Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:21979

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-11-20
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.39713
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
15.395 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

opvolgende asielaanvraag, vrees voor Taliban, verklaring sociale media gebruik ongeloofwaardig, geen sprake van reëel risico op schending van artikel 3 EVRM, beroep ongegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.39713 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2025 in de zaak tussen [eiser], v-nummer [nummer], eiser (gemachtigde: mr. G. Tuenter), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.D. Albarda). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing als kennelijk ongegrond van eisers vijfde asielaanvraag. Eiser is het hier niet mee eens en heeft hiertegen een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de asielaanvraag terecht als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. 1.1. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat het besluit van de minister in stand kan blijven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft onderbouwd waarom hij, anders dan in zijn eerdere procedures, door de invoering van de Law on the Propagation of Virtue and the Prevention of Vice (Propagation) door de Taliban bij terugkeer nu wel gevaar zou lopen. Verder heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaring van eiser dat hij actief is op social media niet geloofwaardig is, en dat eisers stelling dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM vanwege het gebruik van social media, niet aannemelijk is. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Inleiding 2. Eiser heeft op 8 juli 2025 een opvolgende aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 21 augustus 2025 deze asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. 2.2. De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.39714, op 18 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en diens gemachtigde en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Totstandkoming van het besluit 3. Vóór deze procedure heeft eiser vier eerdere asielaanvragen ingediend. Aan de eerste asielaanvraag van 21 november 2015 heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij vanwege de werkzaamheden van zijn moeder als directrice van een meisjesschool te vrezen heeft voor de Taliban in Afghanistan. De minister heeft deze asielaanvraag bij besluit van 15 maart 2016 afgewezen. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 19 april 2016 is het besluit van de minister in rechte komen vast te staan. 3.1. Vervolgens heeft eiser op 10 mei 2019 zijn tweede asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. Bij besluit van 8 oktober 2019 heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat de minister de door eiser gestelde homoseksualiteit ongeloofwaardig heeft geacht. Het beroep van eiser tegen dit besluit is door deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, bij uitspraak van 8 november 2019 , ongegrond verklaard. Met de uitspraak van 10 december 2019van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is het besluit van de minister in rechte vast komen te staan. 3.2. Op 17 februari 2020 heeft eiser zijn derde asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij afvallig is van de islam en is overgegaan tot het atheïsme. De minister heeft bij besluit van 3 juni 2021 de asielaanvraag afgewezen, omdat de minister eisers afvalligheid en overgang tot het atheïsme ongeloofwaardig heeft geacht. Daarnaast heeft eiser volgens de minister niet onderbouwd dat het hebben van een tatoeage op zichzelf in Afghanistan als anti-islamitisch zal worden aangemerkt als gevolg waarvan eiser afvalligheid zou kunnen worden toegedicht. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 9 juli 2021 is het besluit van de minister in rechte komen vast te staan. 3.3. Op 27 augustus 2021 heeft eiser zijn vierde asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan deze asielaanvraag ten grondslag gelegd dat de situatie in Afghanistan is veranderd nu de Taliban weer aan de macht zijn en zijn familie nog altijd problemen heeft met de Taliban. Verder stelt hij dat hij biseksueel en atheïst is. Ook heeft eiser aangevoerd dat hij verwesterd is en tatoeages heeft. Vanwege deze redenen kan hij niet terug naar Afghanistan. De minister heeft bij besluit van 10 april 2024 de asielaanvraag afgewezen, omdat eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht, ten opzichte van de vorige procedures, op grond waarvan er aanleiding bestaat voor een andere conclusie. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 5 juni 2024 is het besluit van de minister in rechte komen vast te staan. 3.4. Op 8 juli 2025 heeft eiser zijn vijfde (huidige) asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan deze asielaanvraag ten grondslag gelegd dat de situatie in Afghanistan is veranderd nu de Taliban op 31 juli 2024 de Propagation heeft ingevoerd. De Taliban zijn volgens eiser strenger geworden. Eiser loopt bij terugkeer met zijn persoonlijke omstandigheden, die hij ook in de voorgaande procedures naar voren heeft gebracht, nu wel degelijk een risico op schending van artikel 3 van het EVRM. In het kader van de huidige procedure stelt eiser dat uit de Propagation blijkt dat de Taliban strenger zijn geworden. Eiser stelt als nieuw feit dat hij, vanwege zijn socialmedia-gebruik in Nederland, bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Beoordeling door de rechtbank Het bestreden besluit van 21 augustus 2025 4. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het meeste van wat eiser heeft aangevoerd geen relevante nieuwe elementen of bevindingen zijn ten opzichte van de eerdere, in rechte vaststaande, asielbesluiten. De minister heeft niet geloofwaardig geacht dat eiser zijn stem heeft laten horen tegen de Taliban via social media. Daardoor ontleent eiser het lopen van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer aan niet nader onderbouwde vermoedens. De minister heeft de asielaanvraag daarom op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kennelijk ongegrond verklaard. Heeft de minister beoordeeld of een strengere houding van de Taliban, in samenhang met eisers persoonlijke omstandigheden, een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM oplevert? 