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011/95 is. 8. Naar het voorlopige oordeel van de rechtbank is ten tijde van deze verwijzingsuitspraak in Ruraal Damascus in Syrië geen sprake van een uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict van dien aard is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat verzoeker als hij terugkeert, louter door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon. De rechtbank wijst er in dit verband op dat het EHRM in het arrest van 17 juli 2008, in de zaak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk heeft geduid wat moet worden verstaan onder de ‘most extreme cases of general violence ’en dat de Afdeling in haar einduitspraak in de procedure die tot het arrest van het Hof in de zaak Elgafaji heeft geleid, heeft geoordeeld dat de uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011/95 valt onder de ‘most extreme case of general violence’, als bedoeld in het arrest van het EHRM in de zaak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk . EUAA en verweerder nemen ook aan dat thans in Ruraal Damascus geen sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict van dien aard is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat verzoeker als hij terugkeert, louter door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon . 9. Het Hof heeft eerder verduidelijkt dat in andere, minder uitzonderlijke, situaties elementen die verband houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker wel relevant zijn en dat hoe meer de verzoeker het bewijs kan leveren dat hij specifiek wordt geraakt wegens elementen die eigen zijn aan zijn individuele situatie of persoonlijke omstandigheden, hoe minder willekeurig geweld zal zijn vereist opdat hij in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming krachtens artikel 15c van richtlijn 2011/95 . 10. De rechtbank zal om het hoofdgeding te kunnen beslechten moeten beoordelen wat het niveau van willekeurig geweld is om vervolgens te kunnen bepalen of aan verzoeker subsidiaire bescherming moet worden verleend door toepassing van de zogenoemde ‘glijdende schaal’ . Verzoeker heeft verklaringen afgelegd over zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden die in dit kader relevant kunnen zijn en afhankelijk van de nadere precisering van artikel 15c van richtlijn 2011/95 door het Hof, zal de rechtbank verweerder wellicht opdragen om verzoeker hierover nader te horen. 11. De rechtsvraag die partijen in dit kader verdeeld houdt en waar de prejudiciële vraag op ziet, is de vraag of bij de bepaling van het niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011/95 rekening moet worden gehouden met humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict en welk causaal verband hiervoor is vereist tussen het willekeurig geweld en de humanitaire omstandigheden. Uit objectieve, nauwkeurige en gezaghebbende bronnen blijkt, zoals hierna zal worden weergegeven , dat de humanitaire omstandigheden in Syrië catastrofaal zijn . De rechtbank overweegt dat deze omstandigheden, indien deze betrokken dienen te worden bij de toepassing van de subsidiaire beschermingsregeling, kunnen bijdragen aan een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger en daarmee tot de vaststelling van een hoger niveau van willekeurig geweld kunnen leiden. 12. Op 8 december 2024 is in Syrië het toenmalige regime van president Bashar al-Assad (hierna: Assad) gevallen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat daardoor het regime van Assad in het aan de gang zijnde gewapende conflict niet langer een actor van (willekeurig) geweld en daarmee een actor van ernstige schade als bedoeld in artikel 6 van richtlijn 2011/95 is. Verweerder meent daarom dat het willekeurig geweld dat heeft plaatsgevonden vóór 8 december 2024 en de humanitaire omstandigheden die daarvan een gevolg zijn, buiten toepassing moeten worden gelaten bij de beoordeling of thans aan verzoeker subsidiaire bescherming moet worden verleend. Catastrofale humanitaire omstandigheden die geen gevolg zijn van willekeurig geweld dat plaatsvindt in het aan de gang zijnde gewapende conflict kunnen volgens verweerder uitsluitend een rol spelen bij de beoordeling of artikel 3 van het EVRM een reëel risico op blootstelling aan een onmenselijke behandeling oplevert, zoals bedoeld in het eerder genoemde arrest van 28 juni 2011 van het EHRM in de zaak Sufi en Elmi . 13. Verzoeker stelt zich -kort gezegd- op het standpunt dat alle humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van het gewapende conflict in Syrië moeten worden betrokken bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011/95 en daarmee moeten worden betrokken bij de beoordeling of aan hem subsidiaire bescherming moet worden verleend. Verzoeker acht hierbij met name relevant dat het gewapende conflict niet is beëindigd door de val van het regime van Assad en ook niet op enig moment tijdelijk gestaakt is geweest. 