ECLI:NL:RBDHA:2025:16128
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2025-08-27
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel, Libië, asielmotieven geloofwaardig, ondervonden discriminatie als Amazigh niet voldoende zwaarwegend, beroep op art. 15c Kri slaagt niet, glijdende schaal, relatief lager niveau van willekeurig geweld Tripoli, rapport COI Focus Libië (CEDOCA), verhoogd risico op ernstige schade niet aannemelijk, beroep ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: NL25.17881 en NL25.17882 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser] en [eiseres] , V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2] , eisers (gemachtigde: mr. M.C.M.E. Schijvenaars), en de minister van Asiel en Migratie , voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. K. Kanters). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers. Eisers zijn het niet eens met die afwijzing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen. 2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de asielaanvragen terecht heeft afgewezen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 3. Vanaf 4 staat het procesverloop in dit geding beschreven. Daar zijn ook de van belang zijnde feiten en omstandigheden vermeld die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 4. Eisers hebben de Libische nationaliteit en zijn met elkaar gehuwd. [eiser] (eiser) is geboren op [datum 1] 1990 en [eiseres] (eiseres) op [datum 2] 1994. Op 27 december 2022 hebben zij hun asielaanvragen ingediend. Verweerder heeft met de bestreden besluiten van 9 april 2025 deze aanvragen in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 5. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 6. De rechtbank heeft de beroepen op 13 augustus 2025 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 7. Eisers leggen aan hun asielaanvragen ten grondslag dat zij in Libië als Amazigh (Berbers) discriminatie hebben ondervonden en dat zij vrezen voor ernstige schade bij terugkeer. Eiser heeft verklaard dat hij in 2018 in Yifrin is ontvoerd door de militie van Haroun Sasi. Met het betalen van losgeld is hij vrij kunnen komen. In 2021 en 2022 zijn eisers drie keer achtervolgd door verschillende, voor hen onbekende personen. Eiser heeft verklaard dat hij vermoedt dat dit jongeren van milities waren. Hij heeft alle keren kunnen wegrijden van deze personen. Eiseres heeft over een van deze incidenten (dat heeft plaatsgehad begin 2022) verklaard dat zij ook werden beschoten. Eiseres was op dat moment zwanger. Ze was bang en is naar het ziekenhuis gebracht. In het ziekenhuis kreeg zij een miskraam. Over de ondervonden discriminatie heeft eiser verklaard dat Arabieren niet bij hem wilden werken. Verder heeft hij verklaard dat hij als Amazigh niet kan werken bij de overheid en dat hij ook is beledigd met woorden. 8. Eisers hebben verklaard dat zij op 20 december 2022 Libië hebben verlaten. Eiser heeft verklaard dat hij vier maanden voor zijn vertrek enige tijd in Tunesië heeft verbleven voor het aanvragen van visa. Met de visa is hij weer teruggekeerd naar Tripoli en vervolgens zijn eisers met deze visa legaal Nederland ingereisd, waarna zij op 27 december 2022 asiel hebben gevraagd. De bestreden besluiten 9. Het asielrelaas van eisers bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst, problemen met milities, discriminatie vanwege (Amazigh) etniciteit. 10. Verweerder heeft de asielmotieven geloofwaardig geacht. Verweerder heeft aangenomen dat eisers als Amazigh discriminatie hebben ondervonden in hun land van herkomst en dat dat ook tot problemen heeft geleid. Verweerder vindt de gestelde problemen echter niet zwaarwegend genoeg om op grond daarvan een verblijfsvergunning asiel aan eisers te verlenen. Verweerder concludeert daarom dat eisers niet kunnen worden aangemerkt als vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en dat zij bij terugkeer naar Libië geen reëel risico op ernstige schade lopen zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De beroepsgronden 11. Eisers hebben aangevoerd dat zij in Libië discriminatie hebben ondervonden vanwege hun afkomst. Eisers hebben verder een beroep gedaan op artikel 15, aanhef en c, van de Kwalificatierichtlijn (hierna: een 15c-situatie). Discriminatie 12. Beoordeeld moet worden of eisers aannemelijk hebben gemaakt dat discriminatie een dusdanig ernstige beperking van hun bestaansmogelijkheden in Libië oplevert dat het voor hen onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. 13. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eisers in Libië discriminatie hebben ondervonden, maar dat de ernst daarvan niet zodanig is dat sprake is van discriminatie als daad van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft hierbij terecht in aanmerking genomen dat uit de verklaringen van eisers blijkt dat zij in Libië toegang hebben gehad tot onderwijs, medische zorg en huisvesting. Dat wordt door eisers ook niet betwist. Verweerder heeft terecht overwogen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de discriminatie dusdanig ernstige beperkingen van hun bestaansmogelijkheden oplevert dat het voor hen onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied in Libië te kunnen functioneren. De stelling in beroep, dat dit alles slechts met moeite kon plaatsvinden, is daarvoor niet voldoende. