Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:19351

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-05-22
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.13231 en NL25.13232
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
10.419 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

De minister heeft de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat Brazilië voor de vreemdeling als veilig derde land wordt beschouwd. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vreemdeling wordt toegelaten tot Brazilië. Het beroep is gegrond en de minister moet een nieuw besluit nemen.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL25.13231 (beroep) NL25.13232 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser], geboren op [geboortedatum] 1984, van Haïtiaanse nationaliteit, eiser en verzoeker (eiser) (gemachtigde: mr. E.P.A. Zwart), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. S.J. Versteeg). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (de rechtbank) het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. Bij besluit van 20 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk verklaard. 1.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. 1.3. De rechtbank heeft de zaken op 13 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen. Beoordeling door de rechtbank Waarover gaat deze uitspraak? 2. De rechtbank beoordeelt, aan de hand van de gronden van beroep, of de minister de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren, omdat Brazilië voor eiser een veilig derde land is. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Het beroep is gegrond. Zij legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt. Asielrelaas 3. Aan zijn asielrelaas heeft eiser ten grondslag gelegd dat zijn vader werd ontvoerd en voor een aantal dagen werd vastgehouden. Eiser heeft uiteindelijk losgeld betaald en zijn vader is vrijgelaten. Een paar dagen later stonden er gangleden bij eiser voor de deur. Zij waren naar eiser op zoek en dreigden hem te vermoorden. Om die reden is eiser het land ontvlucht. Eiser is vanuit Haïti naar de Dominicaanse Republiek vertrokken en vervolgens via Brazilië naar Nederland gereisd. Bestreden besluit 4. De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat Brazilië voor hem als veilig derde land wordt beschouwd. Eiser heeft namelijk een band met Brazilië omdat hij daar, volgens de minister, eerder heeft verbleven. Uit de foto van zijn paspoort blijkt dat deze op 12 december 2022 is afgegeven door de Haïtiaanse ambassade in Brasilia. Daarnaast heeft eiser tegenstrijdig verklaard over waar hij het paspoort heeft aangevraagd en of hij met zijn Haïtiaanse paspoort heeft gereisd. Hierdoor kan zijn reisroute niet worden vastgesteld en hoe lang eiser in Brazilië heeft verbleven. Ook acht de minister het aannemelijk dat eiser opnieuw tot Brazilië zal worden toegelaten. Het is voor Haïtianen gemakkelijk om een visum voor Brazilië te verkrijgen. Bovendien heeft eiser ook zelf verklaard dat hij eerder een elektronisch visum heeft gehad. Tenslotte blijkt uit de interministeriële verordening dat het voor Haïtianen mogelijk is om een verblijfsvergunning in Brazilië te verkrijgen op basis van humanitaire gronden als gevolg van rampen, natuurrampen en de institutionele instabiliteit in Haïti. Omdat Brazilië in het algemeen heeft te gelden als een veilig derde land kan eiser volgens de minister daarnaartoe. 4.1. Ook heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd. In het terugkeerbesluit heeft de minister geoordeeld dat eiser kan terugkeren naar Brazilië én Haïti. Op de zitting heeft de minister opgemerkt dat Haïti ten onrechte in het terugkeerbesluit is opgenomen. Juridisch kader 5. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw kan de minister een aanvraag niet-ontvankelijk verklaren als zij een derde land voor een vreemdeling als veilig derde land beschouwt. De minister kan tegenwerpen dat een derde land voor een specifieke vreemdeling een veilig derde land is, indien deze vreemdeling een zodanige band heeft met dat land dat het voor hem redelijk is om daarnaartoe te gaan. Dit kan het geval zijn als deze vreemdeling in het verleden in dat land heeft gewoond, maar kan ook worden afgeleid uit andere individuele omstandigheden, zoals het hebben van een partner of andere familie in dat land. Het is daarbij, zoals volgt uit paragraaf C2/6.3 van de Vc , in beginsel aan de minister om aan de hand van de verklaringen van een vreemdeling en eventuele overgelegde of anderszins verkregen documenten aannemelijk te maken dat deze vreemdeling een band heeft met het derde land. Het is vervolgens aan deze vreemdeling om dat te weerleggen. 