14. De rechtbank verzoekt het Hof om een nadere uitlegging van artikel 15 van richtlijn 2011/95 en meer in het bijzonder van de vraag of catastrofale humanitaire omstandigheden die een gevolg zijn van een gewapend conflict en die niet vallen onder overweging 35 van richtlijn 2011/95, moeten worden betrokken bij de beoordeling of zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat verzoeker, wanneer hij naar Ruraal Damascus terugkeert, een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15 van richtlijn 2011/95. 15. De rechtbank kan het antwoord op deze vraag niet afleiden uit de bewoordingen van artikel 15c van richtlijn 2011/95 of uit de rechtspraak van het Hof. Omdat de beantwoording van de prejudiciële vraag noodzakelijk is om te kunnen beoordelen of aan verzoeker subsidiaire bescherming moet worden geboden en dus noodzakelijk is om het hoofdgeding te kunnen beslechten, verzoekt de rechtbank het Hof om de navolgende prejudiciële vraag te beantwoorden: “Dienen humanitaire omstandigheden die kunnen bijdragen aan een ernstige en individuele bedreiging van het leven van een burger of persoon en die een gevolg zijn van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict, bij het bepalen van het niveau van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011/95 in aanmerking te worden genomen? Zo ja, welke mate van causaal verband is vereist tussen het willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict en deze humanitaire omstandigheden?” Toepasselijke bepalingen en beleid Unierecht Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie Artikel 1 - De menselijke waardigheid De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet worden geëerbiedigd en beschermd. Artikel 4 - Het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Artikel 18 – Het recht op asiel Het recht op asiel is gegarandeerd met inachtneming van de voorschriften van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna "de Verdragen" genoemd). Artikel 19 - Bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering (…) 2. Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen. Artikel 52 - Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen (…) 3. Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt. Richtlijn 2011/95 Overwegingen (33) Tevens dienen normen te worden vastgesteld voor de omschrijving en inhoud van subsidiaire bescherming. De subsidiaire beschermingsregeling moet de in het Verdrag van Genève vastgelegde regeling ter bescherming van vluchtelingen aanvullen. (35) Gevaren waaraan de bevolking van een land of een deel van de bevolking in het algemeen blootgesteld is, vormen normaliter op zich geen individuele bedreiging die als ernstige schade kan worden aangemerkt. Artikel 2 - Definities (…) a. a) „internationale bescherming”: de vluchtelingenstatus en de subsidiairebeschermingsstatus zoals omschreven in de punten e) en g); f) „persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt”: een onderdaan van een derdeland of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, leden 1 en 2, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen; g)”subsidiairebeschermingsstatus”, de erkenning door een lidstaat van een onderdaan van een derde land of een staatloze als een persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt; Artikel 6 - Actoren van vervolging of ernstige schade Actoren van vervolging of ernstige schade kunnen onder meer zijn: a. a) de staat; b) partijen of organisaties die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen; c) niet-overheidsactoren, indien kan worden aangetoond dat de actoren als bedoeld in de punten a) en b), inclusief internationale organisaties, geen bescherming als bedoeld in artikel 7 kunnen of willen bieden tegen vervolging of ernstige schade. Artikel 15 – Ernstige schade Ernstige schade bestaat uit: a. a) de doodstraf of executie; of b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of c) ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Artikel 18 - Verlening van de subsidiairebeschermingsstatus De lidstaten verlenen de subsidiairebeschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en V in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. Nederlands recht Vreemdelingenwet 2000 Artikel 29 Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling: a. die verdragsvluchteling is; of b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit: 1°.doodstraf of executie; 2°.folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of 3°.ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. (…) Nederlands beleid Vreemdelingencirculaire 2000 paragraaf C2/3.3.3.2 – Internationaal of binnenlands gewapend conflict en willekeurig geweld De minister kan op basis van de beschikbare landeninformatie vaststellen of in een bepaald land of gebied sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Er is sprake van een internationaal of binnenlands gewapend conflict, als de reguliere strijdkrachten van een staat tegenover een of meer gewapende groepen staan of wanneer twee of meer gewapende groepen tegenover elkaar staan. Als de minister heeft vastgesteld dat er sprake is van een internationaal of binnenlands gewapend conflict in de zin van artikel 15, onder c, Kwalificatierichtlijn, stelt de minister op basis van de beschikbare landeninformatie vast of dit conflict leidt tot willekeurig geweld en op welke schaal dit willekeurig geweld plaatsvindt. Bij de beoordeling van de intensiteit van het willekeurig geweld, worden in ieder geval de volgende elementen in samenhang gewogen: •de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen; •de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen; •de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk; •de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is; •de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten; •de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd. Paragraaf C2/3.3.3.3. Gradaties van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict De minister kan bij zijn beoordeling gradaties van willekeurig geweld vaststellen: a. uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld; b. relatief hoger niveau van willekeurig geweld; c. relatief lager niveau van willekeurig geweld. Los van deze gradaties bestaat de situatie, waarin er geen 15c beoordeling plaatsvindt, omdat er geen gewapend conflict is of er geen willekeurig geweld is als gevolg van een gewapend conflict. In dat geval kan de vreemdeling alleen daarom al niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, onderdeel 3, Vw. Ad a. Uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld Er is sprake van een uitzonderlijke mate van willekeurig geweld als de algehele geweldssituatie in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict in het land van herkomst of in een bepaald gebied in dit land zodanig is dat wordt aangenomen dat een vreemdeling enkel en alleen al door zijn aanwezigheid op dat grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon. Het individualiseringsvereiste van de vreemdeling beperkt zich in deze gevallen tot het afkomstig zijn uit het land of bepaald gebied, waar sprake is van deze uitzonderlijke mate van willekeurig geweld. Ad b en c Relatief hoger niveau en relatief lager niveau van willekeurig geweld Als er is sprake van een relatief hoger niveau of een relatief lager niveau van willekeurig geweld, dan is de enkele aanwezigheid van de vreemdeling in het betreffende gebied op zichzelf niet meer voldoende om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. De vreemdeling moet in dat geval aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat: •de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld; en •juist de vreemdeling specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Deze omstandigheden kunnen met name zien op het privé, beroeps- of familieleven. Dit betekent overigens niet dat alleen al door de aanwezigheid van risico verhogende factoren een reëel risico op ernstige schade aannemelijk is. Naarmate het niveau van willekeurig geweld lager is zullen er relatief gewichtigere individuele omstandigheden vereist zijn om een reëel risico aan te nemen. Bij een relatief lager niveau van willekeurig geweld, zullen de door de vreemdeling naar voren gebrachte risico verhogende omstandigheden daarom meer gewicht moeten hebben om een reëel risico aan te kunnen nemen. Nadat een vreemdeling zijn persoonlijke kenmerken en individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht en waar nodig aannemelijk heeft gemaakt, beoordeelt de IND die omstandigheden in het licht van de veiligheidssituatie in het gebied waar de vreemdeling vandaan komt. Dat betekent dat pas na het naar voren brengen door de vreemdeling van de relevante elementen die betrekking hebben op de individuele situatie en de algemene situatie in het land van herkomst, door de IND wordt vastgesteld dat het risico mogelijk onder artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, 3°, Vw valt. Daarbij maakt de IND een gemotiveerde beoordeling en betrekt of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de relevante elementen ook daadwerkelijk zorgen voor een verhoogd risico