Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:18979

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-05-23
Procedure
Voorlopige voorziening
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.16289
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
ja
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
13.607 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Voorlopige voorziening hangende bezwaar waarin is verzocht het bezwaar in Nederland te mogen afwachten, intrekking verblijfsvergunning + terugkeerbesluit + inreisverbod + SIS-signalering, wel sprake spoedeisend belang, geen rechtmatigheidsoordeel, het belang van verzoeker weegt zwaarder, toegewezen

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL25.16289 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , geboren op [geboortedag] 1979, van Marokkaanse nationaliteit, verzoeker (gemachtigde: mr. S. Petkovic), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. A.R. Menschaert). Inleiding 1. Met het besluit van 25 maart 2025 heeft de minister de verblijfsvergunning van verzoeker ingetrokken en een terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrektermijn, een inreisverbod voor de duur van tien jaren en een besluit tot signalering in het SIS voor de duur van tien jaren uitgevaardigd. 1.1. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt om de rechtsgevolgen van het besluit op te schorten en te bepalen dat verzoeker het bezwaar in Nederland mag afwachten 1.2. De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Achtergrond 3. Verzoeker is op [geboortedag] 1979 geboren in Marokko en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Volgens de Basisregistratie personen (BRP) heeft hij zich op 4 januari 1990 gevestigd in Nederland. Sinds 5 juni 1997 heeft verzoeker een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Verzoeker heeft aangegeven sinds 2011 een relatie te hebben met zijn Marokkaanse partner [partner] en sinds 2012 traditioneel getrouwd te zijn met haar. Volgens het BRP blijkt verder dat verzoeker sinds 19 januari 2012 in Nederland met zijn partner heeft samengewoond. Verzoeker en zijn partner hebben samen vier kinderen die respectievelijk in 2013, 2015, 2019 en 2022 in Nederland geboren zijn. Hangende de bezwaarprocedure is gebleken dat de kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben. Verzoeker heeft de kinderen erkend. 4. Verzoeker is bij arrest van de meervoudige kamer van het gerechtshof Den Haag van 29 oktober 2024 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden voor (onder andere) het medeplegen van (internationale) cocaïnehandel. Verzoeker is eerder ook al veroordeeld vanwege onder andere opiumdelicten. Op 13 januari 2025 heeft de DJI verzoeker geselecteerd voor de BBA en daarmee dus tot re-integratieverlof voor extramurale arbeid. Verzoeker verblijft ten tijde van de zitting in de BBA. Het bestreden besluit 5. Met het bestreden besluit heeft de minister de verblijfsvergunning van verzoeker ingetrokken en een terugkeerbesluit, een inreisverbod voor de duur van tien jaren en een besluit tot signalering in het SIS voor de duur van tien jaren uitgevaardigd. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat verzoeker een misdrijf heeft gepleegd en daar een gevangenisstraf van drie jaar of meer voor heeft gekregen. Vervolgens heeft de minister getoetst of het besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM en heeft gesteld dat dit niet zo is. Er blijkt wel dat verzoeker familieleven heeft in Nederland, waarbij hij ook belang heeft om dat familieleven in Nederland uit te oefenen, maar de Nederlandse overheid heeft er belang bij verzoeker te verwijderen uit Nederland en tegen hem een inreisverbod uit te vaardigen omdat hij een gevaar is voor de openbare orde. Na afweging van de belangen heeft de minister het openbare orde-belang zwaarder laten wegen dan het belang van verzoeker om in Nederland te blijven vanwege zijn familieleven. Ook is inmenging in het privéleven volgens de minister toegestaan in het belang van de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten. Daarnaast vaardigt de minister een terugkeerbesluit uit met een onmiddellijke vertrektermijn omdat verzoekers persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Daarnaast vaardigt de minister een inreisverbod voor de duur van tien jaren en een besluit tot signalering voor de duur van tien jaren uit, omdat verzoeker een ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt. Standpunt verzoeker 6. Verzoeker is van mening dat de rechtsgevolgen van het besluit moeten worden opgeschort en dat verzoeker het bezwaar in Nederland moet kunnen afwachten. Het bezwaar heeft geen opschortende werking. Het spoedeisend belang is gelegen in het feit dat verzoeker op dit moment in de BBA zit. Hij werkt doordeweeks als koerier in de vleeshandel. In het weekend heeft hij recht op verlof. Dat brengt hij door bij zijn echtgenote en zijn vier kinderen. De intrekking van zijn verblijfsvergunning brengt dit allemaal in gevaar. Nu verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft, komt zijn verblijf in de BBA in gevaar, zal deze stopgezet worden en zal hij geselecteerd worden om te worden geplaatst in PI Ter Apel waar alle VRIS -ers verblijven. Indien dit gebeurt zullen alle behaalde doelen en gezette stappen richting een delictvrije toekomst teniet worden gedaan. Standpunt minister 7. Primair stelt de minister dat er geen sprake is van spoedeisend belang. Voor zover aannemelijk is dat verzoeker zal worden overgeplaatst naar de PI omdat zijn verblijfsrecht is ingetrokken, merkt de minister op dat het in het geheel niet duidelijk is op welke termijn dit zal gebeuren. Verzoeker heeft ook niet met stukken onderbouwd dat deze overdracht, zo deze zal plaatsvinden, dan vóór de beslissing op bezwaar zal zijn. Subsidiair stelt de minister dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Dit komt met name omdat de gronden van bezwaar voor een groot deel een herhaling zijn van de zienswijze en al zijn behandeld in de beschikking van 25 maart 2025. De minister heeft op de zitting aangegeven dat haar belang bij het afwijzen van de voorlopige voorziening is gelegen in het handhaven van de openbare orde. Verzoeker wordt namelijk gezien als een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Oordeel van de voorzieningenrechter 8. