Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:18458

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-01-31
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL24.48876 en NL24.48877
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
11.894 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel. Relaas deels geloofwaardig. Verweerder heeft niet geloofwaardig hoeven vinden dat eiser in de negatieve belangstelling van de Mauritaanse autoriteiten staat. Daarnaast heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. De overige grond ontbreekt aan relevantie. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL24.48876 en NL24.48877 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. H.K. Westerhof), en de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. A. de Graaf). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 19 november 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 7 december 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.1. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 16 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser mr. A. Jhingoer, namens mr. H.K. Westerhof, en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994, heeft de Mauritaanse nationaliteit en is afkomstig uit de etnische bevolkingsgroep [etnische bevolkingsgroep] . Hij heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiser heeft in juli 2019 met een vriend meegedaan aan een demonstratie tegen de toen verkozen president. Zijn vriend is toen opgepakt, enkele dagen vastgehouden en mishandeld, waarna hij weer is vrijgelaten. Een week later is eiser gebeld door de politie en gesommeerd zich te melden op het bureau. Dit heeft eiser niet gedaan. Hij heeft zijn telefoonnummer gewijzigd en heeft drie maanden buiten de stad verbleven. Eiser is toen teruggekeerd naar de stad en heeft zich zoveel mogelijk aan het maatschappelijke verkeer onttrokken om arrestatie te voorkomen. Wel is eiser ontelbare keren opgepakt tijdens avondcontroles en heeft eiser enkele jaren meegedaan met demonstraties op 28 november ter nagedachtenis aan de executie van militairen met een donkere huidskleur. Met behulp van een neef is eiser in 2024 uit Mauritanië gevlucht. Bij terugkeer vreest eiser opgepakt te worden vanwege zijn deelname aan de demonstraties en vreest hij voor de discriminatie die hij daar ervaart. Het bestreden besluit 3. Verweerder heeft drie asielmotieven herleid uit het asielrelaas van eiser. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofd. Ook wordt geloofd dat eiser discriminatie ervaart vanwege zijn huidskleur. Niet wordt geloofd dat eiser in de negatieve belangstelling staat van de Mauritaanse autoriteiten. Verweerder stelt zich hiervoor op het standpunt dat eisers verklaring geen samenhangend en aannemelijk geheel vormt. Zo heeft eiser tegenstrijdig verklaard over dat hij zich zoveel mogelijk heeft onttrokken aan het maatschappelijk verkeer, maar ook ontelbare keren is opgepakt. Daarnaast heeft eiser sinds 2019 nog vijf jaar zonder noemenswaardige problemen in Mauritanië kunnen verblijven. Ook heeft eiser op een legale wijze een Mauritaans paspoort verkregen en het land legaal kunnen verlaten. Verder is het voor verweerder niet aannemelijk dat de autoriteiten na vijf jaar na de demonstratie nog steeds belangstelling hebben voor eiser. Verweerder is hierdoor van oordeel dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Daarbij is niet gebleken dat de door eiser ervaren discriminatie dusdanig ernstig is dat het voor hem onmogelijk is geweest om maatschappelijk te functioneren. Ook is het niet aannemelijk dat eiser een reëel risico op ernstige schade loopt. Daarnaast wordt eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser tegenstrijdig en duidelijk onwaarschijnlijk heeft verklaard. Tot slot wordt eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser stelt zich op het standpunt dat Mauritanië voor hem niet veilig is om naar terug te keren. De staande houdingen gebeurden op plekken zonder digitaal informatiesysteem, waardoor eiser niet is herkend. Bij terugkeer zal hij wel herkend worden. Dat eiser een paspoort heeft kunnen verkrijgen komt omdat eiser niet eerder is gearresteerd, waardoor er geen vingerafdrukken van hem zijn afgenomen. Verder heeft verweerder niet gemotiveerd met welke landeninformatie zijn verklaringen tegenstrijdig zijn of waarom ze niet passen in de context van de situatie in Mauritanië. Eiser verwijst hierbij ook naar een arrest van de Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 4 oktober 2024. Hieruit blijkt dat een land van herkomst alleen maar veilig kan worden verklaard, als het overal en voor iedereen veilig is. Mauritanië is voor eiser niet veilig. Wat is het oordeel van de rechtbank? Negatieve belangstelling autoriteiten 5. Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig gevonden dat eiser in de negatieve belangstelling van de Mauritaanse autoriteiten staat. De rechtbank ligt haar oordeel hieronder toe. 5.1. Verweerder heeft eiser tegen kunnen werpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard. Zo heeft eiser verklaard zich jaren te hebben verstopt voor de autoriteiten door zich te onttrekken aan het maatschappelijke verkeer, maar zegt hij alsnog ontelbare keren te zijn opgepakt tijdens veiligheidscontroles. Waarvan de laatste keer drie of vier maanden voor zijn vertrek is geweest. Verweerder heeft het daarbij vreemd kunnen vinden dat er bij een veiligheidscontrole geen gegevens zouden worden geregistreerd of gecontroleerd. Ook heeft verweerder tegen kunnen werpen dat eiser een paspoort aan heeft kunnen vragen en op een legale manier uit heeft kunnen reizen. Verweerder heeft er daarnaast erop kunnen wijzen dat eiser, ondanks de veiligheidscontroles, zonder noemenswaardige problemen in Mauritanië heeft kunnen verblijven. Dat eiser zich volgens eigen zeggen zoveel mogelijk heeft onttrokken aan het maatschappelijke verkeer maakt dit niet anders. Nergens blijkt immers uit dat de autoriteiten sinds de telefonische oproep in 2019 – zelfs als wordt aangenomen dit heeft plaatsgevonden – nog op zoek zijn naar eiser. Bovendien heeft verweerder in het voornemen, dat deel uitmaakt van het bestreden besluit, op kunnen merken dat eiser enerzijds stelt problemen met de autoriteiten te krijgen bij terugkeer, maar anderzijds stelt dat hij nog in verband moet worden gebracht met de demonstraties omdat ze zijn gegevens niet hebben. 5.2. De argumenten van eiser in beroep maken dit niet anders. Het onderscheid dat eiser maakt tussen een aanhouding bij een veiligheidscontrole en arrestatie als gevolg van de demonstraties, heeft verweerder niet zonder meer hoeven volgen. De rechtbank stelt hierbij voorop dat eiser zelf in zijn correcties en aanvullingen van 2 december 2024 de veiligheidscontroles aanhoudingen noemt waarvoor hij naar het politiebureau werd gebracht. Ditzelfde beeld volgt ook uit het nader gehoor. Verweerder heeft het daarbij vreemd kunnen vinden dat de politie ook bij veiligheidscontroles geen informatie controleert of registreert. Eiser heeft hiervoor ook geen verdere onderbouwing kunnen geven. Ditzelfde geldt voor het argument van eiser over zijn uitreis. Eiser stelt dat hij legaal uit heeft kunnen reizen omdat hij niet eerder gearresteerd is geweest. Waarom hij bij terugkeer dan wel door de autoriteiten zou worden opgemerkt, heeft hij niet duidelijk kunnen maken. Van indicaties dat eiser bij terugkeer wel opgepakt zou worden, is dan ook niet gebleken. Kennelijk ongegrond 6. Paragraaf C2/7.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) onderscheidt drie categorieën voor de afwijzing als kennelijk ongegrond uit hoofde van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw: Het verstrekken van kennelijk inconsequente en tegenstrijdige verklaringen; Het verstrekken van kennelijk valse verklaringen; of Het verstekken van duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst. 6.1. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat eisers asielaanvraag enkel is afgewezen als kennelijk ongegrond op basis van de eerste categorie. Namelijk omdat hij kennelijk inconsequente en tegenstrijdige verklaringen heeft verstrekt. Gelet op de overwegingen onder rechtsoverweging 5.1 heeft verweerder de asielaanvraag niet ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. De kennelijk inconsequente en tegenstrijdige verklaringen betreffen de kern van eisers asielaanvraag, namelijk dat hij onder de negatieve belangstelling van de autoriteiten zou staan. Hierdoor heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hiermee aan eisers verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen. Het argument van eiser dat verweerder had moeten wijzen op strijd met landeninformatie maakt dit niet anders. Omdat verweerder zich specifiek beroept op de eerste categorie en er van cumulatieve voorwaarden niet is gebleken, heeft verweerder hierbij geen strijdige landeninformatie hoeven betrekken. Veilig land van herkomst 7. De rechtbank merkt op dat verweerder in het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser niet afwijst op de grond dat Mauritanië een veilig land van herkomst is. Eisers asielaanvraag is afgewezen omdat niet aannemelijk wordt geacht dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft of reëel risico op ernstige schade loopt. De verwijzing van eiser naar het arrest van de HvJ-EU van 4 oktober 2024 ontbreekt dan ook aan relevantie. Conclusie en gevolgen 8. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiser Nederland moet verlaten. 8.1. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. 8.2. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw. Zie het arrest van het HvJ-EU inzake CV t. Tsjechië van 4 oktober 2024, zaaknummer C-406/22, ECLI:EU:C:2024:811. Verslag nader gehoor, pag. 10. Verslag nader gehoor, pag. 6. Verslag nader gehoor, pag. 10. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van 28 februari 2018 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2018:729.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...