op ernstige schade én dat juist de vreemdeling als gevolg van deze omstandigheden een reëel risico loopt slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Bij de beoordeling van het risico bij terugkeer kan de IND, afhankelijk van het individuele geval, meewegen of de vreemdeling bij terugkeer schade kan ontlopen. Hulpmiddel De hiervoor geschetste gradaties zijn enkel bedoeld als indicatief hulpmiddel voor de IND. Deze gradaties geven in grote lijnen aan, hoe de situatie van willekeurig geweld in een (deel van een) land van herkomst wordt ingeschat. Het voor de diverse landen beleidsmatig vaststellen van de gradatie van het geweld heeft daarmee ten doel er voor te zorgen dat de IND op uniforme wijze het in een land heersende geweldsniveau bij de beoordeling betrekt. Bij die beoordeling staan echter de door de vreemdeling aangevoerde individuele omstandigheden voorop bij de vraag of aannemelijk is gemaakt dat die omstandigheden het risico verhogen slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eerder ondervonden ernstige schade Daarnaast moet de IND meewegen dat de vreemdeling vóór zijn vertrek uit zijn land eerder al geweld heeft ondervonden. Daarbij doet het niet ter zake of het eerder ondervonden geweld het gevolg was van willekeurig geweld of van gericht geweld. De IND beoordeelt in dit verband of het eerder ondervonden geweld in combinatie met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van een vreemdeling en in het licht van de veiligheidssituatie, tot een verhoogd risico op willekeurig geweld kan leiden. Binnenlands beschermingsalternatief De IND kan vaststellen dat sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief (zie paragraaf C2/3.3.4 Vc), nadat de IND heeft vastgesteld dat de vreemdeling een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, 3°, Vw. Landenbeleid In het landgebonden beleid in hoofdstuk C7 Vc kan worden vastgesteld of een van de gradaties aan de orde is in het betreffende land of gebied. Paragraaf C7/33. Het asielbeleid ten aanzien van Syrië Paragraaf C7/33.4.2. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3°, Vw als bedoeld in paragraaf C2/3.3.3 Vc De IND neemt voor heel Syrië aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Paragraaf C7/33.5.1. Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc De IND neemt aan dat het in Syrië niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen. Paragraaf C7/33.5.2. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc De IND neemt aan dat in Syrië geen binnenlands beschermingsalternatief aanwezig is, tenzij sprake is van evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat de vreemdeling zich elders in Syrië kan vestigen. Rechtsvraag 16. Het Hof heeft in de arresten in de zaken Elgafaji , Diakité , CF/DN en X, Y, nader verduidelijkt hoe artikel 15c van richtlijn 2011/95 (en voorheen richtlijn 2004/83 ) moet worden uitgelegd en toegepast. 17. In het hoofdgeding moet de rechtbank nagaan wat het niveau van willekeurig geweld is om vervolgens te kunnen bepalen of sprake is van elementen die verband houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van verzoeker waaruit blijkt dat verzoeker specifiek vanwege deze elementen wordt geraakt en hij in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. Deze beoordeling beperkt zich tot de vraag of verzoeker een reëel risico op ernstige schade loopt indien hij moet terugkeren naar Ruraal Damascus. Verzoeker is afkomstig uit Ruraal Damascus in Syrië en aan verzoeker wordt door verweerder met toepassing van zijn beleid niet tegengeworpen dat sprake is van evidente, concrete en individualiseerbare aanknopingspunten op basis waarvan kan worden aangenomen dat hij zich na terugkeer elders in Syrië kan vestigen . Verweerder neemt in zijn beleid tevens aan dat het in Syrië niet mogelijk is de bescherming van de autoriteiten of internationale organisaties te verkrijgen . 18. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 30 juli 2025 vastgesteld dat aan verzoeker ten tijde van het indienen van zijn verzoek om internationale bescherming en ten tijde van het initiële besluit op dit verzoek, gelet op het toen geldende landgebonden beleid ten aanzien van Syrië geen subsidiairebeschermingsstatus moest worden verleend. De rechtbank dient evenwel thans een actuele beoordeling te maken van het risico op ernstige schade. Dit geldt temeer nu in de periode gelegen tussen de indiening van het verzoek om internationale bescherming en de rechterlijke controle van het beroep tegen de afwijzing van dit verzoek, de politieke situatie in Syrië wezenlijk is gewijzigd. Ten aanzien van Syrië is in mei 2025 een nieuw Algemeen Ambtbericht opgemaakt, dat op 6 juni 2025 