5.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet de minister daarnaast aannemelijk maken dat deze vreemdeling wordt toegelaten tot dat land en moet zij daarvoor aan de hand van informatie uit algemene bronnen, of op basis van de verklaringen van deze vreemdeling, redenen aandragen waarom (weder)toelating in beginsel mogelijk moet zijn. Vervolgens is het aan de desbetreffende vreemdeling om met tegenbewijs te komen waarmee hij voldoende aannemelijk maakt dat de door de minister geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot dat land in zijn geval niet aanwezig zijn. Daarnaast is het aan deze vreemdeling om inspanningen te verrichten om daadwerkelijk te worden toegelaten tot het veilige derde land, tenzij de minister niet van hem mag verlangen dat hij opnieuw probeert toegang tot en verblijf in dat land te krijgen. Heeft de minister aannemelijk gemaakt dat eiser wordt toegelaten tot Brazilië? 6. Niet in geschil is dat Brazilië in het algemeen kan worden aangemerkt als een veilig derde land. Wel verschillen partijen van mening over de vraag of Brazilië specifiek voor eiser als veilig derde land kan worden aangemerkt. Gelet op het verhandelde ter zitting spitst het geschil zich toe tot de vraag of de minister aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zal worden toegelaten tot Brazilië. Dat is volgens eiser niet het geval. 6.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zal worden toegelaten tot Brazilië. De verwijzing van de minister naar het informatiebericht 2024/33 is hiervoor onvoldoende. Het informatiebericht ziet namelijk slechts op de vraag of Brazilië in het algemeen als veilig derde land kan worden beschouwd. De omstandigheid dat eiser een asielaanvraag kan indienen, betekent niet dat deze wordt ingewilligd en eiser daadwerkelijk tot Brazilië zal worden toegelaten. Dat eiser in het verleden een elektronisch visum heeft gehad is ook onvoldoende om te kunnen stellen dat hij nu opnieuw zal worden toegelaten tot Brazilië. Het elektronische visum zegt namelijk niets over de toelating van eiser tot Brazilië voor een langere periode. Ook de verwijzing naar de interministeriële verordening is onvoldoende, reeds omdat deze verordening geldig was tot 31 december 2024. Tijdens de zitting wist de gemachtigde van de minister niet of deze verordening is verlengd of dat er een andere regeling van toepassing is op Haïtianen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van de minister had gelegen om nader onderzoek te doen naar de vraag of eiser daadwerkelijk opnieuw zal worden toegelaten tot Brazilië door bijvoorbeeld contact op te nemen met de Braziliaanse autoriteiten. De beroepsgrond slaagt. Verzoek op schadevergoeding 7. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding wegens de onterechte bewaring van 20 maart 2025 tot 8 april 2025. 7.1. De rechtbank wijst dit verzoek af en verwijst naar de bewaringszaak . In deze zaak is de schadevergoeding van eiser wegens de onrechtmatige bewaring toegekend. De rechtbank ziet geen reden om zich ook in deze zaak hierover uit te laten. Conclusie en gevolgen 8. Gelet op het voorgaande heeft de minister het bestreden besluit op onvoldoende zorgvuldige wijze voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt voor het nieuw te nemen besluit een termijn van zes weken. 9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). 10. Omdat met deze uitspraak op het beroep is beslist, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen. Wel zal de voorzieningenrechter de minister in de proceskosten van € 907,- veroordelen omdat eiser een verzoekschrift heeft ingediend. Beslissing De rechtbank, in de zaak NL25.13231: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 20 maart 2025; - draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser. De voorzieningenrechter, in de zaak NL25.13232: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; - veroordeelt de minister tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, (voorzieningenrechter)rechter, in aanwezigheid van mr. K. Mertens, griffie De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. PORTARIA INTERMINISTERIAL MJSP/MRE Nº 37, DE 30 DE MARÇO DE 2023. Vreemdelingenwet 2000. Vreemdelingencirculaire 2000. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1781. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit volgt uit het informatiebericht 2024/33. NL25.15654.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...