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn 14. Om te kunnen spreken van een 15c-situatie, moet sprake zijn van een uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict dermate hoog is dat een ieder, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Volgens vaste jurisprudentie is hiervan slechts sprake in ‘the most extreme cases of general violence’. 15. Uit een arrest van het HvJEU en een uitspraak van de Afdeling volgt dat ook bij een mindere mate van willekeurig geweld sprake kan zijn van een reëel risico op ernstige schade vanwege willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, indien de betreffende vreemdeling met individuele elementen aannemelijk kan maken dat hij een verhoogd risico daarop loopt. Dit is de zogenaamde ‘minder uitzonderlijke situatie’ en hierbij geldt een glijdende schaal: hoe meer willekeurig geweld er plaatsvindt, hoe minder individuele elementen nodig zijn om een risico op ernstige schade aan te nemen. Uit de uitspraak van de Afdeling blijkt dat daarbij geen drempel geldt voor de mate van willekeurig geweld. Bij individuele elementen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan leeftijd, gezondheidstoestand of handicap. De bewijslast voor deze individuele elementen ligt bij de vreemdeling. Als aan deze bewijslast voldaan is, is verweerder gehouden om het verhoogde risico op ernstige schade wegens willekeurig geweld gemotiveerd te beoordelen. Verweerder is verplicht om de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de vreemdelingen daarbij te betrekken. 16. Dat in Libië geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, blijkt uit de hiervoor onder 15. al aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 en wordt door eisers ook niet betwist. Zij doen een beroep op de ‘minder uitzonderlijke situatie’ en stellen in dat verband dat zij als Amazigh een groter risico lopen om slachtoffer te worden van het willekeurig geweld dat er plaatsvindt. 17. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij vanwege hun individuele situatie en persoonlijke omstandigheden meer risico lopen om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder heeft voor eisers het district Tripoli beoordeeld. Verweerder heeft overwogen dat in Tripoli sprake is van een ‘lage intensiteit’ van willekeurig geweld en gaat daarom uit van een ‘relatief lager niveau’ van willekeurig geweld. Dat is in de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 ook bevestigd. Verweerder heeft terecht overwogen dat eisers in hun zienswijze geen persoonlijke omstandigheden hebben aangedragen die ertoe leiden dat zij meer risico lopen op willekeurig geweld dan anderen. Verweerder heeft daarbij ook in aanmerking kunnen nemen dat eisers het land legaal hebben kunnen verlaten, en dat daaruit blijkt dat zij niet in de negatieve belangstelling staan van de Libische autoriteiten. 18. Eisers hebben in beroep een rapport van CEDOCA (COI Focus Libië) van 10 juli 2025 overgelegd, waarmee zij willen onderbouwen dat er in Libië, en met name in het district Tripoli, sprake is van grootschalig, willekeurig en wijdverspreid geweld. Het rapport bespreekt de actuele veiligheidssituatie in Libië, in het bijzonder in de periode 8 augustus 2023 tot 23 mei 2025. Het rapport heeft gebruik gemaakt van gegevens uit de databank van ACLED die lopen tot 4 juli 2025. Gerapporteerd is dat in 2023 72 incidenten zijn genoteerd en in 2024 221 incidenten. In de eerste helft van 2025 heeft ACLED 159 incidenten geteld. De pieken inzake slachtoffers van augustus 2023 en mei 2025 zijn gelieerd aan gewapende confrontaties in de hoofdstad Tripoli en de piek in februari 2025 aan clashes in het zuidelijke Qatrun. Na de clashes van midden mei 2025 werd in de hoofdstad een staakt-het-vuren afgesproken dat bij de eindredactie van dit rapport standhoudt. 19. Eiseres hebben met het rapport niet aannemelijk gemaakt dat zij door hun individuele omstandigheden bij terugkeer een verhoogd risico lopen op ernstige schade vanwege willekeurig geweld. Het rapport van CEDOCA onderbouwt dat er in de periode 2023 tot medio mei 2025 geweldsincidenten hebben plaatsgevonden in Tripoli en de omgeving van Tripoli. Het gaat volgens het rapport daarbij om geweld tussen gewapende groepen, waarbij ook burgerslachtoffers vielen. Uit het rapport blijkt niet dat de Amazigh in de negatieve belangstelling staan bij de gewapende milities. De rechtbank ziet in het rapport of in de andere stukken uit het dossier ook geen bevestiging dat eisers als Amazigh bij eventuele problemen geen bescherming kunnen inroepen van de Libische autoriteiten. Conclusie en gevolgen 20. Verweerder heeft de aanvragen terecht afgewezen als ongegrond. De beroepen zijn ongegrond. 21. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 27 augustus 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Uitspraak bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011. Zie Europees Hof voor de Rechten van de Mens 17 juli 2008, N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0717JUD002590407. Arrest X en Y van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843, zaaknummer C-125/22. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927. Paragraaf C2/3.3.3.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Dat blijkt uit rechtsoverweging 5.6. Armed Conflict Location & Event Data Project.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...