openbaar is gemaakt en betrekking heeft op de verslagperiode 27 november 2024 en met april 2025. Het landgebonden beleid Syrië is naar aanleiding van dit Algemeen Ambtsbericht Syrië 2025 op 17 juni 2025 gewijzigd , zoals toegelicht in een brief van verweerder en gepubliceerd op 20 juni 2025 . In de Bijlage behorend bij de ‘Nota landenbeleid Syrië’ van 10 juni 2025 is een ‘15c bijlage’ gevoegd die begint met de navolgende passage: (…) “Verspreid over heel Syrië vormen ontplofbare oorlogsresten, waaronder mijnen en niet-gesprongen munitie, “een aanhoudende, ernstige bedreiging voor het leven van burgers”. Volgens bronnen in het ambtsbericht vielen er in de eerste vier maanden na de val van het regime zeker zevenhonderd doden en gewonden bij incidenten met oorlogsresten. De veiligheidssituatie wordt verder per regio door verschillende factoren beïnvloed, zoals hieronder toegelicht. (…) 19. Vervolgens zijn in die bijlage per regio in Syrië ‘15c-elementen’ beschreven. De beoordeelde elementen luiden als volgt: -hanteren partijen bij het conflict oorlogsmethoden die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen? -is het gebruik van die methoden wijdverbreid bij de strijdende partijen? -is het geweld wijdverbreid of plaatselijk? -wat is de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten? -is er een veiligheidsstructuur aanwezig? -wat zijn de aantallen doden, gewonden en ontheemden, onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd? 20. De rechtbank merkt op dat al deze elementen als zodanig uitdrukkelijk door het Hof zijn benoemd in de eerdere arresten waarin om een verduidelijking van artikel 15c van richtlijn 2011/95 is gevraagd . 21. In het Algemeen Ambtsbericht Syrië 2025 is over de humanitaire situatie onder meer het navolgende vermeld: (…) 5.1 Humanitaire situatie In Syrië was in de verslagperiode sprake van een ernstige humanitaire crisis: de noden waren ten tijde van en na de val van het Assad-regime groter dan op enig ander moment tijdens de oorlog. Meer dan negentig procent van de Syriërs leefde onder de armoedegrens, met volgens het World Food Programme (Wereldvoedselorganisatie, WFP) ten minste dertien miljoen mensen – meer dan de helft van de bevolking – die geen toegang hadden tot, of zich niet genoeg kwaliteitsvoedsel konden veroorloven. Volgens cijfers van UNICEF leden meer dan 500.000 kinderen jonger dan 5 jaar aan levensbedreigende ondervoeding, terwijl nog eens 2 miljoen andere kinderen op het punt stonden ondervoed te raken. Volgens UN OCHA hadden eind maart 2025 ruim zestien miljoen mensen – bijna driekwart van de Syrische bevolking – onvoldoende voedsel, water, onderdak en medicijnen. Zij waren van humanitaire hulp afhankelijk om in hun basisbehoeften te voorzien. (…) Daar kwam bovenop dat de VS eind januari 2025 besloot een groot deel van zijn financiering van buitenlandse hulp te bevriezen. Dit had vrijwel direct negatieve gevolgen voor de omstandigheden in ontheemdenkampen in het noordwesten en het noordoosten van Syrië. Binnen enkele weken na het besluit sloten medische klinieken die spoedeisende hulp boden, vertraagde de waterdistributie en viel de brooddistributie stil in ontheemdenkampen. Volgens NRC vertelden teruggekeerde ontheemden en Syriërs die nog steeds in deze ontheemdenkampen leefden dat de bezuinigingen op hulp, waaronder maandelijkse voedselrantsoenen, een verwoestend effect hadden op gezinnen. (…) In bijna veertien jaar gewapend conflict was de Syrische infrastructuur op grote schaal verwoest. De energie- en elektriciteitssector lag in puin, schreef het United Nations Development Programme (UNDP) begin 2025 in het rapport “The Impact of the Conflict in Syria”. Meer dan zeventig procent van de energiecentrales en transmissielijnen had aanzienlijke schade opgelopen, aldus UNDP. De waterinfrastructuur was, in alle delen van het land, eveneens enorm aangetast. Volgens UNICEF was sinds 2011 ten minste twee derde van de zuiveringsinstallaties, de helft van de pompstations en een derde van de watertorens beschadigd. Daardoor had bijna de helft van de bevolking onvoldoende water en was deze afhankelijk van alternatieve en vaak onveilige waterbronnen om in hun waterbehoeften te voorzien. (…) De gezondheidszorg en het onderwijs verkeerden eveneens in kritieke toestand. Meer dan de helft van de Syrische ziekenhuizen was buiten functie en er was sprake van ernstige tekorten aan medische voorraden en een gebrek aan getraind personeel. Meer dan zevenduizend scholen waren beschadigd of verwoest en ongeveer twee miljoen kinderen gingen niet naar school. (…) 5.2 Ontwikkelingen onder nieuw bestuur In de maanden na de machtsomwenteling waren er vrijwel geen noemenswaardige