5. Eiser betoogt dat in de huidige procedure onterecht geen beoordeling heeft plaatsgevonden van zijn etniciteit, gebied van herkomst, familieachtergrond, zijn zichtbaar westers uiterlijk en zijn tatoeages, in samenhang met de duur van zijn verblijf in het Westen, in het licht van de invoering van de de Propagation. Eiser betwist niet dat hij in zijn huidige asielaanvraag één nieuwe omstandigheid, de posts op social media, naar voren heeft gebracht en dat de overige aangevoerde feiten en omstandigheden in voorgaande procedures al zijn beoordeeld en niet hebben geleid tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser loopt met de hiervoor genoemde, risico verhogende omstandigheden in combinatie met een terugkeer uit het Westen, door de invoering van de Propagation, een reële kans te worden onderworpen aan een veiligheidsonderzoek. Eiser verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, over een Oezbeekse man met een westers uiterlijk. In die zaak oordeelde de rechtbank dat de aangedragen individuele omstandigheden en het feit dat de vreemdeling terugkeert vanuit een westers land onvoldoende in onderlinge samenhang zijn bezien. Eiser betoogt dat dit in zijn zaak ook het geval is. Eiser verwijst naast zijn westers uiterlijk en verwesterde leefstijl onder andere op zijn eerdere verklaring waarin hij aangeeft dat hij enkele maanden geleden in een discotheek is aangehouden door de politie wegens dronkenschap. Eiser betoogt ook dat het moeilijk is te beoordelen wat de exacte risico’s bij terugkeer zijn omdat hij het recente algemeen ambtsbericht over Afghanistan van 2025 niet kent. Eiser loopt door zijn risicoprofiel bij aankomst op de luchthaven en/of in zijn gebied van herkomst een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM. 5.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser, met enkel een verwijzing naar de Propagation, niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom zijn persoonlijke omstandigheden in de onderhavige procedure tot een andere beoordeling zouden moeten leiden dan in zijn eerdere procedures. Eiser heeft niet onderbouwd welke persoonlijke gevolgen de Propagation voor hem heeft, en ook niet waarom de minister de door hem gestelde problemen met de Taliban nu wel geloofwaardig zou moeten achten. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat nergens uit blijkt dat eiser zal worden onderworpen aan een veiligheidsonderzoek om te controleren of eiser verwesterd of een afvallige is en hij daardoor een groot risico loopt bij terugkeer. De rechtbank overweegt dat de minister zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet gevolgd wordt in zijn betoog dat vanwege het niet openbaar zijn van het algemeen ambtsbericht 2025 over Afghanistan, niet beoordeeld kan worden wat de risico’s zijn bij terugkeer. Er is namelijk geen ambtsbericht 2025 over Afghanistan en de door eiser aangevoerde (persoonlijke) omstandigheden zijn al in het licht van het meest recente ambtsbericht (van 2023) beoordeeld en de uitkomst daarvan staat al in rechte vast. Daarmee heeft de minister zich ook terecht op het standpunt gesteld dat de vraag of eiser in de problemen kan komen doordat hij is verwesterd, in de vorige procedures nadrukkelijk is beoordeeld. Het is vervolgens aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij aankomst op de luchthaven en/of in het herkomstgebied gevaar loopt. Daar is eiser, met de enkele verwijzing naar de Propagation niet in geslaagd. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet. Acht de minister de verklaring van eiser over het socialmedia-gebruik ten onrechte ongeloofwaardig? 6. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij ongeloofwaardig heeft verklaard over de posts op social media. Eiser heeft op social media een filmpje van zichzelf geplaatst over een verzetsleider uit zijn eigen regio, die destijds tegen de Taliban streed. Eiser zijn etniciteit en herkomstgebied zijn een risico verhogende factor. Eiser voert daarom aan dat hij met zijn verklaring wel degelijk aannemelijk heeft gemaakt dat het socialmedia-gebruik relevant én geloofwaardig moet worden geacht. 6.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaring van eiser over het socialmedia-gebruik ongeloofwaardig is. De overgelegde screenshots zijn niet op te vatten als kritiek op de Taliban en daarnaast komt de naam op de overgelegde screenshots van de posts op social media niet overeen met de vastgestelde identiteit van eiser. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zijn socialmedia-gebruik relevant is nu hij niet heeft betwist dat zijn naam op social media vrij algemeen is en het niet gaat om veel berichten. De rechtbank overweegt dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser, met het betoog dat hij op de beelden wordt herkend door zijn gemachtigde, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk degene is op de beelden en/of degene is die de posts heeft geplaatst. Het betoog dat de minister in eisers telefoon had kunnen kijken maakt de beoordeling niet anders. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt dat hij geen posts onder zijn eigen naam heeft geplaatst en uit het verslag gehoor opvolgende aanvraag blijkt dat eiser regelmatig (herplaatste) posts heeft verwijderd. De beroepsgrond slaagt niet. Loopt eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM? 7. Eiser betoogt dat hij door zijn posts over een verzetsleider uit zijn regio op social media bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan, als Tadzjiek uit het noorden waar vroeger het verzet tegen de Taliban het sterkst was, gevaar loopt. 7.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Onder 10.1. heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister de verklaring van eiser over de posts op social media niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. In de voorgaande procedures is al geoordeeld dat het enkel afkomstig zijn uit Afghanistan op zichzelf niet genoeg is om een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM aan te nemen. Daarbij is ook de omstandigheid dat eiser Tadzjiek is betrokken. De minister heeft in het aangevoerde geen aanleiding hoeven zien om daar thans anders over te oordelen. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 8. De minister heeft de asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. O. El Kadi, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zoals bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000. Een moraliteit/religieuze wet die de Taliban heeft ingevoerd op 31 juli 2024. AWB 16/5614 ( niet gepubliceerd ). NL19.24185 ( niet gepubliceerd ). NL21.8842 ( niet gepubliceerd ). NL24.16939 ( niet gepubliceerd ). Eiser verwijst naar de Country Guidance van mei 2024 van de European Union Agency for Asylum, pagina, 60. Rb Den Haag, zittingsplaats Middelburg,26 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4913, punt 18 en 19. Verslag gehoor opvolgende aanvraag van 15 augustus 2025, pagina 5. Verslag gehoor opvolgende aanvraag van 15 augustus 2025, pagina 14. Rb Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch,19 april 2016, AWB 16/5614 ( niet gepubliceerd ).

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...