Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:15943

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-08-22
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.25239
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
9.922 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

opvolgende asielaanvraag, geen relevante nieuwe elementen of bevindingen, inreisverbod, beroep ongegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.25239 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2025 in de zaak tussen [eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres (gemachtigde: mr. M.M. Volwerk), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: [gemachtigde]). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de opvolgende asielaanvraag van eiseres en de oplegging van een inreisverbod met de duur van twee jaar, omdat aan eiseres bij eerder afwijzend besluit al een terugkeerbesluit is opgelegd. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft hiertegen een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister om de asielaanvraag niet-ontvankelijk te verklaren in stand kan blijven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres aan haar opvolgende aanvraag geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd. Ook het aan eiseres opgelegde inreisverbod kan in stand blijven. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Inleiding 2. Eiseres heeft op 15 mei 2025 een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 mei 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. 2.1. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Beoordeling Wat ging aan het bestreden besluit vooraf? 3. Bij besluit van 28 augustus 2023 heeft de minister de asielaanvraag van eiseres van 10 augustus 2022 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond. Bij uitspraak van 5 maart 2024 heeft de rechtbank het beroep daartegen ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 april 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het besluit van 28 augustus 2023 staat daarmee in rechte vast. Op 15 mei 2025 heeft eiseres haar huidige asielaanvraag ingediend. Hieraan legt eiseres ten grondslag dat sprake is van een nieuwe element, omdat vast is komen te staan dat zij niet kan terugkeren naar Libië. De consul van Libië heeft namelijk vastgesteld dat eiseres geen staatsburger is van Libië. Volgens eiseres moet alsnog worden beoordeeld of zij kan terugkeren naar Syrië. Het bestreden besluit van 30 mei 2025 4. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen relevante nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd ten opzichte van haar eerdere, onherroepelijk geworden, asielaanvraag. De minister heeft de aanvraag daarom op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet-ontvankelijk verklaard. Heeft de minister de asielaanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard? 5. Eiseres betoogt dat haar asielaanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Daartoe voert zij aan dat niet alleen het feit dat Libië haar geen toegang zal verlenen een nieuw relevant element is, maar ook dat alsnog zal moeten worden beoordeeld of zij terug kan keren naar Syrië. De minister had volgens eiseres al in de eerste asielprocedure de toegang tot Syrië moeten beoordelen, omdat sprake is van meerdere landen van gebruikelijk verblijf. Eiseres wijst erop dat de Dienst Terugkeer en Vertrek al met haar heeft gesproken over (een mogelijke) terugkeer naar Syrië. Eiseres voert aan dat zij als staatloze Palestijn bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM dan wel een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Ter onderbouwing hiervan verwijst eiseres naar de recente beslisnota van 10 juni 2025, omtrent het landenbeleid ten aanzien van Syrië, waarin staat dat de situatie van staatloze Palestijnen ongewijzigd is nu de UNRWA niet actief is in Syrië en dat zij dus als vluchteling moeten worden erkend en niet kunnen worden teruggestuurd. Juridisch kader 5.1. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 26 januari 2022, heeft overwogen volgt uit het arrest LH, dat de ontvankelijkheid van een opvolgende asielaanvraag aan de hand van twee fasen moet worden beoordeeld. In de eerste fase moet worden onderzocht of er nieuwe elementen of bevindingen zijn die verband houden met de vraag of de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. In de tweede fase moet de minister beoordelen of die nieuwe elementen of bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Een nieuw element of bevinding is niet relevant als op voorhand is uitgesloten dat wat alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan de overwegingen van het eerder genomen besluit. Wat vindt de rechtbank 5.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiseres geen relevante nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd ten opzichte van haar eerdere asielaanvraag. In die procedure is in rechte komen vast te staan dat Libië voor eiseres als land van gebruikelijk verblijf geldt en dat eiseres bij terugkeer in Libië geen risico loopt op vervolging of ernstige schade. Bij die beoordeling in de eerste asielprocedure is niet van belang of eiseres feitelijk toegang zal krijgen tot Libië, omdat de feitelijke toegankelijkheid geen deel uitmaakt van de beoordeling of een vreemdeling in aanmerking komt voor asiel. De vaststelling door de consul van Libië dat eiseres geen staatsburger is van Libië, maakt de beoordeling in de eerste asielprocedure, dat Libië voor eiseres geldt als land van gebruikelijk verblijf, niet anders en is dan ook geen nieuw element. Het betoog van eiseres dat de minister ten onrechte de toegang tot Syrië niet heeft beoordeeld en alsnog zou moet beoordelen, levert evenmin een nieuw element op. De feitelijke toegang tot een land maakt immers geen onderdeel uit van de beoordeling die in de asielprocedure wordt gemaakt. Het al dan niet verkrijgen van toegang tot Syrië kan niets afdoen aan het in rechte vaststaande oordeel dat Libië land van gebruikelijk verblijf is. Ook het betoog van eiseres dat ziet op de risico’s die zij stelt te lopen bij een eventuele terugkeer naar Syrië, levert naar het oordeel van de rechtbank geen nieuw element op. In de eerste asielprocedure is, zoals hiervoor al is overwogen, Libië als land van gebruikelijk verblijf aangemerkt en niet Syrië. De risico’s die eiseres stelt te lopen bij een eventuele terugkeer naar Syrië zijn in die procedure niet beoordeeld en kunnen dan ook niets afdoen aan de uitkomst van die procedure. Verder geldt dat de minister eiseres geen terugkeerbesluit naar Syrië, maar een terugkeerbesluit naar Libië heeft opgelegd. Wanneer de minister overgaat tot oplegging van een terugkeerbesluit naar Syrië, zal op dat moment door de minister een beoordeling moeten worden gemaakt van de risico’s daarvan voor eiseres. Nu eiseres geen relevant nieuw element of bevinding heeft aangevoerd, heeft de minister de opvolgende asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het betoog slaagt niet. Heeft de minister ten onrechte een inreisverbod opgelegd? 6. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte een inreisverbod heeft opgelegd, nu zij niet kan terugkeren naar Syrië of Libië. Eiseres voert aan dat zij hierdoor klem komt te zitten omdat zij nergens heen kan. 6.1. De rechtbank stelt vast dat de minister bij besluit van 28 augustus 2023 al een terugkeerbesluit naar Libië aan eiseres heeft opgelegd. De minister stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat het inreisverbod voor de duur van twee jaar volgt uit artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000. De minister heeft er terecht op gewezen dat eiseres een buitenschuldaanvraag kan indienen, als zij buiten haar schuld om niet kan terugkeren naar Libië of Syrië. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 7. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard en aan eiseres een inreisverbod opgelegd. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en geen vergoeding krijgt van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. O. El Kadi, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zoals bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). ECLI:NL:RBDHA:2024:2906 Zaaknummer 202401995/1/V1 de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten. ECLI:NL:RVS:2022:208, rechtsoverweging 5.1. e.v. ECLI:EU:C:2021:478.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...