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er wel sprake is van spoedeisend belang voor het treffen van de voorlopige voorziening. De gemachtigde van verzoeker heeft op de zitting toegelicht dat rechtmatig verblijf essentieel is voor een verblijf op de BBA en dat verzoeker op elk moment overgeplaatst kan worden naar de PI Ter Apel. De voorzieningenrechter kan dit volgen, nu dit overeenkomt met de Ketenprocesbeschrijving VRIS van de Dienst Terugkeer en Vertrek. Hierin staat onder 6C dat de DJI vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf of waarvan het rechtmatig verblijf is ingetrokken nadat de 30 dagen na ingangsdatum bevel gevangenhouding zijn verstreken of het toepassen van preventieve hechtenis, in een VRIS-locatie plaatst tenzij er sprake is van een contra-indicatie. Hieruit lijkt dus te volgen dat verzoeker wiens verblijfsvergunning is ingetrokken in een VRIS-locatie geplaatst zal worden en dus de BBA zal verlaten. Bovendien heeft de minister ook niet onderbouwd dat de geschetste gang van zaken van verzoeker onaannemelijk is. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om eraan te twijfelen dat verzoeker op elk moment overgeplaatst kan worden uit de BBA. Als de BBA gestopt zal worden, zal ook het re-integratieverlof van verzoeker gestopt worden. Hierin ziet de voorzieningenrechter een spoedeisend belang. 10. De voorzieningenrechter zal in deze zaak geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel maken. Deze zaak leent zich hier niet voor vanwege de vele belangen en aspecten die aan de orde zijn en ook gewogen moeten worden in de bezwaarprocedure. Hierin noemt de voorzieningenrechter ook de nieuw gebleken omstandigheid dat de kinderen van verzoeker de Nederlandse nationaliteit hebben. Ook deze omstandigheid moet door de minister zorgvuldig gewogen worden en dat is waar de bezwaarprocedure zich juist voor leent. De voorzieningenrechter zal daarom enkel een belangenafweging maken. 11.1. De voorzieningenrechter ziet aan de kant van verzoeker om de voorlopige voorziening toe te wijzen onder andere het belang om niet uitgezet te worden hangende de bezwaarprocedure en het belang om in de BBA te mogen verblijven. 11.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat aan het belang om niet uitgezet te worden hangende de bezwaarprocedure een gering gewicht toekomt, omdat verzoeker zich weer bij zijn gezin in Nederland kan voegen als zijn bezwaar gegrond zou worden verklaard en de intrekking van zijn verblijfsvergunning niet standhoudt. Weliswaar zal hij gedurende zijn verblijf in Marokko minder contact met zijn gezin kunnen onderhouden, vooral via de elektronische weg en als zijn gezin hem komt bezoeken. Maar verzoeker heeft zich ook niet laten weerhouden om ernstige strafbare feiten te plegen met het risico van detentie, dat eveneens het contact met zijn gezin aanzienlijk heeft belemmerd, vooral in de eerste fase van zijn detentie. 11.3. De voorzieningenrechter hecht meer gewicht aan het belang van verzoeker om niet overgeplaatst te worden naar een VRIS-locatie, zoals PI Ter Apel. Dit betekent namelijk een doorkruising van het re-integratietraject. Zolang niet vaststaat dat verzoeker Nederland moet verlaten, is met het oog op het verminderen van het recidiverisico, dat door de reclassering bij verzoeker als gemiddeld wordt ingeschat, de voortzetting van het re-integratietraject erg belangrijk voor verzoeker (en natuurlijk ook voor de samenleving). Verzoeker heeft toegelicht dat hij na afloop van de detentie als koerier kan blijven werken. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat doorkruising van dit traject de re-integratie van verzoeker en daarmee het risico op recidive ernstig kan schaden. Dat zou erg nadelig zijn als het bestreden besluit zou worden herroepen en verzoeker deel zou blijven nemen aan de Nederlandse samenleving. 11.4. Met deze belangen is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van verzoeker voor toewijzing zwaarder weegt dan het belang van de minister om afwijzing van de voorlopige voorziening. De minister heeft als belang voor afwijzing van de voorlopige voorziening het handhaven van de openbare orde gesteld, omdat verzoeker gezien wordt als een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. De voorzieningenrechter leest dit zo dat de minister er belang bij heeft om verzoeker uit te zetten en hiermee de openbare orde handhaaft. Hoewel handhaving van de openbare orde in het algemeen zwaar weegt, weegt het op dit moment in het geval van verzoeker minder zwaar omdat verzoeker nog in detentie zit en onder toezicht staat van de reclassering. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de detentie van verzoeker pas op 26 februari 2026 afloopt en verweerder voor die tijd op het bezwaar kan beslissen. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat gedurende de bezwaarprocedure de belangen van verzoeker om toewijzing zwaarder wegen dan de belangen van de minister om afwijzing van de voorlopige voorziening. Conclusie en gevolgen 12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 25 maart 2025 is geschorst tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. 13. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de minister het griffierecht en de proceskosten aan verzoeker vergoeden. De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-. Beslissing De voorzieningenrechter: - schorst het primaire besluit tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar; - bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Schengeninformatiesysteem. Dienst Justitiële Inrichtingen. Beperkt Beveiligde Afdeling. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Vreemdelingen in de Strafrechtketen.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...