verbeteringen in de slechte levensomstandigheden voor de overgrote meerderheid van de bevolking. Er was volgens verschillende bronnen in de eerste maanden zelfs sprake van enige verslechtering. Het gemiddelde Syrische gezin was nog steeds noodgedwongen gefocust op het dagelijkse overleven. De inflatie en werkloosheid bleven hoog, en basisbehoeften – zoals voedsel, water, huur, elektriciteit en brandstof – waren voor velen te duur of niet aanwezig. (…) De brede en vergaande sancties die opgelegd waren door de Verenigde Staten, de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk belemmerden volgens bronnen het herstel van de economie in Syrië. Daarnaast vormden ze een groot obstakel voor het herstel van essentiële diensten zoals gezondheidszorg, water en elektriciteit. Rond februari-maart 2025 werd volgens bronnen duidelijk dat de euforie over de val van het Assad-regime en een ‘nieuw begin’ voor Syrië afnam. Verwachtingen van verbeterde leefomstandigheden werden niet waargemaakt, ondanks aanvankelijke beloftes van HTS kort na de machtsovername. Veel Syriërs maakten zich grote zorgen over de voortdurende economische achteruitgang en over het schijnbare onvermogen van de nieuwe regering om de economie op gang te krijgen. Op 13 mei 2025 kondigde de Amerikaanse president Donald Trump aan alle Amerikaanse sancties tegen Syrië op te heffen. Vervolgens bereikten EU-landen op 20 mei overeenstemming om economische sancties tegen Syrië op te heffen. Deze beslissingen werden alom beschouwd als een positieve ontwikkeling. Kort nadat Trump aankondigde de sancties op te heffen, steeg de waarde van de Syrische pond naar verluidt met ongeveer 25 procent. Het opheffen van sancties zal volgens bronnen echter een lang en complex proces volgen, waardoor verdere consequenties van deze beslissingen op het moment van schrijven nog niet duidelijk waren . (…) 22. Uit het Algemeen Ambtsbericht Syrië 2025 volgt niet dat deze situatie in Ruraal Damascus minder ernstig is. 23. EUAA heeft recent meerdere rapporten over Syrië gepubliceerd die bestaan uit Country of Origin Information en Country Guidance . De rechtbank merkt in dit verband op dat in het Nederlandse beleid voor heel Syrië wordt aangenomen dat sprake is van een lagere gradatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011/95 en dat EUAA in Country Guidance: Syria, comprehensive update, December 2025, tot de conclusie komt dat in Damascus geen sprake is van willekeurig geweld en dat in alle overige gebieden in Syrië sprake is van willekeurig geweld maar niet op een uitzonderlijk hoog of hoog niveau . In dit rapport is onder meer het navolgende opgenomen: (…) The Syrian armed conflict began in 2011 as a civil uprising against President Bashar al-Assad, inspired by the wave of Arab Spring protests across the Middle East. By 2012, the situation escalated into a full-scale civil war, with armed opposition groups confronting the Transitional Government forces and seizing key territories. The fall of the Assad regime in late 2024 and the establishment of the Transitional Government in 2025 marked a significant turning point for Syria. However, the security situation remains highly fragile. Although the state apparatus of the Assad regime has been dismantled, numerous actors from the civil war remain active. The security forces of the Transitional Government are still in the process of formation and have reportedly been overstretched outside of the main urban centres, limiting their effectiveness. Some armed groups nominally integrated into the structure of the new Syrian army continue to function semi-independently. (…) 24. In dit rapport is voorts onder meer het navolgende vermeld: (…) The healthcare system in Syria is in dire condition. The World Health Organisation (WHO) indicated that 15.8 million people - more than 65 % of the total population – were in need of humanitarian health assistance. As of December 2024, 57 % of the hospitals and 37 % of primary healthcare facilities were fully functional, while the rest remain partially or completely out of service. (…) Accessing basic services is reportedly particularly challenging in and around Aleppo, Rural Damascus, Homs, and Dar’a(…) (…) Syria continued to face severe economic hardship. In February 2025, Syria was reportedly still struggling with a ‘massive humanitarian crisis’ affecting more than 70 % of its population. According to UN sources, the number of People in Need (PiN) – an indicator reflecting both infrastructure damage and limited access to essential services – continued to rise across all humanitarian sectors affecting 16.7 million of people. According to U

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...